1. De opsporingsambtenaar kan van de verdachte die is staande gehouden, indien twijfel over zijn identiteit bestaat, een of meer vingerafdrukken nemen.

  2. De opsporingsambtenaar neemt van de verdachte die is aangehouden wegens verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en van de verdachte die wegens verdenking van een dergelijk misdrijf wordt verhoord zonder dat hij is aangehouden ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit een of meer gezichtsopnamen en vingerafdrukken.

  3. In geval van verdenking van een ander strafbaar feit beveelt de officier van justitie of de hulpofficier van justitie de opsporingsambtenaar dat hij van de verdachte die wegens dat strafbare feit is aangehouden of wordt verhoord zonder dat hij daarvoor is aangehouden, een of meer gezichtsopnamen en vingerafdrukken neemt indien er twijfel over zijn identiteit bestaat.

  4. In de gevallen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden ter vaststelling van de identiteit van de verdachte tevens zijn vingerafdrukken vergeleken met de van verdachten overeenkomstig dit wetboek verwerkte vingerafdrukken en, indien wordt vermoed dat de verdachte een vreemdeling is, met de overeenkomstig de Vreemdelingenwet 2000 verwerkte vingerafdrukken.

  5. Indien de verdachte zich tegen de afname van zijn vingerafdrukken of gezichtsopnamen verzet, kunnen de vingerafdrukken of gezichtsopnamen van de verdachte op andere wijze worden verkregen.