1. Onverminderd de artikelen 1.4.17 en 1.4.18 kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie bevelen dat de verdachte aan de volgende maatregelen wordt onderworpen:

    1. beperkingen met betrekking tot het ontvangen van bezoek, telefoonverkeer, briefwisseling en de uitreiking van kranten, lectuur of andere gegevensdragers, dan wel andere maatregelen betrekking hebbend op het verblijf in het kader van de vrijheidsbeneming;

    2. de overbrenging naar een ziekenhuis, of een andere instelling waar medisch toezicht is gewaarborgd, of verblijf in een daartoe ingerichte cel onder medisch toezicht.

  2. De verdachte wordt bij de toepassing van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, gewezen op de bezwaarmogelijkheid, bedoeld in artikel 2.5.58.

  3. Het bevel is dadelijk uitvoerbaar. De korpschef, de directeur van het huis van bewaring of een in het bevel aan te wijzen persoon draagt zorg voor de uitvoering van de maatregelen.