Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

  1. de opslag, verstrekking, plaatsing en verwijdering van de technische hulpmiddelen, bedoeld in de artikelen 2.8.7, derde lid, 2.8.14, eerste lid, onderdeel b, 2.8.15, eerste lid, 2.8.16, eerste lid, en 2.8.18, eerste lid, alsmede van de technische hulpmiddelen, bedoeld in artikel 2.8.13, eerste lid, voor zover het bevel, bedoeld in artikel 2.8.13, vierde of vijfde lid, wordt tenuitvoergelegd zonder medewerking van de betrokken aanbieder;

  2. de opslag, verstrekking en plaatsing van de technische hulpmiddelen die dienen ter ontsleuteling van versleutelde communicatie die wordt vastgelegd op grond van artikel 2.8.13, eerste lid;

  3. de technische eisen waaraan de hulpmiddelen, bedoeld in de onderdelen a en b moeten voldoen, onder meer met het oog op het voorkomen van misbruik door derden en de onschendbaarheid van de vastgelegde waarnemingen of, in geval van toepassing van artikel 2.8.16, de onschendbaarheid van de overgenomen gegevens;

  4. de controle op de naleving van de eisen, bedoeld in onderdeel c;

  5. de instellingen die de registratie van signalen aan een technische bewerking onderwerpen;

  6. de wijze waarop de bewerking, bedoeld in onderdeel e, plaatsvindt met het oog op de controleerbaarheid achteraf, alsmede de waarborgen waarmee deze is omgeven en de mogelijkheden voor een tegenonderzoek.