1. De opsporingsambtenaar die handelt ter uitvoering van een bevel van de officier van justitie als bedoeld in dit hoofdstuk, is verplicht van de hem in de wet verleende bevoegdheden tot inbeslagneming gebruik te maken, indien hij door de uitvoering van het bevel kennis draagt van de vindplaats van voorwerpen waarvan het aanwezig hebben of voorhanden hebben ingevolge de wet verboden is vanwege hun schadelijkheid voor de volksgezondheid of hun gevaar voor de veiligheid. De inbeslagneming mag alleen in het belang van het onderzoek worden uitgesteld met het oogmerk om op een later tijdstip daartoe over te gaan.

  2. De verplichting tot inbeslagneming geldt niet in het geval de officier van justitie op grond van een zwaarwegend opsporingsbelang anders beveelt.

  3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de opsporingsambtenaar of de officier van justitie door de toepassing van artikel 2.8.19 kennis draagt van de vindplaats van voorwerpen als bedoeld in het eerste lid.