Nieuw Wetboek van Strafvordering Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 18-03-2026.

Inhoud
Boek 1 Strafvordering in het algemeen
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen en definities
Hoofdstuk 2 De behandeling van zaken door de rechter
Hoofdstuk 3 Vervolging en opsporing van strafbare feiten
Hoofdstuk 4 De verdachte en zijn raadsman
Hoofdstuk 5 Het slachtoffer
Hoofdstuk 6 De getuige
Titel 6.1 Algemene bepalingen met betrekking tot het verhoor van de getuige
Titel 6.2 Verschoningsrechten
Titel 6.3 Verschoningsplichten
Titel 6.4 Bepalingen met betrekking tot de minderjarige getuige
Titel 6.5 Leden van het Koninklijk Huis
Titel 6.6 Maatregelen tot bescherming van getuigen
Hoofdstuk 7 De deskundige
Hoofdstuk 8 De processtukken
Hoofdstuk 9 Overdracht van berichten en het indienen van stukken
Hoofdstuk 11 Enige algemene voorzieningen
Boek 2 Het opsporingsonderzoek
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Titel 1.1 Definities
Titel 1.2 Algemene bepalingen over de uitoefening van bevoegdheden in het kader van het opsporingsonderzoek
Titel 1.3 Algemene bevoegdheid
Titel 1.4 Verslaglegging door opsporingsambtenaren
Titel 1.5 Vastlegging van bevelen en van machtigingen en vorderingen daartoe
Titel 1.6 Toestemming voor onderzoekshandelingen
Hoofdstuk 2 De aangifte
Hoofdstuk 3 Het verhoor door opsporingsambtenaren
Hoofdstuk 4 Deskundigenonderzoek in opdracht van de officier van justitie
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming
Titel 5.1 Algemene bepalingen
Titel 5.2 Staandehouding en aanhouding
Titel 5.3 Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.1 Ophouden voor onderzoek
Afdeling 5.3.2 Inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.3 Maatregelen ten aanzien van de voor onderzoek opgehouden of in verzekering gestelde verdachte
Afdeling 5.3.4 Voorgeleiding aan de rechter-commissaris
Titel 5.4 Voorlopige hechtenis
Titel 5.5 Rechtsmiddelen
Afdeling 5.5.1 Bezwaar tegen het opleggen van maatregelen
Afdeling 5.5.2 Beroep tegen de directe invrijheidstelling van de verdachte
Afdeling 5.5.3 Beroep tegen beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis
Hoofdstuk 6 Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam
Titel 6.1 Algemene bepalingen
Titel 6.2 Onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen
Titel 6.3 Onderzoek aan het lichaam
Titel 6.4 Onderzoek in het lichaam
Titel 6.5 Overige onderzoeken met betrekking tot het lichaam
Afdeling 6.5.1 Het nemen van vingerafdrukken en gezichtsopnamen ter identiteitsvaststelling
Afdeling 6.5.2 Onderzoek naar gebruik van geweldbevorderende middelen
Afdeling 6.5.3 Het maken van beeldopnamen, het opmeten van lichaamsmaten en het nemen van lichaamsafdrukken, -haar en -materiaal
Afdeling 6.5.4 Onderzoek ten aanzien van fysieke eigenschappen
Afdeling 6.5.5 Het houden van een confrontatie
Afdeling 6.5.6 DNA-onderzoek
Afdeling 6.5.7 Onderzoek naar een ernstige besmettelijke ziekte
Titel 6.6 Onderzoek met betrekking tot het lichaam van een overleden verdachte of slachtoffer
Titel 6.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 6.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 7 Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 7.1 Algemene bepalingen
Titel 7.2 Inbeslagneming van voorwerpen
Titel 7.3 Onderzoek van gegevens
Titel 7.4 Ontoegankelijkmaking van gegevens
Titel 7.5 Uitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht
Titel 7.6 Onderzoek ter plaatse
Titel 7.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 7.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 8 Heimelijke bevoegdheden
Titel 8.1 Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 8.1.2 Kennisgeving aan betrokkene
Afdeling 8.1.3 Voeging gegevens functioneel verschoningsgerechtigden
Afdeling 8.1.4 Technische hulpmiddelen
Afdeling 8.1.5 Verplichting tot inbeslagneming
Afdeling 8.1.6 Uitstel melding onbekende kwetsbaarheden
Titel 8.2 De bevoegdheden
Afdeling 8.2.1 Stelselmatige observatie
Afdeling 8.2.2 Stelselmatig overnemen persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen
Afdeling 8.2.3 Bevoegdheden ten aanzien van een besloten plaats
Afdeling 8.2.4 Pseudo-koop of -dienstverlening
Afdeling 8.2.5 Stelselmatige inwinning van informatie
Afdeling 8.2.6 Infiltratie
Afdeling 8.2.7 Vastleggen communicatie die plaatsvindt door middel van een aanbieder van een communicatiedienst
Afdeling 8.2.8 Vastleggen vertrouwelijke communicatie
Afdeling 8.2.9 Toegang op afstand tot een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk
Afdeling 8.2.10 Stelselmatige locatiebepaling
Titel 8.3 Bijstand door burgers bij de uitoefening van heimelijke bevoegdheden
Titel 8.4 Personen in de openbare dienst van een vreemde staat
Titel 8.5 Maatregelen in het belang van de veiligheid
Titel 8.6 Vermoeden georganiseerd verband en aanwijzingen terroristisch misdrijf
Titel 8.7 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 9 Het verkennend onderzoek
Hoofdstuk 10 Onderzoek door de rechter-commissaris
Titel 10.1 Algemene bepalingen
Titel 10.2 Bevoegdheden met betrekking tot de verdachte
Titel 10.3 Het verhoor van de getuige
Titel 10.4 De benoeming en het verhoor van een deskundige
Titel 10.5 Getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan
Titel 10.6 Voortgangsbewaking door de rechter-commissaris
Titel 10.7 Beëindiging van het onderzoek
Titel 10.8 Rechtsmiddelen
Boek 3 Beslissingen over vervolging
Hoofdstuk 1 Algemeen
Hoofdstuk 2 Bezwaarschrift tegen de procesinleiding
Hoofdstuk 3 De strafbeschikking
Titel 3.1 Inhoud van de strafbeschikking
Titel 3.2 Uitvaardigen van de strafbeschikking door opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak belast
Titel 3.3 Waarborgen bij het uitvaardigen van de strafbeschikking
Titel 3.4 Uitreiken en toezenden van de strafbeschikking
Titel 3.5 Intrekken en wijzigen van de strafbeschikking
Titel 3.6 Openbaarheid van de strafbeschikking
Hoofdstuk 4 Het achterwege laten van vervolging
Hoofdstuk 5 Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten
Hoofdstuk 6 Rechtsmiddelen
Boek 4 Berechting
Hoofdstuk 1 Het aanbrengen van de zaak ter berechting
Hoofdstuk 2 Het onderzoek op de terechtzitting
Titel 2.1 Algemene bepalingen
Titel 2.2 De aanvang van het onderzoek
Titel 2.3 De omvang van het onderzoek
Titel 2.4 Het onderzoek van de zaak zelf
Titel 2.5 De verslaglegging van het onderzoek op de terechtzitting
Hoofdstuk 3 De beraadslaging, de uitspraak en het eindvonnis
Hoofdstuk 4 De behandeling van met de berechting verbonden vorderingen
Hoofdstuk 5 De enkelvoudige kamer
Hoofdstuk 6 Herstelbeslissingen
Boek 5 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Het instellen en indienen, intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen
Titel 2.1 Instellen en indienen
Titel 2.2 Intrekken en afstand doen
Titel 2.3 Informatieverschaffing over ingestelde en ingediende gewone rechtsmiddelen
Hoofdstuk 3 Verzet tegen strafbeschikkingen
Hoofdstuk 4 Hoger beroep tegen vonnissen
Hoofdstuk 5 Beroep in cassatie tegen arresten
Titel 5.1 Beroep in cassatie tegen eindarresten en tussenarresten
Titel 5.2 Beroep in cassatie in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 5.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 5.2.2 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.3 Herstelarresten
Hoofdstuk 6 Gewone rechtsmiddelen tegen andere beslissingen
Titel 6.1 Bezwaarschriften en klaagschriften
Titel 6.2 Beroep tegen beslissingen van de rechter-commissaris
Titel 6.3 Hoger beroep en beroep in cassatie tegen beslissingen van de raadkamer
Hoofdstuk 7 Cassatie in het belang van de wet
Hoofdstuk 8 Herziening van arresten en vonnissen
Boek 6 Bijzondere regelingen
Hoofdstuk 1 Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte
Titel 1.1 Jeugdigen en jongvolwassenen
Afdeling 1.1.1 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.2 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.3 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.4 De raad voor de kinderbescherming
Afdeling 1.1.5 De betrokkenheid van de ouder of een persoon naar keuze
Afdeling 1.1.6 Vordering van de benadeelde partij
Titel 1.2 Verdachten die door een beperking of een ziekte onvoldoende in staat zijn aan het proces tegen hen deel te nemen
Titel 1.3 Rechtspersonen
Titel 1.4 Rechterlijke ambtenaren
Hoofdstuk 2 Procesincidenten
Hoofdstuk 4 Bijzondere procedures
Titel 4.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.2 Afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.3 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden van bijzondere aard
Titel 5.1 Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast
Titel 5.2 Bevoegdheden bij het ontruimen van een gekraakt pand
Titel 5.3 Bevoegdheden tot het betreden van plaatsen in verband met bepaalde misdrijven
Titel 5.4 Bevoegdheden in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf
Titel 5.5 Bevoegdheden in verband met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.6 Bevoegdheden tot vastlegging en raadpleging van kentekengegevens
Titel 5.7 Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren
Hoofdstuk 6 Schadevergoeding en kosten
Boek 9 Slotbepalingen

Hoofdstuk 7

Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens

Artikel 2.7.1

Bevelen van de rechter-commissaris, de officier van justitie of de hulpofficier van justitie als bedoeld in dit hoofdstuk worden afzonderlijk vastgelegd met uitzondering van:

  1. bevelen als bedoeld in de artikelen 2.7.3, 2.7.5, tweede lid, 2.7.12, 2.7.18, derde lid, 2.7.35, tweede lid, 2.7.43, tweede lid, en 2.7.56, derde lid;

  2. bevelen als bedoeld in de artikelen 2.7.38, 2.7.40, 2.7.56, eerste lid, tenzij voor het geven daarvan een machtiging van de rechter-commissaris is vereist.

Artikel 2.7.2

Een bevel als bedoeld in dit hoofdstuk wordt niet gegeven aan de verdachte, tenzij de wet anders bepaalt.

Artikel 2.7.3

  1. In geval van een schouw of doorzoeking van een plaats als bedoeld in dit hoofdstuk kan de daarmee belaste rechter-commissaris of opsporingsambtenaar, zolang het onderzoek ter plaatse niet is afgelopen:

    1. bevelen dat niemand zich, zonder zijn uitdrukkelijke toestemming, van de plaats van onderzoek zal verwijderen of van communicatievoorzieningen gebruik zal maken;

    2. bevelen dat degene tot wie het bevel is gericht zich van de plaats van onderzoek zal verwijderen;

    3. maatregelen nemen of doen nemen die redelijkerwijs nodig zijn om het wegmaken, onbruikbaar maken, onklaar maken of beschadigen van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen of van sporen van het strafbare feit te voorkomen;

    4. maatregelen nemen of doen nemen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de veiligheid van de bij de uitvoering van de schouw of doorzoeking betrokken opsporingsambtenaar of rechter-commissaris;

    5. maatregelen nemen of doen nemen tot bewaking of afsluiting van de plaats.

  2. De bevelen en maatregelen kunnen de vrijheid beperken van personen die zich ter plaatse bevinden.

  3. De rechter-commissaris of de opsporingsambtenaar kan degene die niet aan een bevel als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of b, voldoet, tot de afloop van het onderzoek doen ophouden.

  4. Artikel 2.7.2 is niet van toepassing op een bevel als bedoeld in dit artikel. Indien de verdachte of, in geval van doorzoeking, de rechthebbende van de plaats die wordt doorzocht, verzoekt contact op te mogen nemen met zijn raadsman of advocaat, wordt hem daartoe toestemming verleend.

Artikel 2.7.4

  1. Vatbaar voor inbeslagneming zijn voorwerpen:

    1. die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen;

    2. die kunnen dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel te bepalen;

    3. die verbeurd kunnen worden verklaard;

    4. die aan het verkeer kunnen worden onttrokken.

  2. Ook vatbaar voor inbeslagneming zijn voorwerpen die kunnen dienen tot bewaring van het recht tot verhaal als bedoeld in artikel 2.7.19.

Artikel 2.7.5

  1. In geval van inbeslagneming wordt direct een bewijs van uitoefening van deze bevoegdheid uitgereikt aan de beslagene of achtergelaten op de plaats van inbeslagneming, tenzij dit feitelijk niet mogelijk is. Dit bewijs bevat een aanduiding van de inbeslaggenomen voorwerpen.

  2. De officier van justitie dan wel, indien de inbeslagneming plaatsvindt door of onder leiding van de rechter-commissaris, de rechter-commissaris kan, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist, bevelen dat het uitreiken of achterlaten van dit bewijs wordt uitgesteld. Een bevel tot uitstel gegeven door de officier van justitie kan alleen worden gehandhaafd na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris, die binnen drie dagen door de officier van justitie wordt gevorderd. Na het bevel tot uitstel door de rechter-commissaris of na de door hem verleende machtiging wordt het bewijs uitgereikt of achtergelaten zodra het belang van het onderzoek dit toelaat.

  3. In geval van inbeslagneming van voorwerpen waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet of met het algemeen belang blijven de twee laatste zinnen van het tweede lid buiten toepassing.

Artikel 2.7.6

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze van inbeslagneming van en beëindiging van het beslag op vorderingen, rechten aan toonder en order, aandelen en effecten op naam, onroerende registergoederen, schepen en luchtvaartuigen.

Artikel 2.7.7

De opsporingsambtenaar die de verdachte staande houdt of aanhoudt, kan voor inbeslagneming vatbare voorwerpen die de verdachte met zich voert in beslag nemen.

Artikel 2.7.8

In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan een opsporingsambtenaar daarvoor vatbare voorwerpen in beslag nemen.

Artikel 2.7.9

  1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan een opsporingsambtenaar een persoon die redelijkerwijs moet worden vermoed houder te zijn van een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp bevelen dat hij dit ter inbeslagneming uitlevert.

  2. Artikel 2.7.2 is niet van toepassing indien het strafbaar feit een misdrijf betreft als omschreven in de artikelen 92 tot en met 96, 97a tot en met 98c, 240, 240a, 240b, 248a, 250 en 273f van het Wetboek van Strafrecht en het bevel is gegeven om verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp mogelijk te maken.

  3. Het bevel duidt zo nauwkeurig mogelijk de voorwerpen aan waarvan uitlevering wordt bevolen.

Artikel 2.7.10

In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan een opsporingsambtenaar:

  1. ter inbeslagneming elke plaats, met uitzondering van een kantoor van een functioneel verschoningsgerechtigde, betreden en daar met dat doel zoekend rondkijken;

  2. indien ter inbeslagneming doorzoeking van een plaats noodzakelijk wordt geacht, elke plaats betreden en in afwachting van het optreden van degene die tot doorzoeking bevoegd is, bevelen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.7.3 geven respectievelijk nemen.

Artikel 2.7.11

  1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan een opsporingsambtenaar ter inbeslagneming een vervoermiddel, met uitzondering van het woongedeelte zonder toestemming van de bewoner, doorzoeken en zich daartoe de toegang tot dit vervoermiddel verschaffen.

  2. Indien dit met het oog op de doorzoeking van het vervoermiddel noodzakelijk is, kan de opsporingsambtenaar:

    1. de bestuurder van het vervoermiddel bevelen het vervoermiddel tot stilstand te brengen, en

    2. het vervoermiddel vervolgens naar een daartoe door hem aangewezen plaats overbrengen of door de bestuurder laten overbrengen.

  3. Ten aanzien van het bevel, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, geldt dat:

    1. het bevel ook door middel van gebaren of een stopteken kan worden gegeven;

    2. artikel 2.7.2 niet van toepassing is.

Artikel 2.7.12

  1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar een plaats, met uitzondering van een woning zonder toestemming van een bewoner en een kantoor van een functioneel verschoningsgerechtigde, ter inbeslagneming doorzoekt.

  2. Bij dringende noodzaak en indien het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht, kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid, na daartoe verkregen toestemming van de officier van justitie, door een hulpofficier van justitie worden uitgeoefend.

  3. De in het eerste lid bedoelde doorzoeking vindt plaats onder leiding van de officier van justitie en in geval deze niet bij de doorzoeking aanwezig is in aanwezigheid van de hulpofficier van justitie. De in het tweede lid bedoelde doorzoeking vindt plaats in aanwezigheid en onder leiding van de hulpofficier van justitie.

Artikel 2.7.13

  1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie bij dringende noodzaak en indien het optreden van de rechter-commissaris niet kan worden afgewacht, na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris, bevelen dat een opsporingsambtenaar een woning ter inbeslagneming zonder toestemming van de bewoner of de rechthebbende doorzoekt.

  2. Kan ook het optreden van de officier van justitie niet worden afgewacht, dan kan het bevel worden gegeven door de hulpofficier van justitie. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de machtiging, zo veel mogelijk door tussenkomst van de officier van justitie, kan worden verzocht door de hulpofficier van justitie. In dat geval is voor het binnentreden in de woning door de hulpofficier van justitie geen machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden vereist.

  3. De in het eerste lid bedoelde doorzoeking vindt plaats onder leiding van de officier van justitie en in het geval deze niet bij de doorzoeking aanwezig is in aanwezigheid van de hulpofficier van justitie. De in het tweede lid bedoelde doorzoeking vindt plaats in aanwezigheid en onder leiding van de hulpofficier van justitie.

Artikel 2.7.14

Een opsporingsambtenaar die met toestemming van de bewoner ter inbeslagneming een woning wenst te doorzoeken, legitimeert zich en vraagt voorafgaand aan de doorzoeking toestemming aan de bewoner nadat hij deze op het doel van de doorzoeking en de gevolgen van zijn toestemming heeft gewezen. De toestemming wordt vooraf, afzonderlijk vastgelegd.

Artikel 2.7.15

In geval van doorzoeking van een plaats is de rechthebbende van die plaats bevoegd zich door een advocaat te doen bijstaan. De doorzoeking mag daardoor niet worden opgehouden.

Artikel 2.7.16

  1. Brieven en andere poststukken die aan een postvervoerbedrijf als bedoeld in de Postwet 2009 of een andere instelling van vervoer zijn toevertrouwd, kunnen met toepassing van de bevoegdheden uit deze titel worden inbeslaggenomen.

  2. Voor inbeslagneming vatbare brieven die aan een postvervoerbedrijf als bedoeld in de Postwet 2009 of een andere instelling van vervoer zijn toevertrouwd, worden alleen inbeslaggenomen voor zover zij klaarblijkelijk:

    1. van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn of op hem betrekking hebben; of

    2. het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend.

  3. Een opsporingsambtenaar kan een postvervoerbedrijf of een andere instelling van vervoer bevelen inlichtingen te verstrekken met betrekking tot een brief of ander poststuk, voor zover deze inlichtingen van belang zijn in verband met de beslissing inzake inbeslagneming.

  4. Tot de kennisneming van de inhoud van bij een postvervoerbedrijf of een andere instelling van vervoer inbeslaggenomen brieven, wordt niet overgegaan dan na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris.

  5. Tot de kennisneming van de inhoud van andere inbeslaggenomen brieven dan de in het vierde lid bedoelde brieven, wordt voor zover zij gesloten zijn niet overgegaan dan na daartoe verkregen toestemming van de officier van justitie.

  6. Indien de machtiging of de toestemming niet wordt verleend, geeft de opsporingsambtenaar de inbeslaggenomen brief direct terug aan de beslagene.

  7. Indien een inbeslaggenomen brief met toepassing van het vierde lid is geopend en het beslag wordt beëindigd, zendt de officier van justitie deze direct door naar de geadresseerde. De geadresseerde wordt van de opening in kennis gesteld, tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet.

Artikel 2.7.17

  1. Van de inbeslagneming van een voorwerp wordt, ook in geval de inbeslagneming plaatsvindt door of onder leiding van de officier van justitie of rechter-commissaris, door de opsporingsambtenaar een kennisgeving van inbeslagneming opgemaakt.

  2. De opsporingsambtenaar legt de kennisgeving van inbeslagneming zo spoedig mogelijk voor aan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie om met inachtneming van de bepalingen van Afdeling 7.2.4 te doen beoordelen of het beslag moet worden gehandhaafd. Zo nodig overlegt de hulpofficier van justitie met de officier van justitie.

Artikel 2.7.18

  1. Indien het betreden van een plaats, bedoeld in artikel 2.7.10, onderdeel a, of de doorzoeking, bedoeld in de artikelen 2.7.11, eerste lid, 2.7.12, 2.7.13 of 2.7.69, eerste lid, wordt uitgeoefend buiten aanwezigheid van de rechthebbende van de desbetreffende plaats of het desbetreffende vervoermiddel of de bewoner van de desbetreffende woning, wordt direct een kennisgeving van de uitoefening van de bevoegdheid achtergelaten.

  2. De kennisgeving vermeldt:

    1. de bevoegdheid die is uitgeoefend;

    2. een aanduiding van de plaats, het vervoermiddel of de woning en, indien bekend, de naam van de rechthebbende of de bewoner;

    3. de datum en het tijdstip waarop de bevoegdheid is uitgeoefend.

  3. De officier van justitie dan wel, indien het betreden van de plaats of de doorzoeking heeft plaatsgevonden door of onder leiding van de rechter-commissaris, de rechter-commissaris kan, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist, bevelen dat het achterlaten van de kennisgeving wordt uitgesteld. In dat geval wordt de kennisgeving uitgereikt aan de rechthebbende of de bewoner zodra het belang van het onderzoek dit toelaat.

Artikel 2.7.19

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen die kunnen dienen tot bewaring van het recht tot verhaal voor een voor dat misdrijf op te leggen geldboete inbeslaggenomen worden.

  2. In geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd en waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan zijn verkregen, kunnen voorwerpen die kunnen dienen tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen ontnemingsmaatregel inbeslaggenomen worden.

  3. In geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen die kunnen dienen tot bewaring van het recht tot verhaal voor een voor dat misdrijf op te leggen schadevergoedingsmaatregel inbeslaggenomen worden.

  4. Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan de verdachte kunnen worden inbeslaggenomen indien voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijs kon vermoeden.

  5. In het geval, bedoeld in het vierde lid, kunnen tevens andere aan de betrokken persoon toebehorende voorwerpen worden inbeslaggenomen, tot ten hoogste de waarde van de in het vierde lid bedoelde voorwerpen.

  6. Voor de inbeslagneming op grond van dit artikel is een machtiging van de rechter-commissaris vereist.

Artikel 2.7.20

De machtiging, bedoeld in artikel 2.7.19, zesde lid, wordt direct aan de verdachte, en zo het beslag onder een derde is gelegd, ook aan deze, betekend:

  1. door de officier van justitie, op de wijze zoals voorzien bij dit wetboek; of

  2. door de gerechtsdeurwaarder, overeenkomstig de wijze van betekening van het verlof, bedoeld in artikel 702, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 2.7.21

  1. Op het beslag, bedoeld in artikel 2.7.19, is de Vierde Titel van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing, behoudens dat:

    1. voor het leggen van het beslag geen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank is vereist, noch vrees voor verduistering behoeft te bestaan;

    2. voor roerende zaken die geen registergoederen zijn en voor rechten aan toonder of order, in plaats van betekening van het beslagexploot door de deurwaarder, kan worden volstaan met het door een opsporingsambtenaar opmaken van een proces-verbaal van inbeslagneming en het overeenkomstig artikel 2.7.5 uitreiken of achterlaten van een bewijs van uitoefening van de bevoegdheid tot inbeslagneming;

    3. een maximumbedrag waarvoor het beslag wordt gelegd in het proces-verbaal van inbeslagneming of het beslagexploot dient te worden vermeld;

    4. geen overeenkomstige toepassing toekomt aan voorschriften over termijnen waarbinnen na het beslag de eis in de hoofdzaak dient te zijn ingesteld;

    5. het niet in acht nemen van termijnen waarbinnen betekening van het beslag moet plaatsvinden, met uitzondering van de termijnen die gelden voor betekening van het beslag op aandelen en effecten op naam en op onroerende registergoederen, geen nietigheid van het beslag meebrengt;

    6. geen overeenkomstige toepassing toekomt aan artikel 721 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; de officier van justitie stelt de derde, indien de hoofdzaak na het beslag op de terechtzitting aanhangig wordt gemaakt, daarvan zo spoedig mogelijk in kennis;

    7. geen overeenkomstige toepassing toekomt aan artikel 722 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

    8. op inbeslaggenomen roerende zaken die in bewaring worden genomen de artikelen 2.7.28 en 2.7.31 van toepassing zijn;

    9. de beëindiging van het beslag met inachtneming van de bepalingen van dit wetboek plaatsvindt.

  2. Indien de beslagene niet de verdachte is, wordt het bewijs van uitoefening van de bevoegdheid tot inbeslagneming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, tevens ter kennis gebracht van de verdachte. Artikel 2.7.5, tweede lid, is op het ter kennis brengen van het bewijs van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.7.22

  1. Tot bewaring van het recht tot verhaal kan de officier van justitie namens de Staat de bevoegdheden uitoefenen die in het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn toegekend aan een schuldeiser die in zijn verhaalsmogelijkheden is benadeeld als gevolg van een onverplicht door de schuldenaar verrichte rechtshandeling. Artikel 2.7.21, eerste lid, onderdelen d en e, is van overeenkomstige toepassing.

  2. Voor de toepassing van de artikelen 46 en 47, Boek 3, van het Burgerlijk Wetboek geldt het in die artikelen bedoelde vermoeden van wetenschap voor rechtshandelingen die door de verdachte zijn verricht binnen een jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen.

  3. Tot bewaring van het recht tot verhaal heeft de officier van justitie verder de bevoegdheid namens de Staat als schuldeiser in het faillissement van de verdachte op te komen. Zolang het bedrag van de geldboete, de ontnemingsmaatregel of de schadevergoedingsmaatregel nog niet vaststaat, wordt hij geacht voor een voorwaardelijke vordering op te komen.

  4. De officier van justitie behoudt de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en tweede lid, ondanks faillissement, voor zover de voorwerpen waarop de onverplichte rechtshandelingen betrekking hebben, niet door de curator op grond van de artikelen 42 tot en met 51 van de Faillissementswet worden gevorderd.

  5. Tot kennisneming van geschillen over de toepassing van het eerste tot en met vierde lid door de officier van justitie is de burgerlijke rechter bevoegd.

Artikel 2.7.23

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van de bepalingen van deze afdeling.

Artikel 2.7.24

  1. De officier van justitie draagt zorg voor een voortvarende afhandeling van het beslag op voorwerpen overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling.

  2. Inbeslaggenomen voorwerpen die sporen van het strafbare feit dragen, worden in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen en voor de daarin bepaalde duur, niet teruggegeven, vervreemd of vernietigd.

Artikel 2.7.25

De officier van justitie of de hulpofficier van justitie aan wie de in artikel 2.7.17 bedoelde kennisgeving van inbeslagneming is voorgelegd, beslist zo spoedig mogelijk over het voortduren van het beslag. Verzet het belang van de strafvordering zich niet of niet langer tegen teruggave, dan beveelt hij de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene, tenzij toepassing wordt gegeven aan de artikelen 2.7.26 of 2.7.27. De hulpofficier van justitie pleegt zo nodig overleg met de officier van justitie voordat hij een beslissing neemt.

Artikel 2.7.26

  1. Indien het belang van de strafvordering zich niet verzet tegen teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp en de beslagene ten overstaan van een opsporingsambtenaar of de rechter-commissaris verklaart afstand te doen van het inbeslaggenomen voorwerp, kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie bevelen dat:

    1. het voorwerp wordt teruggegeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt;

    2. het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende in bewaring zal blijven, indien teruggave nog niet mogelijk is.

  2. Wordt een verklaring van afstand niet afgelegd, dan kan de officier van justitie de teruggave of bewaring alsnog bevelen, indien de beslagene, nadat de officier van justitie hem in kennis heeft gesteld van het voornemen tot teruggave of bewaring zich niet daarover heeft beklaagd of het door hem ingestelde beklag ongegrond is verklaard.

  3. Wordt een verklaring van afstand niet afgelegd, dan kan de officier van justitie het voorwerp ook meteen in bewaring geven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt en aan wie de officier van justitie voornemens is het voorwerp terug te geven, indien de beslagene dit kennelijk door middel van een strafbaar feit aan die rechthebbende heeft onttrokken of onttrokken heeft gehouden. Degene aan wie het voorwerp in bewaring is gegeven, is bevoegd het voorwerp te gebruiken.

  4. Indien een ander dan de beslagene de officier van justitie verzoekt om toepassing van het tweede lid, stelt de officier van justitie wanneer hij zich buiten staat acht om een beslissing te nemen, deze ander in kennis van het recht op beklag dat hij heeft ingevolge Boek 6, Titel 4.1.

  5. De verklaring van afstand wordt vooraf, afzonderlijk vastgelegd. Artikel 2.1.15, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.7.27

  1. Indien de beslagene ten overstaan van een opsporingsambtenaar of de rechter-commissaris verklaart dat het inbeslaggenomen voorwerp hem toebehoort en dat hij daarvan afstand doet en de verklaring dat het voorwerp hem toebehoort redelijkerwijs aannemelijk is, kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, bevelen dat daarmee wordt gehandeld als ware het verbeurdverklaard of aan het verkeer onttrokken.

  2. Indien het inbeslaggenomen voorwerp een geringe hoeveelheid van een middel betreft als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet en een verklaring van afstand niet wordt afgelegd, kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie, indien in verband met het inbeslaggenomen voorwerp geen vervolging wordt ingesteld, bevelen dat met het voorwerp wordt gehandeld als ware het aan het verkeer onttrokken.

  3. De verklaring van afstand wordt vooraf, afzonderlijk vastgelegd. Artikel 2.1.15, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.7.28

  1. Inbeslaggenomen voorwerpen die niet zijn teruggegeven worden, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, in opdracht van de officier van justitie onder de hoede van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bewaarder gesteld.

  2. Deze voorwerpen kunnen ook aan een andere door de officier van justitie aangewezen bewaarder in gerechtelijke bewaring worden gegeven, indien dit voor het behoud, de bestemming of de beveiliging van deze voorwerpen redelijkerwijs noodzakelijk is.

Artikel 2.7.29

  1. Een bevel tot teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp is gericht tot de bewaarder of tot de ambtenaar die het voorwerp onder zich heeft.

  2. Indien niet aan het bevel tot teruggave kan worden voldaan omdat de bewaring van het voorwerp is beëindigd overeenkomstig artikel 2.7.31, wordt aan het bevel tot teruggave uitvoering gegeven door de prijs die het voorwerp bij verkoop heeft opgebracht of redelijkerwijs zou hebben opgebracht uit te betalen.

  3. Aan een bevel tot teruggave van een voorwerp wordt niet voldaan, zolang:

    1. er beslag op rust, door een derde gelegd ingevolge de Tweede, Derde of Vierde Titel van het Tweede Boek II en de Vierde Titel van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tenzij degene door wie het bevel tot teruggave is gegeven uitdrukkelijk anders bepaalt;

    2. een wettelijke bepaling zich tegen teruggave verzet.

  4. Aan een bevel tot teruggave van een voorwerp als bedoeld in artikel 6.4.9, eerste lid, wordt, indien het voorwerp verbeurdverklaard of aan het verkeer onttrokken was met verlening van een geldelijke tegemoetkoming, niet voldaan zolang het bedrag van de geldelijke tegemoetkoming niet aan de Staat is terugbetaald.

  5. Onder teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp wordt mede verstaan het verrichten van de in verband met de beëindiging van het beslag vereiste formaliteiten.

Artikel 2.7.30

  1. De officier van justitie kan ambtshalve of op verzoek van de belanghebbende een op grond van artikel 2.7.19 inbeslaggenomen voorwerp onder zekerheidsstelling doen teruggeven.

  2. De zekerheid bestaat in de storting van een geldbedrag door de beslagene of een derde, of in de verbintenis van een derde als waarborg, voor een bedrag en op een wijze als door de officier van justitie wordt aanvaard.

Artikel 2.7.31

  1. De officier van justitie kan bevelen dat de bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen wordt beëindigd indien:

    1. de voorwerpen niet geschikt zijn voor opslag;

    2. de kosten van de bewaring van de voorwerpen niet in een redelijke verhouding staan tot hun waarde;

    3. de voorwerpen vervangbaar zijn en hun tegenwaarde op eenvoudige wijze kan worden bepaald;

    4. het andere roerende zaken dan geld betreft en na de datum van inbeslagneming twee jaar zijn verstreken of

    5. het voorwerpen betreft die zijn inbeslaggenomen ter bewaring van het recht op verhaal als bedoeld in artikel 2.7.19, terwijl die voorwerpen naar verwachting aan aanzienlijke waardevermindering onderhevig zijn.

  2. Indien de officier van justitie voornemens is een bevel te geven ten aanzien van voorwerpen die op grond van artikel 2.7.19 zijn inbeslaggenomen, stelt hij de beslagene hiervan tijdig in kennis opdat deze om teruggave onder zekerheidsstelling kan verzoeken.

  3. Het bevel strekt tot vervreemding, vernietiging, het prijsgeven of het tot een ander doel dan het onderzoek bestemmen van het inbeslaggenomen voorwerp. Ten aanzien van voorwerpen die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, wordt alleen een bevel tot vernietiging gegeven.

  4. Het bevel is gericht tot de bewaarder of tot de ambtenaar die de voorwerpen onder zich heeft. Deze draagt zorg voor het bepalen en vastleggen van de waarde die het voorwerp op dat moment bij verkoop redelijkerwijs zou hebben opgebracht.

  5. Indien inbeslaggenomen voorwerpen tegen baat worden vervreemd, blijft het beslag rusten op de verkregen opbrengst.

  6. De bewaarder of de ambtenaar die de inbeslaggenomen voorwerpen onder zich heeft, kan de officier van justitie schriftelijk verzoeken toepassing te geven aan het eerste lid. Indien de officier van justitie niet binnen zes weken na de ontvangst van het verzoek heeft beslist, is de bewaarder of de ambtenaar bevoegd om de inbeslaggenomen voorwerpen waarop het verzoek betrekking heeft te vervreemden, te vernietigen, prijs te geven of tot een ander doel dan het onderzoek te bestemmen.

  7. Dit artikel is niet van toepassing op inbeslaggenomen voorwerpen als bedoeld in artikel 2.7.24, tweede lid.

Artikel 2.7.32

  1. Indien drie maanden zijn verstreken na de datum waarop de bewaarder de persoon aan wie teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp is bevolen in kennis heeft gesteld van het bevel tot teruggave en deze geen aanspraak op afgifte daarvan heeft gemaakt, kan de bewaarder met het voorwerp handelen als ware het verbeurdverklaard.

  2. Indien zes maanden zijn verstreken na de datum waarop de bewaring van het inbeslaggenomen voorwerp ten behoeve van de rechthebbende is bevolen en teruggave niet mogelijk is gebleken, kan de bewaarder met het voorwerp handelen als ware het verbeurdverklaard.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op inbeslaggenomen voorwerpen als bedoeld in artikel 2.7.24, tweede lid.

Artikel 2.7.33

Beslissingen genomen op grond van de bepalingen van deze afdeling laten ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet.

Artikel 2.7.34

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van de bepalingen van deze afdeling.

Artikel 2.7.35

  1. In geval tijdens een betreding of doorzoeking die het verrichten van onderzoek van gegevens tot doel heeft gegevens worden overgenomen uit een digitale-gegevensdrager of een geautomatiseerd werk, wordt direct een bewijs van uitoefening van deze bevoegdheid uitgereikt aan degene bij wie de gegevens zijn overgenomen of achtergelaten op de plaats die is betreden of doorzocht. Dit bewijs vermeldt de aard van de overgenomen gegevens.

  2. De officier van justitie dan wel, indien de doorzoeking plaatsvindt door of onder leiding van de rechter-commissaris, de rechter-commissaris kan, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist, bevelen dat het uitreiken of achterlaten van het bewijs wordt uitgesteld. Een bevel tot uitstel gegeven door de officier van justitie kan alleen worden gehandhaafd na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris, die binnen drie dagen door de officier van justitie wordt gevorderd. Na het bevel tot uitstel door de rechter-commissaris of na de door hem verleende machtiging wordt het bewijs uitgereikt of achtergelaten zodra het belang van het onderzoek dit toelaat.

  3. Indien gegevens worden overgenomen tijdens een doorzoeking op afstand als bedoeld in artikel 2.7.37, derde lid, wordt het bewijs, bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk ter kennis gebracht van de persoon bij wie die doorzoeking plaatsvindt. Het tweede lid is op het ter kennis brengen van het bewijs van overeenkomstige toepassing.

  4. In geval van het overnemen van gegevens waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet of met het algemeen belang blijven de twee laatste zinnen van het tweede lid buiten toepassing.

Artikel 2.7.36

  1. De officier van justitie of de opsporingsambtenaar die aan een persoon, die anders dan voor persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, een bevel als bedoeld in artikel 2.7.43, eerste lid, of een bevel als bedoeld in Afdeling 7.3.3 richt, kan deze persoon tevens bevelen dat hij geheimhouding in acht neemt over datgene wat hem met betrekking tot dat bevel bekend is.

  2. Ten aanzien van het bevel tot geheimhouding is artikel 2.7.44 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.7.37

  1. De officier van justitie, de hulpofficier van justitie en de opsporingsambtenaar zijn onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in de artikelen 2.7.10, 2.7.11, 2.7.12 en 2.7.13 bevoegd tot het betreden of doorzoeken van een plaats, vervoermiddel of woning voor het verrichten van onderzoek van gegevens.

  2. In geval van een betreding of doorzoeking voor het verrichten van onderzoek van gegevens zijn de artikelen 2.7.14, 2.7.15 en 2.7.18 van overeenkomstige toepassing.

  3. Een doorzoeking van een plaats als bedoeld in artikel 2.7.12 voor het verrichten van onderzoek van gegevens bij een persoon die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, kan met toestemming van deze persoon worden verricht op afstand. In dit geval is artikel 2.7.12, tweede lid, niet van overeenkomstige toepassing. Met betrekking tot de toestemming is artikel 2.7.14 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.7.38

  1. Stelselmatig onderzoek van gegevens in een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk of ten aanzien van gegevens die daaruit zijn overgenomen, kan door een opsporingsambtenaar alleen op bevel van de officier van justitie worden verricht.

  2. In geval van ingrijpend stelselmatig onderzoek kan het bevel alleen worden gegeven indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist en na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris.

  3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien tijdens een betreding of doorzoeking als bedoeld in deze titel of na inbeslagneming van een gegevensdrager analoog vastgelegde gegevens worden omgezet in digitale gegevens en indien ten aanzien van die gegevens vervolgens stelselmatig of ingrijpend stelselmatig onderzoek van gegevens wordt verricht.

Artikel 2.7.39

  1. In geval van inbeslagneming van een digitale-gegevensdrager of een geautomatiseerd werk strekt het bevel, bedoeld in artikel 2.7.38, eerste en tweede lid, gedurende een periode van drie dagen na het tijdstip van inbeslagneming tevens tot het verrichten van onderzoek van gegevens ten aanzien van gegevens die ten tijde van de inbeslagneming nog niet waren opgeslagen op de digitale-gegevensdrager of het geautomatiseerd werk.

  2. De officier van justitie kan, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist en na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris, bevelen dat de termijn van drie dagen wordt verlengd tot een termijn van ten hoogste drie maanden.

Artikel 2.7.40

  1. In geval van onderzoek van gegevens in een digitale-gegevensdrager of een geautomatiseerd werk kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar een onderzoek van gegevens verricht ten aanzien van gegevens die in een elders aanwezige digitale-gegevensdrager of een elders aanwezig geautomatiseerd werk zijn opgeslagen of gedurende de geldigheidsduur van het bevel daarop worden opgeslagen. In geval dit onderzoek ingrijpend stelselmatig onderzoek van gegevens betreft kan de officier van justitie dit bevel alleen geven na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris.

  2. Indien het onderzoek van gegevens in een elders aanwezige digitale-gegevensdrager of een elders aanwezig geautomatiseerd werk wordt verricht tijdens een betreding of doorzoeking als bedoeld in artikel 2.7.37, eerste en derde lid, reikt dit onderzoek niet verder dan voor zover de personen die plegen te werken of te verblijven op de plaats van de betreding of doorzoeking, vanaf die plaats, met toestemming van de rechthebbende op de elders aanwezige digitale-gegevensdrager of het elders aanwezige geautomatiseerd werk, daartoe toegang hebben.

  3. Indien het onderzoek van gegevens in een elders aanwezige digitale-gegevensdrager of een elders aanwezig geautomatiseerd werk wordt verricht na inbeslagneming van een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk, reikt dit onderzoek niet verder dan voor zover de gebruiker van de inbeslaggenomen digitale-gegevensdrager of het inbeslaggenomen geautomatiseerd werk, met toestemming van de rechthebbende op de elders aanwezige digitale-gegevensdrager of het elders aanwezige geautomatiseerd werk, daartoe toegang heeft.

  4. Indien het bevel een onderzoek als bedoeld in het tweede lid betreft, wordt het bevel gegeven vooraf of tijdens de betreding of doorzoeking en vangt de uitvoering van het bevel aan tijdens die betreding of doorzoeking. Met het beëindigen van de betreding of doorzoeking eindigt ook de geldigheidsduur van het bevel.

  5. Indien het bevel een onderzoek als bedoeld in het derde lid betreft, wordt het bevel gegeven na de inbeslagneming van de digitale-gegevensdrager of het geautomatiseerd werk. De geldigheidsduur van dit bevel eindigt drie dagen na het tijdstip van inbeslagneming. De officier van justitie kan, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist en na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris, bevelen dat de termijn van drie dagen wordt verlengd tot een termijn van ten hoogste drie maanden.

Artikel 2.7.41

De opsporingsambtenaar kan, in afwachting van een bevel als bedoeld in de artikelen 2.7.38 en 2.7.40, ten behoeve van het onderzoek van gegevens de maatregelen nemen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn ter voorkoming van wegmaking, onbruikbaarmaking, wijziging of verlies van gegevens.

Artikel 2.7.42

  1. Onderzoek van gegevens ten aanzien van gegevens die zijn opgeslagen op een digitale-gegevensdrager die of een geautomatiseerd werk dat in gebruik is bij een aanbieder van een communicatiedienst kan, voor zover de desbetreffende gegevens klaarblijkelijk betrekking hebben op communicatie die wordt beschermd door het telecommunicatiegeheim, door de officier van justitie alleen worden bevolen indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist en na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris.

  2. In dat geval vindt het onderzoek van gegevens alleen plaats voor zover dat kan worden verricht zonder kennis te nemen van die gegevens tenzij klaarblijkelijk:

    1. die gegevens van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn of op hem betrekking hebben, of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend; of

    2. met betrekking tot die gegevens het strafbare feit is begaan.

Artikel 2.7.43

  1. De officier van justitie kan, tijdens een betreding of doorzoeking en na inbeslagneming van een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk, degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij de beveiliging van een digitale-gegevensdrager of een geautomatiseerd werk of de versleuteling van gegevens die zijn opgeslagen op een digitale-gegevensdrager of een geautomatiseerd werk ongedaan kan maken, bevelen medewerking te verlenen aan het verkrijgen van toegang tot de digitale-gegevensdrager of het geautomatiseerd werk of delen daarvan dan wel tot de versleutelde gegevens, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in deze afdeling.

  2. In geval van biometrische beveiliging of versleuteling in de vorm van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen biometrische kenmerken kan de officier van justitie bevelen dat de opsporingsambtenaar deze beveiliging of versleuteling ongedaan maakt. De opsporingsambtenaar kan ter uitvoering van dat bevel tegen de wil van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij deze beveiliging of versleuteling ongedaan kan maken, de maatregelen treffen die daartoe redelijkerwijs noodzakelijk zijn. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van uitvoering van het bevel.

Artikel 2.7.44

  1. Een bevel als bedoeld in deze afdeling wordt afzonderlijk vastgelegd en uitgereikt aan degene tot wie het is gericht. Dat geldt ook voor een verlenging, wijziging, aanvulling of intrekking van het bevel, indien deze afdeling daarin voorziet.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op een bevel als bedoeld in artikel 2.7.46, vierde lid, onderdeel e, of vijfde lid. Indien het bevel als bedoeld in artikel 2.7.46, vierde lid, onderdeel e, mondeling is gegeven, wordt het daarna vastgelegd en binnen drie dagen nadat het is gegeven ter kennis gebracht van degene tot wie het is gericht.

Artikel 2.7.45 (Bevriezingsbevel informatie)

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie degene die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt en van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij gedurende de geldigheidsduur van het bevel toegang heeft tot bepaalde opgeslagen gegevens waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij in het bijzonder vatbaar zijn voor verlies of wijziging, bevelen dat deze gegevens gedurende een periode van ten hoogste drie maanden worden bewaard en beschikbaar worden gehouden.

  2. Indien het bevel is gericht tot de aanbieder van een communicatiedienst en betrekking of mede betrekking heeft op gegevens over een gebruiker van een communicatiedienst als bedoeld in artikel 2.7.47, derde lid, of over het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker, is de aanbieder verplicht zo spoedig mogelijk de gegevens te verschaffen die nodig zijn om de identiteit te achterhalen van andere aanbieders van wier dienst bij de communicatie gebruik is gemaakt.

  3. Het bevel kan eenmaal worden verlengd voor een periode van ten hoogste drie maanden.

Artikel 2.7.46

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij gedurende de geldigheidsduur van het bevel toegang heeft tot bepaalde gegevens, bevelen deze gegevens te verstrekken.

  2. Indien het bevel betrekking heeft op een persoon die aanspraak kan maken op bronbescherming als bedoeld in artikel 1.6.8, kan de officier van justitie het bevel alleen geven na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris. Artikel 1.6.8, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  3. De verstrekking van persoonsgegevens over iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven of lidmaatschap van een vakvereniging, kan alleen worden bevolen indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist en na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris.

  4. Het bevel kan door de opsporingsambtenaar worden gegeven indien het uitsluitend betrekking heeft op verstrekking van een of meer van de volgende gegevens voor zover die anders dan voor persoonlijk gebruik worden verwerkt:

    1. naam, adres, woonplaats en postadres van een persoon;

    2. geboortedatum en geslacht van een persoon;

    3. naam, adres, vestigingsplaats, postadres en rechtsvorm van een rechtspersoon;

    4. administratieve kenmerken met betrekking tot een persoon of rechtspersoon;

    5. opnamen gemaakt voor de beveiliging van goederen, gebouwen of personen;

    6. nummer van een gebruiker van een communicatiedienst.

  5. De opsporingsambtenaar kan degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt bevelen mede te delen of hij toegang heeft tot in het vierde lid bedoelde gegevens, voor zover dit noodzakelijk is voor de verstrekking van die gegevens.

  6. De officier van justitie of, indien hij daartoe op grond van het vierde lid bevoegd is, de opsporingsambtenaar kan in het bevel bepalen dat dit, voor zover het betrekking heeft op andere gegevens dan in het derde lid bedoeld, gedurende een periode van twee weken, opeenvolgend of gelijktijdig ten aanzien van een ieder van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot die gegevens, kan worden gegeven.

  7. In afwijking van het eerste lid kan een bevel als bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met d, worden gegeven in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld.

Artikel 2.7.47 (Vordering identificerende gegevens telecomaanbieder)

  1. Het bevel, bedoeld in artikel 2.7.46, eerste lid, kan worden gericht tot een aanbieder van een communicatiedienst voor zover het betrekking heeft op andere gegevens dan die, bedoeld in artikel 2.7.48. Artikel 2.7.46, zesde lid, is niet van toepassing.

  2. Indien het bevel betrekking heeft op een persoon die aanspraak kan maken op bronbescherming als bedoeld in artikel 1.6.8, kan de officier van justitie het bevel alleen geven na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris. Artikel 1.6.8, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  3. Een tot de aanbieder van een communicatiedienst gericht bevel kan door de opsporingsambtenaar worden gegeven, indien het uitsluitend betrekking heeft op het verstrekken van de soort dienst van een gebruiker van een communicatiedienst of de gegevens, bedoeld in artikel 2.7.46, vierde lid, onderdelen a, c en f. In afwijking van artikel 2.7.46, eerste lid, kan dit bevel worden gegeven in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld.

  4. In geval een aanbieder van een communicatiedienst geen uitvoering kan geven aan een bevel tot verstrekking van gegevens als bedoeld in het derde lid, omdat de gegevens bij hem niet bekend zijn en de gegevens nodig zijn voor een bevel tot verstrekking van gegevens over een gebruiker van een communicatiedienst of het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker dan wel voor een bevel tot vastlegging van communicatie als bedoeld in artikel 2.8.13, kan de officier van justitie bevelen dat de aanbieder de gegevens op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze achterhaalt en aan hem verstrekt.

  5. De officier van justitie kan bepalen dat het bevel, bedoeld in het eerste lid, geldt voor alle nummers en andere aanduidingen waarmee de individuele gebruiker van de communicatiedienst wordt geïdentificeerd, die voor of gedurende de geldigheidsduur van het bevel bij de gebruiker in gebruik zijn geweest.

  6. De periode waarover het bevel, bedoeld in het vijfde lid, zich uitstrekt is ten hoogste drie maanden en kan telkens met ten hoogste drie maanden worden verlengd.

Artikel 2.7.48

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en dat gezien zijn aard of de samenhang met andere in verband met die verdenking begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, voor zover het belang van het onderzoek dit dringend vereist en na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris, de aanbieder van een communicatiedienst bevelen gegevens die betrekking hebben op communicatie die wordt beschermd door het telecommunicatiegeheim te verstrekken voor zover klaarblijkelijk:

    1. de gegevens van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn of op hem betrekking hebben, of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend; of

    2. met betrekking tot die gegevens het strafbare feit is begaan.

  2. Artikel 2.7.46, zesde lid, is niet van toepassing.

Artikel 2.7.49

  1. De officier van justitie kan bepalen dat een bevel als bedoeld in de artikelen 2.7.46, eerste lid, en 2.7.47, eerste lid, aan degene die anders dan voor persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, betrekking kan hebben op gegevens die na het tijdstip van het bevel worden verwerkt. Artikel 2.7.46, zesde lid, is niet van toepassing.

  2. Indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist, kan de officier van justitie bepalen dat degene tot wie het bevel is gericht de gegevens direct na de verwerking, dan wel telkens binnen een bepaalde periode na de verwerking verstrekt.

  3. De periode waarover het bevel zich uitstrekt is ten hoogste een maand en kan telkens met ten hoogste een maand worden verlengd.

  4. Indien het bevel is gericht tot de aanbieder van een communicatiedienst en betrekking heeft op gegevens over een gebruiker van een communicatiedienst en het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker, is de periode waarover het bevel zich uitstrekt ten hoogste drie maanden en kan het bevel telkens met ten hoogste drie maanden worden verlengd.

  5. In geval van een bevel als bedoeld in het vierde lid kan de officier van justitie in zijn bevel bepalen dat het geldt voor alle nummers en andere aanduidingen waarmee de individuele gebruiker van de communicatiedienst wordt geïdentificeerd, die gedurende de geldigheidsduur van het bevel bij de gebruiker in gebruik zijn.

  6. Zodra niet meer aan de wettelijke voorwaarden voor het bevel wordt voldaan, bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van het bevel wordt beëindigd.

  7. Het bevel kan worden gewijzigd, aangevuld of verlengd.

Artikel 2.7.50

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie de persoon die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt en van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde gegevens, bevelen dat hij deze gegevens bewerkt en de daardoor verkregen gegevens verstrekt.

  2. Indien het bevel betrekking heeft op een persoon die aanspraak kan maken op bronbescherming als bedoeld in artikel 1.6.8 of op communicatie die wordt beschermd door het telecommunicatiegeheim kan de officier van justitie het bevel alleen geven na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris. Artikel 1.6.8, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  3. De officier van justitie kan in het bevel bepalen dat degene tot wie het bevel is gericht, de bewerking in overeenstemming met de aanwijzingen van de opsporingsambtenaar uitvoert.

  4. De officier van justitie kan de in het eerste lid bedoelde persoon bevelen inlichtingen te verstrekken over de gegevens waartoe hij toegang heeft en over de handelingen die nodig zijn om de in het eerste lid bedoelde bewerking uit te voeren.

Artikel 2.7.51

  1. De officier van justitie stelt, ook als de desbetreffende bevoegdheid is uitgeoefend door de rechter-commissaris op grond van artikel 2.7.68, de persoon ten aanzien van wie een bevoegdheid als bedoeld in deze afdeling is uitgeoefend in kennis van die uitoefening, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat. De verplichting tot deze kennisgeving vervalt op het moment dat is vastgesteld dat die redelijkerwijs niet mogelijk is.

  2. Indien de persoon ten aanzien van wie de bevoegdheid is uitgeoefend de verdachte is, kan de kennisgeving achterwege blijven indien uit de processtukken van de uitoefening van de bevoegdheid blijkt.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 2.7.45, 2.7.46, vierde en vijfde lid, en 2.7.47, eerste, derde en vierde lid.

Artikel 2.7.52

De officier van justitie kan bij of direct na de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 2.7.46 tot en met 2.7.49, degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij de versleuteling ongedaan kan maken van de in deze artikelen bedoelde gegevens, bevelen medewerking te verlenen aan het verkrijgen van toegang tot de versleutelde gegevens.

Artikel 2.7.53

De bepalingen in deze afdeling zijn van overeenkomstige toepassing:

  1. in geval uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat in georganiseerd verband misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld worden beraamd of gepleegd die gezien hun aard of de samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren;

  2. in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf.

Artikel 2.7.54

Het is toegestaan te verzoeken om vrijwillige verstrekking van persoonsgegevens in de gevallen waarin een bevel tot uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in deze afdeling, kan worden gegeven, mits het verzoek zodanig is gemotiveerd dat het de verwerkingsverantwoordelijke in staat stelt te beoordelen of aan de voorwaarden voor verstrekking op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming is voldaan.

Artikel 2.7.55

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in deze afdeling en in het bijzonder met betrekking tot de gegevens waarvan de verstrekking kan worden bevolen, de wijze waarop een bevel wordt gegeven en de wijze waarop gegevens worden verstrekt.

Artikel 2.7.56

  1. Indien bij een onderzoek van gegevens als bedoeld in Titel 7.3 in een digitale-gegevensdrager of in een geautomatiseerd werk gegevens worden aangetroffen met betrekking tot welke of met behulp waarvan het strafbare feit is begaan of die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang, kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar die gegevens ontoegankelijk maakt voor zover dit noodzakelijk is ter beëindiging van het strafbare feit of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. In geval van ingrijpend stelselmatig onderzoek van gegevens als bedoeld in artikel 2.7.38, tweede lid, behoeft de officier van justitie ook voor het geven van dit bevel een door de rechter-commissaris verleende machtiging.

  2. In geval tijdens een betreding of doorzoeking die het verrichten van onderzoek van gegevens tot doel heeft, gegevens ontoegankelijk worden gemaakt, wordt direct een bewijs van uitoefening van deze bevoegdheid uitgereikt aan degene bij wie de gegevens ontoegankelijk zijn gemaakt, of achtergelaten op de plaats die is betreden of doorzocht. Dit bewijs vermeldt de aard van de ontoegankelijk gemaakte gegevens.

  3. De officier van justitie dan wel, indien de rechter-commissaris de ontoegankelijkmaking van gegevens heeft bevolen, de rechter-commissaris kan, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist, bevelen dat het uitreiken, achterlaten of ter kennis brengen van het bewijs wordt uitgesteld zolang het belang van het onderzoek zich hiertegen verzet.

  4. Indien gegevens ontoegankelijk worden gemaakt tijdens een doorzoeking op afstand als bedoeld in artikel 2.7.37, derde lid, wordt het bewijs, bedoeld in het tweede lid, zo spoedig mogelijk ter kennis gebracht van de persoon bij wie die doorzoeking plaatsvindt. Het derde lid is op het ter kennis brengen van het bewijs van overeenkomstige toepassing.

  5. Zodra het belang van de strafvordering zich niet meer verzet tegen de opheffing van de ontoegankelijkmaking, beveelt de officier van justitie dat de ontoegankelijkmaking ongedaan wordt gemaakt.

Artikel 2.7.57

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld kan de officier van justitie na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om direct alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om bepaalde gegevens die worden opgeslagen of doorgegeven, ontoegankelijk te maken en te houden, voor zover dit noodzakelijk is ter beëindiging van een strafbaar feit of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten.

  2. De rechter-commissaris stelt de aanbieder tot wie het bevel is gericht in de gelegenheid te worden gehoord. De aanbieder is bevoegd zich bij het horen door een advocaat te doen bijstaan.

  3. Artikel 2.7.56, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.7.58

  1. Op grond van hun verschoningsrecht zijn niet verplicht aan bevelen als bedoeld in dit hoofdstuk te voldoen:

    1. personen als bedoeld in artikel 1.6.5;

    2. personen als bedoeld in artikel 1.6.6, voor zover uitvoering van het bevel hen of een van hun in dat artikel genoemde betrekkingen aan het gevaar van een strafrechtelijke vervolging zou blootstellen;

    3. functioneel verschoningsgerechtigden, voor zover uitvoering van het bevel zou leiden tot openbaring van gegevens waarover zij zich als getuige zouden kunnen verschonen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op de bevelen, bedoeld in de artikelen 2.7.3, 2.7.9, tweede lid, 2.7.10, onderdeel b, 2.7.11, tweede lid, 2.7.36 en 2.7.45.

Artikel 2.7.59

  1. Een doorzoeking bij een functioneel verschoningsgerechtigde vindt alleen plaats voor zover zij zonder schending van het functioneel verschoningsrecht kan worden uitgevoerd.

  2. Een onderzoek van gegevens in een digitale-gegevensdrager die of een geautomatiseerd werk dat gegevens bevat die zijn ingevoerd door of namens een functioneel verschoningsgerechtigde vindt alleen plaats voor zover het zonder schending van het functioneel verschoningsrecht kan worden uitgevoerd.

Artikel 2.7.60

Bij functioneel verschoningsgerechtigden worden daarvoor vatbare voorwerpen waarover het functioneel verschoningsrecht zich uitstrekt niet inbeslaggenomen en worden gegevens waarover het functioneel verschoningsrecht zich uitstrekt niet overgenomen, tenzij:

  1. de rechter-commissaris op grond van de artikelen 2.7.61 en 2.7.62 heeft beslist dat van die gegevens of van aan die voorwerpen te ontlenen informatie mag worden kennisgenomen, of

  2. de inbeslagneming van de voorwerpen of het overnemen van de gegevens nodig is om tot een beslissing op grond van de artikelen 2.7.61 en 2.7.62 te komen.

Artikel 2.7.61

Behoudens artikel 2.7.62, vierde lid, kan van gegevens of aan voorwerpen te ontlenen informatie waarover het functioneel verschoningsrecht zich uitstrekt geen kennis worden genomen, tenzij:

  1. de functioneel verschoningsgerechtigde daarvoor toestemming geeft;

  2. de voorwerpen of gegevens het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend;

  3. bij het verschoningsrecht, bedoeld in artikel 1.6.7, zeer uitzonderlijke omstandigheden maken dat het belang van de waarheidsvinding in een bepaald geval zwaarder weegt dan het maatschappelijk belang, bedoeld in dat artikel; of

  4. bij het verschoningsrecht, bedoeld in artikel 1.6.8, anders aan een zwaarder wegend belang een onevenredig grote schade zou worden toegebracht.

Artikel 2.7.62

  1. De rechter-commissaris beslist over de kennisneming, bedoeld in artikel 2.7.61.

  2. De rechter-commissaris beslist niet dan nadat hij de functioneel verschoningsgerechtigde zo mogelijk in staat heeft gesteld zijn standpunt kenbaar te maken. De rechter-commissaris kan beslissen dat de functioneel verschoningsgerechtigde wordt gehoord buiten aanwezigheid van anderen.

  3. De rechter-commissaris kan zich ten behoeve van zijn beslissing laten voorlichten door een vertegenwoordiger van het ambt, de beroepsgroep of de stand waartoe de functioneel verschoningsgerechtigde behoort. De rechter-commissaris wint in ieder geval het advies van een vertegenwoordiger in indien hij overweegt om, in afwijking van het standpunt van de functioneel verschoningsgerechtigde of zonder dat deze zijn standpunt kenbaar heeft gemaakt, te beslissen dat van de gegevens en de aan het voorwerp te ontlenen informatie mag worden kennisgenomen.

  4. Alleen de rechter-commissaris kan voor zover dat voor het nemen van de beslissing noodzakelijk is, kennisnemen van gegevens of aan voorwerpen te ontlenen informatie.

  5. Indien de rechter-commissaris in gebreke blijft te beslissen kan hem op verzoek van de functioneel verschoningsgerechtigde of op vordering van de officier van justitie door de rechtbank een termijn worden gesteld waarbinnen een beslissing wordt genomen.

Artikel 2.7.63

  1. De beslissing van de rechter-commissaris, bedoeld in artikel 2.7.64, wordt afzonderlijk vastgelegd. Artikel 2.1.14, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing. De rechter-commissaris stelt de officier van justitie direct in kennis van de beslissing.

  2. De beslissing wordt direct aan de functioneel verschoningsgerechtigde betekend. De functioneel verschoningsgerechtigde wordt daarbij gewezen op zijn recht tegen de beslissing beroep in te stellen.

Artikel 2.7.64

In gevallen waarin de rechter-commissaris beslist dat mag worden kennisgenomen van de gegevens of aan voorwerpen te ontlenen informatie wordt, tenzij de functioneel verschoningsgerechtigde toestemming voor de kennisneming heeft gegeven, pas tot kennisneming overgegaan:

  1. nadat twee weken zijn verstreken na de betekening van de beslissing van de rechter-commissaris aan de functioneel verschoningsgerechtigde; of

  2. indien de functioneel verschoningsgerechtigde binnen de in artikel 2.7.71 genoemde termijn in beroep gaat tegen de beslissing, nadat op dat beroep onherroepelijk is beslist dat mag worden kennisgenomen.

Artikel 2.7.65

  1. Indien ten aanzien van bij een ander dan een functioneel verschoningsgerechtigde inbeslaggenomen voorwerpen het redelijk vermoeden ontstaat dat zich daaronder ook voorwerpen bevinden waarover het verschoningsrecht zich uitstrekt, beslist de rechter-commissaris over de voorwaarden waaronder het beslag kan worden voortgezet.

  2. Indien bij een ander dan een functioneel verschoningsgerechtigde onderzoek van gegevens wordt verricht dan wel gegevens zijn overgenomen en het redelijke vermoeden ontstaat dat zich daaronder ook gegevens bevinden waarover het functioneel verschoningsrecht zich uitstrekt, beslist de rechter-commissaris over de voorwaarden waaronder het onderzoek van gegevens kan plaatsvinden dan wel kan worden voortgezet.

Artikel 2.7.66

  1. Indien bij een ander dan een functioneel verschoningsgerechtigde voorwerpen in beslag zijn genomen of gegevens zijn aangetroffen of overgenomen, wordt niet kennisgenomen van aan die voorwerpen te ontlenen informatie of van die gegevens ten aanzien waarvan het redelijke vermoeden bestaat dat het functioneel verschoningsrecht zich daarover uitstrekt, tenzij de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie overeenkomstig artikel 2.7.62, eerste lid, anders beslist.

  2. Alvorens deze beslissing te nemen stelt de rechter-commissaris overeenkomstig artikel 2.7.62, tweede lid, de functioneel verschoningsgerechtigde in de gelegenheid zijn standpunt kenbaar te maken en kan hij overeenkomstig artikel 2.7.62, derde lid, het advies inwinnen van de vertegenwoordiger van de beroepsgroep.

  3. De artikelen 2.7.62, vierde en vijfde lid, 2.7.63 en 2.7.64 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat op grond van artikel 2.7.62, vijfde lid, ook de belanghebbende de rechtbank kan verzoeken om de rechter-commissaris een termijn te stellen.

Artikel 2.7.67

  1. In geval van verdenking van een strafbaar feit kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie elke plaats betreden om een plaatselijke toestand of een voorwerp te schouwen.

  2. Voor zover het belang van het onderzoek zich hiertegen niet verzet, worden de verdachte en zijn raadsman door degene die voornemens is de schouw te verrichten van dit voornemen tijdig in kennis gesteld.

  3. Voor zover het belang van het onderzoek zich hiertegen niet verzet, kunnen de verdachte en zijn raadsman de schouw geheel of gedeeltelijk bijwonen. In dat geval kunnen zij verzoeken dat zij aanwijzingen of inlichtingen mogen geven of dat bepaalde opmerkingen in het proces-verbaal zullen worden vermeld.

Artikel 2.7.68

  1. De rechter-commissaris kan, binnen de grenzen die aan de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheden zijn gesteld, de bevoegdheden uitoefenen als omschreven in de artikelen 2.7.8, 2.7.9, 2.7.10, 2.7.11, 2.7.12, 2.7.16, eerste en derde lid, 2.7.37, 2.7.38, 2.7.39, 2.7.40, 2.7.43, 2.7.46 tot en met 2.7.50, 2.7.56, 2.7.57 en 2.7.67, indien hij onderzoek verricht op grond van de artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.4.

  2. Indien de uitoefening van deze bevoegdheden is beperkt tot gevallen van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van ten hoogste een bepaalde duur is gesteld, kan de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie of indien hij onderzoek verricht op grond van de artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.4 deze bevoegdheden, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist, ook uitoefenen in geval van verdenking van een ander strafbaar feit. Op de vordering van de officier van justitie is artikel 2.1.14, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.7.69

  1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie of indien hij onderzoek verricht op grond van de artikelen 2.10.2 tot en met 2.10.4 bevelen dat een opsporingsambtenaar een woning zonder toestemming van de bewoner of een kantoor van een functioneel verschoningsgerechtigde doorzoekt ter inbeslagneming of voor het verrichten van onderzoek van gegevens. Op de vordering van de officier van justitie en op het bevel van de rechter-commissaris is artikel 2.1.14, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. In geval van een doorzoeking voor het verrichten van onderzoek van gegevens zijn de artikelen 2.7.14, 2.7.15 en 2.7.18 van overeenkomstige toepassing.

  2. De doorzoeking vindt plaats onder leiding van de rechter-commissaris. Hij kan zich laten vergezellen door een of meer door hem aangewezen personen.

Artikel 2.7.70

  1. De officier van justitie kan beroep instellen tegen de afwijzing door de rechter-commissaris van een vordering op grond van dit hoofdstuk.

  2. De termijn voor het instellen van beroep is twee weken na de dagtekening van de beslissing. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk.

Artikel 2.7.71

  1. Tegen de beslissing van de rechter-commissaris, bedoeld in de artikelen 2.7.62, eerste lid, en 2.7.66, eerste lid, kan de functioneel verschoningsgerechtigde binnen twee weken na de betekening daarvan en de officier van justitie binnen twee weken na de dagtekening beroep instellen bij de rechtbank.

  2. De rechtbank beslist binnen een maand na ontvangst van het beroepschrift. De artikelen 2.7.62, vierde lid, en 2.7.63, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

  3. Beroep in cassatie kan door de functioneel verschoningsgerechtigde worden ingesteld binnen twee weken na de betekening en door de officier van justitie binnen twee weken na dagtekening van de beslissing van de rechtbank.

  4. De Hoge Raad beslist binnen drie maanden na indiening van de schriftuur. De artikelen 5.6.6 en 5.6.7 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn voor indiening van middelen van cassatie twee weken bedraagt. Artikel 2.7.62, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering