De opsporingsambtenaar die de verdachte staande houdt of aanhoudt, kan voor inbeslagneming vatbare voorwerpen die de verdachte met zich voert in beslag nemen.
Nieuw Wetboek van Strafvordering Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 18-03-2026.
Inhoud
Boek 1 Strafvordering in het algemeen
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen en definities
Titel 1.1 Inleidende bepalingen
Hoofdstuk 2 De behandeling van zaken door de rechter
Hoofdstuk 3 Vervolging en opsporing van strafbare feiten
Hoofdstuk 4 De verdachte en zijn raadsman
Titel 4.1 De verdachte
Titel 4.2 De raadsman
Afdeling 4.2.1 Het optreden van de raadsman
Afdeling 4.2.2 De bevoegdheden van de raadsman
Hoofdstuk 5 Het slachtoffer
Hoofdstuk 6 De getuige
Hoofdstuk 7 De deskundige
Hoofdstuk 8 De processtukken
Hoofdstuk 9 Overdracht van berichten en het indienen van stukken
Hoofdstuk 11 Enige algemene voorzieningen
Titel 11.1 Herstelrecht
Titel 11.2 Videoconferentie
Titel 11.3 De inzet van tolken
Titel 11.4 Opdrachten aan de reclassering
Titel 11.5 Verstoring van ambtsverrichtingen
Boek 2 Het opsporingsonderzoek
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Titel 1.1 Definities
Titel 1.2 Algemene bepalingen over de uitoefening van bevoegdheden in het kader van het opsporingsonderzoek
Titel 1.3 Algemene bevoegdheid
Titel 1.4 Verslaglegging door opsporingsambtenaren
Titel 1.5 Vastlegging van bevelen en van machtigingen en vorderingen daartoe
Titel 1.6 Toestemming voor onderzoekshandelingen
Hoofdstuk 2 De aangifte
Hoofdstuk 3 Het verhoor door opsporingsambtenaren
Hoofdstuk 4 Deskundigenonderzoek in opdracht van de officier van justitie
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming
Titel 5.1 Algemene bepalingen
Titel 5.2 Staandehouding en aanhouding
Titel 5.3 Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.1 Ophouden voor onderzoek
Afdeling 5.3.2 Inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.3 Maatregelen ten aanzien van de voor onderzoek opgehouden of in verzekering gestelde verdachte
Afdeling 5.3.4 Voorgeleiding aan de rechter-commissaris
Titel 5.4 Voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.1 Algemene bepalingen
Afdeling 5.4.2 Toepassingsvoorwaarden
Afdeling 5.4.3 Schorsing van de voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.4 Opheffing van de voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.5 Bewaring
Afdeling 5.4.6 Gevangenhouding en gevangenneming
Afdeling 5.4.7 Beslissingen over voorlopige hechtenis in het eindvonnis
Afdeling 5.4.8 Voorlopige hechtenis na hoger beroep tegen het eindvonnis
Titel 5.5 Rechtsmiddelen
Afdeling 5.5.1 Bezwaar tegen het opleggen van maatregelen
Afdeling 5.5.2 Beroep tegen de directe invrijheidstelling van de verdachte
Afdeling 5.5.3 Beroep tegen beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis
Hoofdstuk 6 Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam
Titel 6.1 Algemene bepalingen
Afdeling 6.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 6.1.2 Onderzoek en fase van vrijheidsbeneming
Afdeling 6.1.3 Toestemming
Afdeling 6.1.4 Delegatie
Titel 6.2 Onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen
Titel 6.3 Onderzoek aan het lichaam
Titel 6.4 Onderzoek in het lichaam
Titel 6.5 Overige onderzoeken met betrekking tot het lichaam
Afdeling 6.5.1 Het nemen van vingerafdrukken en gezichtsopnamen ter identiteitsvaststelling
Afdeling 6.5.2 Onderzoek naar gebruik van geweldbevorderende middelen
Afdeling 6.5.3 Het maken van beeldopnamen, het opmeten van lichaamsmaten en het nemen van lichaamsafdrukken, -haar en -materiaal
Afdeling 6.5.4 Onderzoek ten aanzien van fysieke eigenschappen
Afdeling 6.5.5 Het houden van een confrontatie
Afdeling 6.5.6 DNA-onderzoek
Afdeling 6.5.7 Onderzoek naar een ernstige besmettelijke ziekte
Titel 6.6 Onderzoek met betrekking tot het lichaam van een overleden verdachte of slachtoffer
Titel 6.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 6.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 7 Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 7.1 Algemene bepalingen
Titel 7.2 Inbeslagneming van voorwerpen
Afdeling 7.2.1 Algemene bepalingen
Afdeling 7.2.2 Bevoegdheden tot inbeslagneming van voorwerpen
Afdeling 7.2.3 Inbeslagneming tot bewaring van het recht tot verhaal
Afdeling 7.2.4 Teruggave en bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen
Titel 7.3 Onderzoek van gegevens
Afdeling 7.3.1 Algemene bepalingen
Afdeling 7.3.2 Bevoegdheden
Afdeling 7.3.3 Verstrekking van gegevens ten behoeve van het onderzoek
Titel 7.4 Ontoegankelijkmaking van gegevens
Titel 7.5 Uitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht
Titel 7.6 Onderzoek ter plaatse
Titel 7.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 7.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 8 Heimelijke bevoegdheden
Titel 8.1 Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 8.1.2 Kennisgeving aan betrokkene
Afdeling 8.1.3 Voeging gegevens functioneel verschoningsgerechtigden
Afdeling 8.1.4 Technische hulpmiddelen
Afdeling 8.1.5 Verplichting tot inbeslagneming
Afdeling 8.1.6 Uitstel melding onbekende kwetsbaarheden
Titel 8.2 De bevoegdheden
Afdeling 8.2.1 Stelselmatige observatie
Afdeling 8.2.2 Stelselmatig overnemen persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen
Afdeling 8.2.3 Bevoegdheden ten aanzien van een besloten plaats
Afdeling 8.2.4 Pseudo-koop of -dienstverlening
Afdeling 8.2.5 Stelselmatige inwinning van informatie
Afdeling 8.2.6 Infiltratie
Afdeling 8.2.7 Vastleggen communicatie die plaatsvindt door middel van een aanbieder van een communicatiedienst
Afdeling 8.2.8 Vastleggen vertrouwelijke communicatie
Afdeling 8.2.9 Toegang op afstand tot een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk
Afdeling 8.2.10 Stelselmatige locatiebepaling
Titel 8.3 Bijstand door burgers bij de uitoefening van heimelijke bevoegdheden
Titel 8.4 Personen in de openbare dienst van een vreemde staat
Titel 8.5 Maatregelen in het belang van de veiligheid
Titel 8.6 Vermoeden georganiseerd verband en aanwijzingen terroristisch misdrijf
Titel 8.7 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 9 Het verkennend onderzoek
Hoofdstuk 10 Onderzoek door de rechter-commissaris
Titel 10.1 Algemene bepalingen
Titel 10.2 Bevoegdheden met betrekking tot de verdachte
Afdeling 10.2.1 Het verhoor van de verdachte
Afdeling 10.2.2 Observatie van de verdachte
Titel 10.3 Het verhoor van de getuige
Titel 10.4 De benoeming en het verhoor van een deskundige
Afdeling 10.4.1 De benoeming van een deskundige
Afdeling 10.4.2 Het verhoor van een deskundige
Titel 10.5 Getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan
Titel 10.6 Voortgangsbewaking door de rechter-commissaris
Titel 10.7 Beëindiging van het onderzoek
Titel 10.8 Rechtsmiddelen
Boek 3 Beslissingen over vervolging
Hoofdstuk 2 Bezwaarschrift tegen de procesinleiding
Hoofdstuk 3 De strafbeschikking
Titel 3.1 Inhoud van de strafbeschikking
Titel 3.2 Uitvaardigen van de strafbeschikking door opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak belast
Titel 3.3 Waarborgen bij het uitvaardigen van de strafbeschikking
Titel 3.4 Uitreiken en toezenden van de strafbeschikking
Titel 3.5 Intrekken en wijzigen van de strafbeschikking
Titel 3.6 Openbaarheid van de strafbeschikking
Hoofdstuk 4 Het achterwege laten van vervolging
Titel 4.1 Het sepot
Hoofdstuk 5 Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten
Hoofdstuk 6 Rechtsmiddelen
Boek 4 Berechting
Hoofdstuk 1 Het aanbrengen van de zaak ter berechting
Hoofdstuk 2 Het onderzoek op de terechtzitting
Titel 2.1 Algemene bepalingen
Titel 2.2 De aanvang van het onderzoek
Titel 2.3 De omvang van het onderzoek
Titel 2.4 Het onderzoek van de zaak zelf
Afdeling 2.4.1 Inleidende bepalingen
Afdeling 2.4.2 Het verhoor van de verdachte
Afdeling 2.4.3 Het verhoor van de getuige
Afdeling 2.4.4 Het verhoor van de deskundige
Afdeling 2.4.5 De uitoefening van het spreekrecht
Afdeling 2.4.6 Het beslag
Afdeling 2.4.7 Nader onderzoek
Afdeling 2.4.8 De schorsing van het onderzoek
Afdeling 2.4.9 Het requisitoir en het pleidooi, repliek en dupliek
Afdeling 2.4.10 De sluiting van het onderzoek en beslissingen ten aanzien van de uitspraak
Afdeling 2.4.11 Heropening van het onderzoek
Titel 2.5 De verslaglegging van het onderzoek op de terechtzitting
Hoofdstuk 3 De beraadslaging, de uitspraak en het eindvonnis
Hoofdstuk 4 De behandeling van met de berechting verbonden vorderingen
Titel 4.1 De vordering van de benadeelde partij
Titel 4.2 De vordering tot tenuitvoerlegging
Titel 4.3 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Afdeling 4.3.2 Afzonderlijke behandeling
Afdeling 4.3.3 Voeging en afsplitsing
Afdeling 4.3.4 De ontnemingsschikking
Hoofdstuk 5 De enkelvoudige kamer
Hoofdstuk 6 Herstelbeslissingen
Boek 5 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Het instellen en indienen, intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen
Hoofdstuk 3 Verzet tegen strafbeschikkingen
Hoofdstuk 4 Hoger beroep tegen vonnissen
Titel 4.1 Hoger beroep tegen eindvonnissen en tussenvonnissen
Afdeling 4.1.1 Gevallen waarin hoger beroep openstaat
Afdeling 4.1.2 De voorbereiding van de terechtzitting
Afdeling 4.1.3 De oproeping voor de terechtzitting
Afdeling 4.1.4 Het onderzoek op de terechtzitting
Afdeling 4.1.5 De beraadslaging, de uitspraak en het eindarrest
Titel 4.2 Hoger beroep in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 4.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 4.2.2 De vordering tot tenuitvoerlegging
Afdeling 4.2.3 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 4.3 De enkelvoudige kamer
Titel 4.4 Herstelbeslissingen
Hoofdstuk 5 Beroep in cassatie tegen arresten
Titel 5.1 Beroep in cassatie tegen eindarresten en tussenarresten
Afdeling 5.1.1 Gevallen waarin beroep in cassatie openstaat
Afdeling 5.1.2 De voorbereiding van de behandeling van het beroep in cassatie
Afdeling 5.1.3 De behandeling van het beroep in cassatie
Titel 5.2 Beroep in cassatie in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 5.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 5.2.2 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.3 Herstelarresten
Hoofdstuk 6 Gewone rechtsmiddelen tegen andere beslissingen
Hoofdstuk 7 Cassatie in het belang van de wet
Hoofdstuk 8 Herziening van arresten en vonnissen
Titel 8.1 Herziening ten voordele van de gewezen verdachte
- Artikel 5.8.1
- Artikel 5.8.2
- Artikel 5.8.3
- Artikel 5.8.4
- Artikel 5.8.5
- Artikel 5.8.6
- Artikel 5.8.7
- Artikel 5.8.8
- Artikel 5.8.9
- Artikel 5.8.10
- Artikel 5.8.11
- Artikel 5.8.12
- Artikel 5.8.13
- Artikel 5.8.14
- Artikel 5.8.15
- Artikel 5.8.16
- Artikel 5.8.17
- Artikel 5.8.18
- Artikel 5.8.19
- Artikel 5.8.20
- Artikel 5.8.21
- Artikel 5.8.22
- Artikel 5.8.23
- Artikel 5.8.24
- Artikel 5.8.25
- Artikel 5.8.26
Titel 8.2 Herziening ten nadele van de gewezen verdachte
Boek 6 Bijzondere regelingen
Hoofdstuk 1 Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte
Titel 1.1 Jeugdigen en jongvolwassenen
Afdeling 1.1.1 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.2 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.3 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.4 De raad voor de kinderbescherming
Afdeling 1.1.5 De betrokkenheid van de ouder of een persoon naar keuze
Afdeling 1.1.6 Vordering van de benadeelde partij
Titel 1.2 Verdachten die door een beperking of een ziekte onvoldoende in staat zijn aan het proces tegen hen deel te nemen
Titel 1.3 Rechtspersonen
Titel 1.4 Rechterlijke ambtenaren
Hoofdstuk 2 Procesincidenten
Hoofdstuk 4 Bijzondere procedures
Titel 4.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Afdeling 4.1.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen
Afdeling 4.1.2 Beklag met betrekking tot gegevens
Afdeling 4.1.3 Behandeling van het klaagschrift
Titel 4.2 Afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.3 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden van bijzondere aard
Titel 5.1 Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast
Titel 5.2 Bevoegdheden bij het ontruimen van een gekraakt pand
Afdeling 5.2.1 Bevoegdheden
Afdeling 5.2.2 Rechtsmiddelen
Titel 5.3 Bevoegdheden tot het betreden van plaatsen in verband met bepaalde misdrijven
Titel 5.4 Bevoegdheden in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf
Titel 5.5 Bevoegdheden in verband met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Afdeling 5.5.1 Bevoegdheden
Afdeling 5.5.2 Rechtsmiddelen
Titel 5.6 Bevoegdheden tot vastlegging en raadpleging van kentekengegevens
Titel 5.7 Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren
Hoofdstuk 6 Schadevergoeding en kosten
Boek 9 Slotbepalingen
Afdeling 7.2.2
Artikel 2.7.8
In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan een opsporingsambtenaar daarvoor vatbare voorwerpen in beslag nemen.
Artikel 2.7.9
-
In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan een opsporingsambtenaar een persoon die redelijkerwijs moet worden vermoed houder te zijn van een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp bevelen dat hij dit ter inbeslagneming uitlevert.
-
Artikel 2.7.2 is niet van toepassing indien het strafbaar feit een misdrijf betreft als omschreven in de artikelen 92 tot en met 96, 97a tot en met 98c, 240, 240a, 240b, 248a, 250 en 273f van het Wetboek van Strafrecht en het bevel is gegeven om verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp mogelijk te maken.
-
Het bevel duidt zo nauwkeurig mogelijk de voorwerpen aan waarvan uitlevering wordt bevolen.
Artikel 2.7.10
In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan een opsporingsambtenaar:
ter inbeslagneming elke plaats, met uitzondering van een kantoor van een functioneel verschoningsgerechtigde, betreden en daar met dat doel zoekend rondkijken;
indien ter inbeslagneming doorzoeking van een plaats noodzakelijk wordt geacht, elke plaats betreden en in afwachting van het optreden van degene die tot doorzoeking bevoegd is, bevelen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.7.3 geven respectievelijk nemen.
Artikel 2.7.11
-
In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan een opsporingsambtenaar ter inbeslagneming een vervoermiddel, met uitzondering van het woongedeelte zonder toestemming van de bewoner, doorzoeken en zich daartoe de toegang tot dit vervoermiddel verschaffen.
-
Indien dit met het oog op de doorzoeking van het vervoermiddel noodzakelijk is, kan de opsporingsambtenaar:
de bestuurder van het vervoermiddel bevelen het vervoermiddel tot stilstand te brengen, en
het vervoermiddel vervolgens naar een daartoe door hem aangewezen plaats overbrengen of door de bestuurder laten overbrengen.
-
Ten aanzien van het bevel, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, geldt dat:
het bevel ook door middel van gebaren of een stopteken kan worden gegeven;
artikel 2.7.2 niet van toepassing is.
Artikel 2.7.12
-
In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar een plaats, met uitzondering van een woning zonder toestemming van een bewoner en een kantoor van een functioneel verschoningsgerechtigde, ter inbeslagneming doorzoekt.
-
Bij dringende noodzaak en indien het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht, kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid, na daartoe verkregen toestemming van de officier van justitie, door een hulpofficier van justitie worden uitgeoefend.
-
De in het eerste lid bedoelde doorzoeking vindt plaats onder leiding van de officier van justitie en in geval deze niet bij de doorzoeking aanwezig is in aanwezigheid van de hulpofficier van justitie. De in het tweede lid bedoelde doorzoeking vindt plaats in aanwezigheid en onder leiding van de hulpofficier van justitie.
Artikel 2.7.13
-
In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie bij dringende noodzaak en indien het optreden van de rechter-commissaris niet kan worden afgewacht, na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris, bevelen dat een opsporingsambtenaar een woning ter inbeslagneming zonder toestemming van de bewoner of de rechthebbende doorzoekt.
-
Kan ook het optreden van de officier van justitie niet worden afgewacht, dan kan het bevel worden gegeven door de hulpofficier van justitie. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de machtiging, zo veel mogelijk door tussenkomst van de officier van justitie, kan worden verzocht door de hulpofficier van justitie. In dat geval is voor het binnentreden in de woning door de hulpofficier van justitie geen machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden vereist.
-
De in het eerste lid bedoelde doorzoeking vindt plaats onder leiding van de officier van justitie en in het geval deze niet bij de doorzoeking aanwezig is in aanwezigheid van de hulpofficier van justitie. De in het tweede lid bedoelde doorzoeking vindt plaats in aanwezigheid en onder leiding van de hulpofficier van justitie.
Artikel 2.7.14
Een opsporingsambtenaar die met toestemming van de bewoner ter inbeslagneming een woning wenst te doorzoeken, legitimeert zich en vraagt voorafgaand aan de doorzoeking toestemming aan de bewoner nadat hij deze op het doel van de doorzoeking en de gevolgen van zijn toestemming heeft gewezen. De toestemming wordt vooraf, afzonderlijk vastgelegd.
Artikel 2.7.15
In geval van doorzoeking van een plaats is de rechthebbende van die plaats bevoegd zich door een advocaat te doen bijstaan. De doorzoeking mag daardoor niet worden opgehouden.
Artikel 2.7.16
-
Brieven en andere poststukken die aan een postvervoerbedrijf als bedoeld in de Postwet 2009 of een andere instelling van vervoer zijn toevertrouwd, kunnen met toepassing van de bevoegdheden uit deze titel worden inbeslaggenomen.
-
Voor inbeslagneming vatbare brieven die aan een postvervoerbedrijf als bedoeld in de Postwet 2009 of een andere instelling van vervoer zijn toevertrouwd, worden alleen inbeslaggenomen voor zover zij klaarblijkelijk:
van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn of op hem betrekking hebben; of
het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend.
-
Een opsporingsambtenaar kan een postvervoerbedrijf of een andere instelling van vervoer bevelen inlichtingen te verstrekken met betrekking tot een brief of ander poststuk, voor zover deze inlichtingen van belang zijn in verband met de beslissing inzake inbeslagneming.
-
Tot de kennisneming van de inhoud van bij een postvervoerbedrijf of een andere instelling van vervoer inbeslaggenomen brieven, wordt niet overgegaan dan na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris.
-
Tot de kennisneming van de inhoud van andere inbeslaggenomen brieven dan de in het vierde lid bedoelde brieven, wordt voor zover zij gesloten zijn niet overgegaan dan na daartoe verkregen toestemming van de officier van justitie.
-
Indien de machtiging of de toestemming niet wordt verleend, geeft de opsporingsambtenaar de inbeslaggenomen brief direct terug aan de beslagene.
-
Indien een inbeslaggenomen brief met toepassing van het vierde lid is geopend en het beslag wordt beëindigd, zendt de officier van justitie deze direct door naar de geadresseerde. De geadresseerde wordt van de opening in kennis gesteld, tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet.
Artikel 2.7.17
-
Van de inbeslagneming van een voorwerp wordt, ook in geval de inbeslagneming plaatsvindt door of onder leiding van de officier van justitie of rechter-commissaris, door de opsporingsambtenaar een kennisgeving van inbeslagneming opgemaakt.
-
De opsporingsambtenaar legt de kennisgeving van inbeslagneming zo spoedig mogelijk voor aan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie om met inachtneming van de bepalingen van Afdeling 7.2.4 te doen beoordelen of het beslag moet worden gehandhaafd. Zo nodig overlegt de hulpofficier van justitie met de officier van justitie.
Artikel 2.7.18
-
Indien het betreden van een plaats, bedoeld in artikel 2.7.10, onderdeel a, of de doorzoeking, bedoeld in de artikelen 2.7.11, eerste lid, 2.7.12, 2.7.13 of 2.7.69, eerste lid, wordt uitgeoefend buiten aanwezigheid van de rechthebbende van de desbetreffende plaats of het desbetreffende vervoermiddel of de bewoner van de desbetreffende woning, wordt direct een kennisgeving van de uitoefening van de bevoegdheid achtergelaten.
-
De kennisgeving vermeldt:
de bevoegdheid die is uitgeoefend;
een aanduiding van de plaats, het vervoermiddel of de woning en, indien bekend, de naam van de rechthebbende of de bewoner;
de datum en het tijdstip waarop de bevoegdheid is uitgeoefend.
-
De officier van justitie dan wel, indien het betreden van de plaats of de doorzoeking heeft plaatsgevonden door of onder leiding van de rechter-commissaris, de rechter-commissaris kan, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist, bevelen dat het achterlaten van de kennisgeving wordt uitgesteld. In dat geval wordt de kennisgeving uitgereikt aan de rechthebbende of de bewoner zodra het belang van het onderzoek dit toelaat.