1. Bevelen van de officier van justitie als bedoeld in dit hoofdstuk worden afzonderlijk vastgelegd, met uitzondering van de bevelen, bedoeld in de artikelen 2.8.7, 2.8.8, 2.8.9 en 2.8.18.

  2. De officier van justitie kan een bevel als bedoeld in dit hoofdstuk verlengen, wijzigen, aanvullen of intrekken.

  3. Zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor uitoefening van een bevoegdheid, bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van het bevel wordt beëindigd.