1. De opsporingsambtenaar kan de verdachte die is staande gehouden of aangehouden, ter vaststelling van zijn identiteit aan zijn kleding onderzoeken en de voorwerpen onderzoeken die hij met zich voert. Bij de verdachte die is aangehouden, kan dat onderzoek tevens ter inbeslagneming van voorwerpen of ter veiligstelling van sporen van het strafbare feit dienen.

  2. Onder het onderzoek aan de kleding wordt verstaan: het aftasten en het doorzoeken van de kleding en het geheel of gedeeltelijk laten ontdoen of ontdoen van de kleding met dien verstande dat dat onderzoek in geval van een staande gehouden verdachte alleen het aftasten en doorzoeken van de kleding omvat.

  3. Indien het onderzoek aan de kleding het geheel of gedeeltelijk laten ontdoen of ontdoen van de kleding omvat waardoor intieme delen van het lichaam worden ontbloot, kan de opsporingsambtenaar dat onderzoek alleen op bevel van de officier van justitie of de hulpofficier van justitie verrichten.

  4. Bij dringende noodzaak kan het bevel achterwege blijven. In dat geval doet de opsporingsambtenaar de officier van justitie of de hulpofficier van justitie direct mededeling van het onderzoek.

  5. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist, bevelen dat de opsporingsambtenaar een derde ter inbeslagneming van voorwerpen of ter veiligstelling van sporen van het strafbare feit aan zijn kleding onderzoekt en de voorwerpen onderzoekt die hij met zich voert. Het bevel wordt niet eerder gegeven dan nadat die persoon is gehoord.