1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie de verdachte bevelen:

    1. een tekst op te schrijven ten behoeve van een vergelijkend handschriftonderzoek;

    2. een tekst uit te spreken ten behoeve van een vergelijkend spraakonderzoek of een confrontatie; of

    3. een lichaamshouding aan te nemen, een stuk te lopen en dat zo nodig op een bepaalde wijze te doen, bepaalde kleding of attributen te dragen of uit te doen of andere aanwijzingen op te volgen ten behoeve van een gezichtsopname als bedoeld in artikel 2.6.9, tweede en derde lid, of van een beeldopname als bedoeld in artikel 2.6.12, eerste lid, onderdeel b, of ten behoeve van een confrontatie of een vergelijking met beeldopnamen.

  2. Het bevel of de tenuitvoerlegging of de verdere tenuitvoerlegging daarvan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, tot het verrichten van een vergelijkend handschrift- of spraakonderzoek blijft achterwege indien het handschrift of een opname met de spraak van de verdachte op een inbeslaggenomen voorwerp aanwezig is of op andere wijze verkregen is, mits voldoende zekerheid bestaat dat dat handschrift of die spraak van hem afkomstig is. Indien dat naar het oordeel van de officier van justitie in het belang van het onderzoek is of de verdachte vermist is, kan het vergelijkend handschrift- of spraakonderzoek, bedoeld in de vorige zin, buiten medeweten van de verdachte worden verricht.

  3. Indien het vergelijkend handschrift- of spraakonderzoek buiten medeweten van de verdachte is verricht, stelt de officier van justitie hem, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, daarvan en van de uitslag van het vergelijkend onderzoek in kennis.