Nieuw Wetboek van Strafvordering Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 18-03-2026.

Inhoud
Boek 1 Strafvordering in het algemeen
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen en definities
Hoofdstuk 2 De behandeling van zaken door de rechter
Hoofdstuk 3 Vervolging en opsporing van strafbare feiten
Hoofdstuk 4 De verdachte en zijn raadsman
Hoofdstuk 5 Het slachtoffer
Hoofdstuk 6 De getuige
Titel 6.1 Algemene bepalingen met betrekking tot het verhoor van de getuige
Titel 6.2 Verschoningsrechten
Titel 6.3 Verschoningsplichten
Titel 6.4 Bepalingen met betrekking tot de minderjarige getuige
Titel 6.5 Leden van het Koninklijk Huis
Titel 6.6 Maatregelen tot bescherming van getuigen
Hoofdstuk 7 De deskundige
Hoofdstuk 8 De processtukken
Hoofdstuk 9 Overdracht van berichten en het indienen van stukken
Hoofdstuk 11 Enige algemene voorzieningen
Boek 2 Het opsporingsonderzoek
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Titel 1.1 Definities
Titel 1.2 Algemene bepalingen over de uitoefening van bevoegdheden in het kader van het opsporingsonderzoek
Titel 1.3 Algemene bevoegdheid
Titel 1.4 Verslaglegging door opsporingsambtenaren
Titel 1.5 Vastlegging van bevelen en van machtigingen en vorderingen daartoe
Titel 1.6 Toestemming voor onderzoekshandelingen
Hoofdstuk 2 De aangifte
Hoofdstuk 3 Het verhoor door opsporingsambtenaren
Hoofdstuk 4 Deskundigenonderzoek in opdracht van de officier van justitie
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming
Titel 5.1 Algemene bepalingen
Titel 5.2 Staandehouding en aanhouding
Titel 5.3 Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.1 Ophouden voor onderzoek
Afdeling 5.3.2 Inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.3 Maatregelen ten aanzien van de voor onderzoek opgehouden of in verzekering gestelde verdachte
Afdeling 5.3.4 Voorgeleiding aan de rechter-commissaris
Titel 5.4 Voorlopige hechtenis
Titel 5.5 Rechtsmiddelen
Afdeling 5.5.1 Bezwaar tegen het opleggen van maatregelen
Afdeling 5.5.2 Beroep tegen de directe invrijheidstelling van de verdachte
Afdeling 5.5.3 Beroep tegen beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis
Hoofdstuk 6 Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam
Titel 6.1 Algemene bepalingen
Titel 6.2 Onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen
Titel 6.3 Onderzoek aan het lichaam
Titel 6.4 Onderzoek in het lichaam
Titel 6.5 Overige onderzoeken met betrekking tot het lichaam
Afdeling 6.5.1 Het nemen van vingerafdrukken en gezichtsopnamen ter identiteitsvaststelling
Afdeling 6.5.2 Onderzoek naar gebruik van geweldbevorderende middelen
Afdeling 6.5.3 Het maken van beeldopnamen, het opmeten van lichaamsmaten en het nemen van lichaamsafdrukken, -haar en -materiaal
Afdeling 6.5.4 Onderzoek ten aanzien van fysieke eigenschappen
Afdeling 6.5.5 Het houden van een confrontatie
Afdeling 6.5.6 DNA-onderzoek
Afdeling 6.5.7 Onderzoek naar een ernstige besmettelijke ziekte
Titel 6.6 Onderzoek met betrekking tot het lichaam van een overleden verdachte of slachtoffer
Titel 6.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 6.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 7 Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 7.1 Algemene bepalingen
Titel 7.2 Inbeslagneming van voorwerpen
Titel 7.3 Onderzoek van gegevens
Titel 7.4 Ontoegankelijkmaking van gegevens
Titel 7.5 Uitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht
Titel 7.6 Onderzoek ter plaatse
Titel 7.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 7.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 8 Heimelijke bevoegdheden
Titel 8.1 Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 8.1.2 Kennisgeving aan betrokkene
Afdeling 8.1.3 Voeging gegevens functioneel verschoningsgerechtigden
Afdeling 8.1.4 Technische hulpmiddelen
Afdeling 8.1.5 Verplichting tot inbeslagneming
Afdeling 8.1.6 Uitstel melding onbekende kwetsbaarheden
Titel 8.2 De bevoegdheden
Afdeling 8.2.1 Stelselmatige observatie
Afdeling 8.2.2 Stelselmatig overnemen persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen
Afdeling 8.2.3 Bevoegdheden ten aanzien van een besloten plaats
Afdeling 8.2.4 Pseudo-koop of -dienstverlening
Afdeling 8.2.5 Stelselmatige inwinning van informatie
Afdeling 8.2.6 Infiltratie
Afdeling 8.2.7 Vastleggen communicatie die plaatsvindt door middel van een aanbieder van een communicatiedienst
Afdeling 8.2.8 Vastleggen vertrouwelijke communicatie
Afdeling 8.2.9 Toegang op afstand tot een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk
Afdeling 8.2.10 Stelselmatige locatiebepaling
Titel 8.3 Bijstand door burgers bij de uitoefening van heimelijke bevoegdheden
Titel 8.4 Personen in de openbare dienst van een vreemde staat
Titel 8.5 Maatregelen in het belang van de veiligheid
Titel 8.6 Vermoeden georganiseerd verband en aanwijzingen terroristisch misdrijf
Titel 8.7 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 9 Het verkennend onderzoek
Hoofdstuk 10 Onderzoek door de rechter-commissaris
Titel 10.1 Algemene bepalingen
Titel 10.2 Bevoegdheden met betrekking tot de verdachte
Titel 10.3 Het verhoor van de getuige
Titel 10.4 De benoeming en het verhoor van een deskundige
Titel 10.5 Getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan
Titel 10.6 Voortgangsbewaking door de rechter-commissaris
Titel 10.7 Beëindiging van het onderzoek
Titel 10.8 Rechtsmiddelen
Boek 3 Beslissingen over vervolging
Hoofdstuk 1 Algemeen
Hoofdstuk 2 Bezwaarschrift tegen de procesinleiding
Hoofdstuk 3 De strafbeschikking
Titel 3.1 Inhoud van de strafbeschikking
Titel 3.2 Uitvaardigen van de strafbeschikking door opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak belast
Titel 3.3 Waarborgen bij het uitvaardigen van de strafbeschikking
Titel 3.4 Uitreiken en toezenden van de strafbeschikking
Titel 3.5 Intrekken en wijzigen van de strafbeschikking
Titel 3.6 Openbaarheid van de strafbeschikking
Hoofdstuk 4 Het achterwege laten van vervolging
Hoofdstuk 5 Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten
Hoofdstuk 6 Rechtsmiddelen
Boek 4 Berechting
Hoofdstuk 1 Het aanbrengen van de zaak ter berechting
Hoofdstuk 2 Het onderzoek op de terechtzitting
Titel 2.1 Algemene bepalingen
Titel 2.2 De aanvang van het onderzoek
Titel 2.3 De omvang van het onderzoek
Titel 2.4 Het onderzoek van de zaak zelf
Titel 2.5 De verslaglegging van het onderzoek op de terechtzitting
Hoofdstuk 3 De beraadslaging, de uitspraak en het eindvonnis
Hoofdstuk 4 De behandeling van met de berechting verbonden vorderingen
Hoofdstuk 5 De enkelvoudige kamer
Hoofdstuk 6 Herstelbeslissingen
Boek 5 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Het instellen en indienen, intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen
Titel 2.1 Instellen en indienen
Titel 2.2 Intrekken en afstand doen
Titel 2.3 Informatieverschaffing over ingestelde en ingediende gewone rechtsmiddelen
Hoofdstuk 3 Verzet tegen strafbeschikkingen
Hoofdstuk 4 Hoger beroep tegen vonnissen
Hoofdstuk 5 Beroep in cassatie tegen arresten
Titel 5.1 Beroep in cassatie tegen eindarresten en tussenarresten
Titel 5.2 Beroep in cassatie in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 5.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 5.2.2 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.3 Herstelarresten
Hoofdstuk 6 Gewone rechtsmiddelen tegen andere beslissingen
Titel 6.1 Bezwaarschriften en klaagschriften
Titel 6.2 Beroep tegen beslissingen van de rechter-commissaris
Titel 6.3 Hoger beroep en beroep in cassatie tegen beslissingen van de raadkamer
Hoofdstuk 7 Cassatie in het belang van de wet
Hoofdstuk 8 Herziening van arresten en vonnissen
Boek 6 Bijzondere regelingen
Hoofdstuk 1 Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte
Titel 1.1 Jeugdigen en jongvolwassenen
Afdeling 1.1.1 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.2 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.3 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.4 De raad voor de kinderbescherming
Afdeling 1.1.5 De betrokkenheid van de ouder of een persoon naar keuze
Afdeling 1.1.6 Vordering van de benadeelde partij
Titel 1.2 Verdachten die door een beperking of een ziekte onvoldoende in staat zijn aan het proces tegen hen deel te nemen
Titel 1.3 Rechtspersonen
Titel 1.4 Rechterlijke ambtenaren
Hoofdstuk 2 Procesincidenten
Hoofdstuk 4 Bijzondere procedures
Titel 4.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.2 Afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.3 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden van bijzondere aard
Titel 5.1 Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast
Titel 5.2 Bevoegdheden bij het ontruimen van een gekraakt pand
Titel 5.3 Bevoegdheden tot het betreden van plaatsen in verband met bepaalde misdrijven
Titel 5.4 Bevoegdheden in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf
Titel 5.5 Bevoegdheden in verband met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.6 Bevoegdheden tot vastlegging en raadpleging van kentekengegevens
Titel 5.7 Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren
Hoofdstuk 6 Schadevergoeding en kosten
Boek 9 Slotbepalingen

Hoofdstuk 5

Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming

Artikel 2.5.1

  1. Bevelen van de officier van justitie of de hulpofficier van justitie als bedoeld in dit hoofdstuk worden afzonderlijk vastgelegd, met uitzondering van de bevelen, bedoeld in de artikelen 2.5.5 en 2.5.9.

  2. Bevelen van de rechter-commissaris als bedoeld in dit hoofdstuk worden afzonderlijk vastgelegd. Artikel 2.1.13, tweede lid, derde zin, is niet van toepassing.

Artikel 2.5.2

  1. Bevelen van de officier van justitie of de hulpofficier van justitie als bedoeld in dit hoofdstuk die afzonderlijk moeten worden vastgelegd, zijn gemotiveerd.

  2. Vorderingen van het openbaar ministerie, verzoeken van de verdachte en beslissingen van de rechter als bedoeld in dit hoofdstuk zijn gemotiveerd.

Artikel 2.5.3 (Staandehouding)

  1. Iedere opsporingsambtenaar kan de verdachte staande houden om zijn identiteit vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 1.4.8, eerste lid. Hij onderzoekt tevens een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

  2. Iedere opsporingsambtenaar kan de getuige staande houden om zijn identiteit vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 1.6.1.

Artikel 2.5.4 (Aanhouding heterdaad)

  1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit kan ieder de verdachte aanhouden.

  2. De opsporingsambtenaar die een verdachte bij ontdekking op heterdaad aanhoudt, geleidt hem zo spoedig mogelijk voor aan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie.

  3. Vindt de aanhouding plaats door een ander dan een opsporingsambtenaar, dan levert deze de aangehoudene direct over aan een opsporingsambtenaar, onder afgifte aan deze van bij de verdachte aangetroffen voorwerpen. De opsporingsambtenaar geleidt hem zo spoedig mogelijk voor aan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie, tenzij de opsporingsambtenaar overeenkomstig artikel 1.3.15 van de verdere uitoefening van zijn bevoegdheid tot opsporing afziet. In dat laatste geval stelt hij de verdachte direct in vrijheid.

Artikel 2.5.5 (Aanhouding buiten heterdaad)

  1. Buiten het geval van ontdekking op heterdaad kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar de verdachte aanhoudt en hem zo spoedig mogelijk voorgeleidt aan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie.

  2. Een bevel tot aanhouding buiten heterdaad kan worden gegeven in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Een bevel tot aanhouding buiten heterdaad kan ook worden gegeven in het geval waarin geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland van de verdachte kan worden vastgesteld en hij wordt verdacht van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld.

  3. Indien het bevel van de officier van justitie niet kan worden afgewacht, kan het bevel door de hulpofficier van justitie worden gegeven. De hulpofficier van justitie doet de officier van justitie direct mededeling van de aanhouding.

  4. Indien het bevel van de officier van justitie of de hulpofficier van justitie niet kan worden afgewacht, kan de opsporingsambtenaar de verdachte aanhouden. De verdachte wordt direct voorgeleid aan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie.

  5. Buiten het geval van ontdekking op heterdaad kan een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat, voor zover een verdrag daarin voorziet, in Nederland de verdachte aanhouden, onder de verplichting om de aangehoudene zo spoedig mogelijk voor te geleiden aan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie.

Artikel 2.5.6 (Betreden plaats ter aanhouding)

  1. In geval van ontdekking op heterdaad van een misdrijf kan eenieder ter aanhouding van de verdachte elke plaats betreden, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner en van de plaatsen, genoemd in artikel 12 van de Algemene wet op het binnentreden.

  2. Zowel in geval van ontdekking op heterdaad als buiten dat geval kan iedere opsporingsambtenaar ter aanhouding van de verdachte elke plaats betreden.

Artikel 2.5.7 (Doorzoeken ter aanhouding)

  1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de opsporingsambtenaar ter aanhouding van de verdachte elke plaats doorzoeken. Hij behoeft daartoe de toestemming van de officier van justitie, behalve bij dringende noodzaak. In het laatste geval doet hij de officier van justitie direct mededeling van de doorzoeking.

  2. Indien de officier van justitie aan de opsporingsambtenaar toestemming heeft gegeven om ter aanhouding van de verdachte een woning zonder toestemming van de bewoner te doorzoeken, is voor het binnentreden in die woning door de betrokken opsporingsambtenaar geen machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden vereist.

Artikel 2.5.8

De opsporingsambtenaar stelt de identiteit van de aangehouden verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 1.4.8, eerste lid. Hij onderzoekt tevens een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

Artikel 2.5.9

  1. Nadat de aangehouden verdachte aan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie is voorgeleid, wordt hij in vrijheid gesteld, tenzij de officier van justitie of de hulpofficier van justitie beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek.

  2. De verdachte van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en de verdachte van wie geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland kan worden vastgesteld en die wordt verdacht van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld, kunnen ten hoogste negen uur worden opgehouden voor onderzoek; in de overige gevallen kan de verdachte ten hoogste zes uur worden opgehouden voor onderzoek. De tijd tussen middernacht en negen uur ’s morgens wordt voor de berekening van deze termijnen niet meegerekend.

  3. Het ophouden voor onderzoek omvat in elk geval het vaststellen van de identiteit van de verdachte wiens identiteit nog niet is vastgesteld, en het verhoor van de verdachte. Het ophouden voor onderzoek kan de voorbereiding van de voorgeleiding aan de officier van justitie of hulpofficier van justitie, bedoeld in artikel 2.5.13, en het uitreiken van berichten over de zaak aan de verdachte in persoon omvatten.

Artikel 2.5.10

  1. Indien de vaststelling van de identiteit van de aangehouden verdachte die op grond van artikel 2.5.9, tweede lid, ten hoogste zes uur kan worden opgehouden, niet binnen die termijn kan worden afgerond, kan die termijn op bevel van de officier van justitie of de hulpofficier van justitie eenmaal met ten hoogste zes uur worden verlengd.

  2. Het bevel tot verlenging wordt de verdachte direct uitgereikt. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem de inhoud van het bevel in een voor hem begrijpelijke taal meegedeeld.

Artikel 2.5.11

De verdachte wordt aan het einde van de termijn gedurende welke het bevel tot het ophouden voor onderzoek van kracht is, of zoveel eerder als het belang van het onderzoek toelaat, in vrijheid gesteld, tenzij zijn inverzekeringstelling is bevolen.

Artikel 2.5.12

  1. Op verzoek van de aangehouden verdachte doet de officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, direct mededeling van zijn vrijheidsbeneming aan ten minste een door de verdachte aangeduide persoon.

  2. Op verzoek van de aangehouden verdachte die niet de Nederlandse nationaliteit heeft, doet de officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beslist om de verdachte op te houden voor onderzoek, direct mededeling van zijn vrijheidsbeneming aan de consulaire post van de staat waarvan de verdachte de nationaliteit heeft.

  3. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie kan de in het eerste lid bedoelde mededeling uitstellen voor zover en voor zolang als dit wordt gerechtvaardigd door een dringende noodzaak om:

    1. ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen; of

    2. te voorkomen dat aanzienlijke schade aan het onderzoek kan worden toegebracht.

  4. De in het derde lid bedoelde beslissing is gemotiveerd.

Artikel 2.5.13

  1. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie kan bevelen dat de voor onderzoek opgehouden verdachte in verzekering wordt gesteld.

  2. Alvorens te beslissen, hoort de officier van justitie of de hulpofficier van justitie de verdachte. De verdachte kan zich bij de voorgeleiding laten bijstaan door een raadsman, die in de gelegenheid wordt gesteld opmerkingen te maken.

  3. De hulpofficier van justitie doet de officier van justitie direct mededeling van het bevel.

Artikel 2.5.14

  1. Een bevel tot inverzekeringstelling kan worden gegeven in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Het bevel tot inverzekeringstelling kan ook worden gegeven in het geval waarin geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland van de verdachte kan worden vastgesteld en hij verdacht wordt van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld.

  2. Onder het belang van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.1.2, tweede lid, wordt bij de inverzekeringstelling mede verstaan het belang van de voorbereiding van de voorgeleiding aan de rechter-commissaris en het aan de verdachte in persoon uitreiken van mededelingen over de zaak.

  3. Het bevel tot inverzekeringstelling geldt voor ten hoogste drie dagen. Bij dringende noodzaak kan het bevel tot inverzekeringstelling door de officier van justitie eenmaal met ten hoogste drie dagen worden verlengd.

  4. Zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, wordt de verdachte in vrijheid gesteld. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie geeft daartoe zo nodig bevel. Indien het belang van het onderzoek alleen nog bestaat uit het uitreiken aan de verdachte in persoon van een bericht over de zaak, wordt dit bericht zo spoedig mogelijk uitgereikt en de verdachte daarna in vrijheid gesteld.

Artikel 2.5.15

  1. De ondertekening van het bevel tot inverzekeringstelling of tot verlenging daarvan kan in opdracht van de officier van justitie die het bevel heeft gegeven, namens deze ook plaatsvinden door de hulpofficier van justitie.

  2. Het bevel tot inverzekeringstelling of tot verlenging daarvan wordt de verdachte direct uitgereikt. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem zo spoedig mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal kennisgegeven en zo nodig ook mededeling gedaan van het strafbare feit ten aanzien waarvan de verdenking is gerezen, de grond voor en de geldigheidsduur van het bevel.

  3. De reclassering wordt direct van het bevel tot inverzekeringstelling in kennis gesteld.

  4. De inverzekeringstelling wordt tenuitvoergelegd in een politiecel of een cel van de Koninklijke marechaussee. In bijzondere gevallen kan de officier van justitie bevelen dat de inverzekeringstelling op een andere locatie wordt ondergaan.

Artikel 2.5.16

  1. Onverminderd de artikelen 1.4.17 en 1.4.18 kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie bevelen dat de verdachte aan de volgende maatregelen wordt onderworpen:

    1. beperkingen met betrekking tot het ontvangen van bezoek, telefoonverkeer, briefwisseling en de uitreiking van kranten, lectuur of andere gegevensdragers, dan wel andere maatregelen betrekking hebbend op het verblijf in het kader van de vrijheidsbeneming;

    2. de overbrenging naar een ziekenhuis, of een andere instelling waar medisch toezicht is gewaarborgd, of verblijf in een daartoe ingerichte cel onder medisch toezicht.

  2. De verdachte wordt bij de toepassing van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, gewezen op de bezwaarmogelijkheid, bedoeld in artikel 2.5.58.

  3. Het bevel is dadelijk uitvoerbaar. De korpschef, de directeur van het huis van bewaring of een in het bevel aan te wijzen persoon draagt zorg voor de uitvoering van de maatregelen.

Artikel 2.5.17

  1. De in verzekering gestelde verdachte wordt uiterlijk binnen drie dagen en achttien uur na het tijdstip van de aanhouding voor de rechter-commissaris geleid om te worden gehoord.

  2. De rechter-commissaris bepaalt, op verzoek van de officier van justitie, zo spoedig mogelijk tijd en plaats van de voorgeleiding en stelt de officier van justitie, de verdachte en de raadsman daarvan in kennis.

  3. De verdachte kan zich bij de voorgeleiding laten bijstaan door een raadsman, die in de gelegenheid wordt gesteld opmerkingen te maken. De officier van justitie kan de voorgeleiding bijwonen en daarbij opmerkingen maken.

  4. De verdachte kan bij de voorgeleiding de rechter-commissaris verzoeken om in vrijheid te worden gesteld.

  5. Indien de rechter-commissaris de voortzetting van de inverzekeringstelling onrechtmatig oordeelt, beveelt hij de directe invrijheidstelling van de verdachte. Indien hij de voortzetting van de inverzekeringstelling alleen voor een beperkte tijd rechtmatig oordeelt, beveelt hij dat de verdachte binnen een bepaalde termijn in vrijheid wordt gesteld. Het bevel is dadelijk uitvoerbaar.

  6. Indien de rechter-commissaris oordeelt dat er geen grond is om de invrijheidstelling van de verdachte te bevelen, wijst hij een daartoe strekkend verzoek van de verdachte af. Hij vermeldt zijn oordeel, ook indien de verdachte niet om invrijheidstelling heeft verzocht, in het proces-verbaal van de voorgeleiding.

  7. De rechter-commissaris stelt de officier van justitie en de verdachte direct in kennis van zijn oordeel.

Artikel 2.5.18

Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel wordt onder de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd mede begrepen de tijd gedurende welke de verdachte in verzekering was gesteld.

Artikel 2.5.19

Na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting worden beslissingen over de voorlopige hechtenis door de rechter genomen bij de behandeling van de zaak.

Artikel 2.5.20

In de gevallen waarin de raadkamer over de voorlopige hechtenis oordeelt, is het onderzoek op de zitting niet openbaar, tenzij het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming in eerste aanleg meer dan drie maanden van kracht is dan wel toewijzing van de vordering van de officier van justitie ertoe leidt dat het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming in eerste aanleg meer dan drie maanden van kracht is.

Artikel 2.5.21

  1. Het bevel tot voorlopige hechtenis of verlenging van de geldigheidsduur daarvan is gedagtekend en ondertekend.

  2. Het bevel omschrijft zo nauwkeurig mogelijk het strafbare feit ten aanzien waarvan de verdenking is gerezen, de feiten of omstandigheden waarop de ernstige bezwaren tegen de verdachte zijn gegrond en de gedragingen, feiten of omstandigheden, waaronder de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaruit blijkt op welke van de gronden, bedoeld in artikel 2.5.27, eerste lid, het bevel is gebaseerd en die het bevel noodzakelijk maken.

  3. De verdachte wordt in het bevel met zijn naam of, wanneer zijn naam onbekend is, zo duidelijk mogelijk aangewezen.

  4. Het bevel kan in verband met bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte de plaats vermelden waar de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan.

Artikel 2.5.22

  1. Bevelen tot voorlopige hechtenis en tot verlenging en opheffing daarvan, beslissingen tot schorsing van de voorlopige hechtenis en tot opheffing of wijziging daarvan en beslissingen waarbij opheffing van de voorlopige hechtenis wordt geweigerd, worden direct aan de verdachte betekend.

  2. Indien de verdachte ten aanzien van wie een bevel tot voorlopige hechtenis of verlenging van de voorlopige hechtenis is gegeven, de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst wordt hem zo spoedig mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal kennis gegeven, en zo nodig ook mededeling gedaan, van het strafbare feit ten aanzien waarvan de verdenking is gerezen, de grond voor uitvaardiging en de geldigheidsduur van het bevel.

Artikel 2.5.23

  1. Tenzij de verdachte bij zijn verhoor is meegedeeld dat een bevel tot voorlopige hechtenis tegen hem zal worden uitgevaardigd, wordt hij binnen een dag na zijn opneming in de plaats waar de voorlopige hechtenis wordt ondergaan, verhoord.

  2. Dit verhoor vindt plaats:

    1. vóór de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg door de rechter-commissaris;

    2. na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg door de rechtbank of een daartoe aangewezen lid van de rechtbank;

    3. na de instelling van hoger beroep tegen het eindvonnis door het gerechtshof of een daartoe aangewezen lid van het gerechtshof.

  3. Van het verhoor wordt, ook indien dit door een daartoe aangewezen lid van de rechtbank of van het gerechtshof wordt afgenomen, met overeenkomstige toepassing van artikel 2.10.10 proces-verbaal opgemaakt.

  4. In het geval bedoeld in het tweede lid, onderdeel a of c, wordt de verdachte bij gelegenheid van het verhoor erop gewezen dat hij de rechter-commissaris of de raadsheer-commissaris kan verzoeken onderzoek te verrichten.

Artikel 2.5.24

  1. Bevelen tot voorlopige hechtenis en tot verlenging of opheffing daarvan en bevelen tot schorsing en tot wijziging of opheffing daarvan zijn dadelijk uitvoerbaar.

  2. Een bevel tot voorlopige hechtenis gaat in op het moment waarop de verdachte voor de tenuitvoerlegging van dat bevel wordt aangehouden dan wel op het tijdstip waarop de tenuitvoerlegging van een ander bevel tot vrijheidsbeneming, in dezelfde zaak gegeven, eindigt.

  3. De termijn gedurende welke een bevel tot voorlopige hechtenis van kracht is, loopt niet gedurende de tijd dat de tenuitvoerlegging van het bevel is geschorst op grond van Afdeling 5.4.3, de verdachte zich aan de verdere tenuitvoerlegging van het bevel heeft onttrokken of de verdachte uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Ondergaat de verdachte op het tijdstip dat het bevel tot voorlopige hechtenis wordt gegeven een vrijheidsstraf, dan wordt de tenuitvoerlegging van de straf van rechtswege geschorst zolang het bevel van kracht is. De in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd wordt in dat geval zoveel mogelijk in mindering gebracht op die straf.

Artikel 2.5.25

In geval van voorlopige hechtenis is artikel 2.5.16 in eerste aanleg van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.5.26

  1. Een bevel tot voorlopige hechtenis kan worden gegeven in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

  2. Een bevel tot voorlopige hechtenis kan ook worden gegeven in het geval waarin geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland van de verdachte kan worden vastgesteld en hij wordt verdacht van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld.

Artikel 2.5.27

  1. Een bevel tot voorlopige hechtenis kan alleen worden gegeven indien dit bevel strikt noodzakelijk is, gelet op de gedragingen, feiten of omstandigheden, waaronder de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, en:

    1. indien sprake is van een ernstig gevaar voor vlucht, wat blijkt uit gedragingen van de verdachte, of uit hem persoonlijk betreffende omstandigheden;

    2. indien sprake is van een direct gevaar dat de verdachte het onderzoek zal frustreren;

    3. indien sprake is van een direct gevaar dat de vrijlating van de verdachte, die wordt verdacht van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld, tot een ernstige verstoring van de openbare orde zal leiden;

    4. indien ernstig ermee rekening moet worden gehouden, dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld of waardoor de staatsveiligheid of de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht, dan wel algemeen gevaar voor goederen kan ontstaan;

    5. indien er sprake is van verdenking van een misdrijf als omschreven in de artikelen 285, 300, 310, 311, 321, 322, 323a, 326, 326a, 326e, 350, 416, 417bis, 420bis of 420quater van het Wetboek van Strafrecht, terwijl nog geen vijf jaar zijn verlopen sinds de dag waarop de verdachte voor een van deze misdrijven onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld dan wel bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd en er daarnaast ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een van die misdrijven zal begaan;

    6. indien sprake is van verdenking van een misdrijf als omschreven in de artikelen 141, 157, 285, 300 tot en met 303 of 350 van het Wetboek van Strafrecht, begaan op een voor het publiek toegankelijke plaats, dan wel gericht tegen personen met een publieke taak, waardoor maatschappelijke onrust is ontstaan en de berechting van het misdrijf uiterlijk binnen een termijn van zeventien dagen en achttien uur na aanhouding van de verdachte zal plaatsvinden.

  2. Onder onherroepelijke veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, wordt mede verstaan een onherroepelijke veroordeling door een strafrechter in een andere lidstaat van de Europese Unie wegens soortgelijke feiten.

  3. Onder personen met een publieke taak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, zijn begrepen personen die ten behoeve van het publiek en in het algemeen belang een hulpverlenende of dienstverlenende taak vervullen.

Artikel 2.5.28

Een bevel tot voorlopige hechtenis kan ook worden gegeven of verlengd op de grond dat in het eindvonnis of in het eindarrest een vrijheidsbenemende maatregel is of wordt opgelegd of een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel de duur van de door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd overtreft.

Artikel 2.5.29

  1. Een bevel tot voorlopige hechtenis kan alleen worden gegeven indien uit feiten of omstandigheden blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte.

  2. In afwijking van het eerste lid zijn bij verdenking van een terroristisch misdrijf ernstige bezwaren niet vereist voor een bevel tot bewaring. Bij verdenking van een misdrijf als omschreven in de artikelen 114b, 120b, 140a, 176b, 289a, 304b of 415b van het Wetboek van Strafrecht kan tevens een bevel tot gevangenhouding van de verdachte worden gegeven voor een duur van telkens ten hoogste tien dagen zonder dat ten aanzien van de verdachte ernstige bezwaren bestaan, waarbij de duur van de bevelen tot gevangenhouding zonder ernstige bezwaren tezamen een periode van een maand niet te boven gaat.

Artikel 2.5.30

Een bevel tot voorlopige hechtenis blijft achterwege, wanneer ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel zal worden opgelegd, dan wel dat hem bij tenuitvoerlegging van het bevel langer zijn vrijheid ontnomen zou blijven dan de duur van de straf of maatregel.

Artikel 2.5.31

Indien de rechter met inachtneming van de bepalingen van deze afdeling de voorlopige hechtenis van de verdachte beveelt, gaat hij na of de tenuitvoerlegging van dit bevel, hetzij onmiddellijk, hetzij na een bepaald tijdsverloop, kan worden geschorst.

Artikel 2.5.32

  1. De rechter die bevoegd is de voorlopige hechtenis te bevelen, te verlengen of op te heffen, kan ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de verdachte bevelen dat de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis zal worden geschorst, zodra de verdachte zich bereid heeft verklaard tot naleving van de aan de schorsing te verbinden voorwaarden.

  2. In de gevallen waarin verlof kan worden verleend op grond van het bepaalde bij of krachtens de Penitentiaire beginselenwet, blijft deze afdeling buiten toepassing.

Artikel 2.5.33

  1. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zijn van rechtswege de voorwaarden verbonden dat:

    1. de verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

    2. de verdachte, indien de opheffing van de schorsing wordt bevolen, zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis zal onttrekken;

    3. de verdachte, indien hij wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, wordt veroordeeld tot een vrijheidsstraf, vervangende vrijheidsstraf daaronder niet begrepen, of tot een maatregel die vrijheidsbeneming meebrengt, zich niet aan de tenuitvoerlegging daarvan zal onttrekken; en

    4. de verdachte, voor zover aan de schorsing voorwaarden als bedoeld in het tweede lid zijn verbonden, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

  2. De aan de schorsing te verbinden voorwaarden kunnen verder inhouden:

    1. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen;

    2. een verbod zich op of in de directe omgeving van een bepaalde locatie te bevinden;

    3. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;

    4. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;

    5. de beperking van het recht om Nederland te verlaten of de verplichting het paspoort of ander reisdocument in te leveren;

    6. een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

    7. het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

    8. een verplichting zich onder behandeling te stellen van een deskundige of zorginstelling;

    9. opneming van de verdachte in een zorginstelling;

    10. het gehoor geven aan oproepingen of het verschijnen op de terechtzitting; of

    11. andere voorwaarden die verband houden met de gronden waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen.

  3. De rechter kan met het oog op de naleving van de voorwaarden de toepassing van elektronisch toezicht of zekerheidstelling bevelen. De rechter bepaalt in zijn beslissing het bedrag waarvoor en de wijze waarop de zekerheid moet worden gesteld.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de uitvoering van het derde lid die in elk geval de wijze van zekerheidstelling betreffen.

Artikel 2.5.34

  1. De rechter kan ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de verdachte, het bevel tot schorsing wijzigen.

  2. Onverminderd artikel 2.5.57, eerste lid, kan de rechter ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie de opheffing van de schorsing bevelen, ook indien de verdachte de voorwaarden naleeft.

  3. Bij de opheffing van de schorsing kan, indien de verdachte de voorwaarden niet heeft nageleefd, de zekerheid geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard aan de Staat.

  4. Indien de verdachte zich na de opheffing van de schorsing aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis onttrekt, kan, indien dit nog niet is gebeurd, de zekerheid vervallen worden verklaard aan de Staat. De zekerheid wordt eveneens, ook zonder dat de opheffing van de schorsing is bevolen, vervallen verklaard aan de Staat, indien de verdachte de voorwaarde bedoeld in artikel 2.5.33, eerste lid, onderdeel c, niet nakomt. De beslissing wordt door de rechter ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie genomen.

Artikel 2.5.35

  1. Het openbaar ministerie kan, indien het opheffing van de schorsing noodzakelijk acht, de aanhouding van de verdachte bevelen indien deze de voorwaarden niet naleeft, of indien uit bepaalde omstandigheden blijkt van het bestaan van gevaar voor vlucht.

  2. Indien het openbaar ministerie na de aanhouding van de verdachte de opheffing van de schorsing noodzakelijk blijft achten, dient het direct een vordering tot opheffing van de schorsing bij de rechter in, die binnen twee dagen daarna beslist.

Artikel 2.5.36

  1. Indien de rechter de voorlopige hechtenis opheft, beveelt hij tevens dat de zekerheid zal worden teruggegeven.

  2. Indien het voortduren van de zekerheid niet langer noodzakelijk is, beveelt de rechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de verdachte of de gewezen verdachte dat de zekerheid zal worden teruggegeven. Nadat het eindvonnis of het eindarrest onherroepelijk is geworden, wordt deze beslissing gegeven door de rechter die het eindvonnis of eindarrest heeft gewezen.

Artikel 2.5.37

  1. Indien de rechter-commissaris een beslissing ingevolge deze afdeling neemt, hoort hij zo mogelijk de verdachte. Hij kan daartoe zijn oproeping en zo nodig zijn medebrenging bevelen.

  2. De verdachte kan zich bij zijn verhoor door de rechter-commissaris laten bijstaan door een raadsman. De raadsman wordt bij het verhoor in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken.

Artikel 2.5.38

  1. De rechtbank en, nadat hoger beroep tegen het eindvonnis is ingesteld, het gerechtshof kunnen, onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.5.49, 2.5.50, 2.5.55 en 2.5.57, op elk moment het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen, ambtshalve of op verzoek van de verdachte, dan wel, voor zover het een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding betreft, mede op voordracht van de rechter-commissaris of op vordering van het openbaar ministerie.

  2. De rechter kan ervan afzien de verdachte die anders dan voor de eerste maal opheffing verzoekt, te horen en daartoe op te roepen.

  3. In afwachting van de beslissing van de rechter op een verzoek, een voordracht of een vordering tot het opheffen van een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding, kan het openbaar ministerie de invrijheidstelling van de verdachte bevelen. Beslist de rechter afwijzend, dan wordt het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding direct verder tenuitvoergelegd.

Artikel 2.5.39

  1. Bij beslissingen van de raadkamer tot onbevoegdverklaring en tot buitenvervolgingstelling wordt het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

  2. Indien de onbevoegdverklaring wordt gegeven naar aanleiding van een op grond van artikel 3.2.1 ingediend bezwaarschrift is artikel 2.5.50 van overeenkomstige toepassing.

  3. In andere gevallen van onbevoegdverklaring kan de rechter, indien naar zijn mening een andere rechter wel bevoegd is het strafbare feit te berechten, bepalen dat het bevel nog voor een door hem te bepalen termijn van ten hoogste een maand na het onherroepelijk worden van zijn beslissing van kracht zal blijven. De officier van justitie kan in dat geval een vordering tot bewaring indienen bij de rechter-commissaris in een door hem bevoegd geachte rechtbank.

Artikel 2.5.40

In geval de officier van justitie de verdachte ervan in kennis stelt dat hij hem niet zal vervolgen voor een feit waarvoor voorlopige hechtenis is bevolen, wordt dat bevel van rechtswege opgeheven en wordt daarvan in de kennisgeving melding gemaakt. De kennisgeving wordt aan de verdachte betekend.

Artikel 2.5.41

Het bevel tot voorlopige hechtenis wordt van rechtswege opgeheven op het moment waarop het eindvonnis of het eindarrest onherroepelijk wordt.

Artikel 2.5.42

  1. De rechter-commissaris kan op vordering van de officier van justitie de bewaring van de verdachte bevelen.

  2. De officier van justitie stelt de raadsman van de verdachte direct van de vordering tot bewaring in kennis.

  3. Alvorens te beslissen, hoort de rechter-commissaris de verdachte over de vordering, tenzij hij meteen al van oordeel is dat de vordering moet worden afgewezen of het voorafgaand horen van de verdachte niet kan worden afgewacht.

  4. De rechter-commissaris kan ten behoeve van het horen de oproeping en zo nodig de medebrenging van de verdachte bevelen.

  5. De verdachte kan zich bij het horen laten bijstaan door een raadsman die in de gelegenheid wordt gesteld opmerkingen te maken.

Artikel 2.5.43

  1. Het bevel tot bewaring is van kracht gedurende een door de rechter-commissaris te bepalen termijn van ten hoogste twee weken.

  2. Zodra de rechter-commissaris of de officier van justitie van oordeel is dat de gronden voor de bewaring zijn vervallen, beveelt hij de invrijheidstelling van de verdachte.

Artikel 2.5.44

  1. De rechtbank kan op vordering van de officier van justitie de gevangenhouding bevelen van de verdachte die zich in bewaring bevindt. De verdachte wordt voorafgaand aan het bevel gehoord. De rechtbank kan daarvan alleen afzien indien de verdachte schriftelijk heeft verklaard afstand te doen van het recht te worden gehoord.

  2. De rechtbank kan ambtshalve of op vordering van de officier van justitie na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting de gevangenneming van de verdachte bevelen. De rechtbank kan ervan afzien de verdachte vooraf te horen en daartoe op te roepen.

  3. De rechtbank kan eveneens de gevangenneming van de verdachte bevelen indien dit nodig is om zijn uitlevering te verkrijgen.

Artikel 2.5.45

  1. Het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is van kracht gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn van ten hoogste drie maanden, die ingaat op het tijdstip van de tenuitvoerlegging.

  2. Wanneer het bevel is gegeven op de terechtzitting, dan wel binnen de krachtens het eerste lid bepaalde termijn het onderzoek op de terechtzitting is aangevangen, blijft het bevel van kracht totdat twee maanden na de dag van het eindvonnis zijn verstreken.

  3. De termijn gedurende welke het bevel van kracht is, kan door de rechtbank op vordering van de officier van justitie vóór de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting telkens worden verlengd met periodes van ten hoogste drie maanden.

  4. Op bevelen tot verlenging is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.5.46

  1. Wanneer de geldigheidsduur van het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming is verstreken, kan de officier van justitie ook vóór de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting zo spoedig mogelijk de gevangenneming van de nog niet in vrijheid gestelde verdachte vorderen, indien:

    1. de officier van justitie heeft verzuimd tijdig de vordering tot verlenging in te dienen;

    2. de voorwaarden voor toepassing van voorlopige hechtenis nog bestaan; en

    3. het bevel tot voorlopige hechtenis was gegeven wegens verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld.

  2. De rechtbank beslist op de vordering binnen een dag na de indiening daarvan. De verdachte wordt gehoord. De verdachte wordt in afwachting van de beslissing op de vordering tot gevangenneming niet in vrijheid gesteld.

Artikel 2.5.47

  1. Indien de officier van justitie voornemens is vervolging in te stellen voor nog een ander feit dan in het bevel tot voorlopige hechtenis is omschreven ofwel voor een feit dat met het in dat bevel omschreven feit samenhangt en daarvoor in de plaats komt, kan hij vorderen dat de voorlopige hechtenis ook of alleen voor dat andere feit wordt bevolen.

  2. Indien de vordering wordt toegewezen, wordt voorzien in een aangepaste omschrijving van het feit die beantwoordt aan het bepaalde in artikel 2.5.21, tweede lid.

  3. Na het indienen van de procesinleiding worden geen andere feiten in de omschrijving opgenomen.

  4. Indien de verdachte niet voorafgaand aan de toewijzing van de vordering kon worden gehoord, wordt hij direct na de beslissing gehoord op de wijze voorzien in artikel 2.5.23, tweede en derde lid.

Artikel 2.5.48

Indien binnen de termijn gedurende welke het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming van kracht is, een bezwaarschrift op grond van artikel 3.2.1 is ingediend, blijft dat bevel van kracht totdat een maand is verstreken na de dag waarop onherroepelijk op het bezwaarschrift is beslist. Indien het onderzoek op de terechtzitting binnen deze termijn aanvangt, blijft het bevel van kracht totdat twee maanden na de dag van het eindvonnis zijn verstreken.

Artikel 2.5.49

  1. De rechtbank heft het bevel tot voorlopige hechtenis op indien zij voor het feit waarvoor voorlopige hechtenis is bevolen, aan de verdachte geen onvoorwaardelijke of gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf oplegt van langere duur dan de al door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, en evenmin een maatregel oplegt die vrijheidsbeneming meebrengt.

  2. Indien de rechtbank voor het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, een vrijheidsstraf oplegt waarvan het onvoorwaardelijke deel de duur van de al ondergane voorlopige hechtenis met minder dan twee maanden overtreft en geen maatregel oplegt die vrijheidsbeneming meebrengt, heft zij het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de straf.

  3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan de rechtbank ervan afzien het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen indien de tenuitvoerlegging van dat bevel is geschorst of door de rechtbank wordt geschorst en de rechtbank een geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf oplegt, waaraan bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 14c, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verbonden, geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke jeugddetentie oplegt, waaraan bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 77z, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verbonden, de maatregel van terbeschikkingstelling oplegt, waaraan bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verbonden, dan wel voorwaardelijk de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen oplegt, waaraan bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 77z, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verbonden. In dat geval worden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis geen andere voorwaarden verbonden dan de aan de voorwaardelijke gevangenisstraf, de voorwaardelijke jeugddetentie, de maatregel van terbeschikkingstelling, dan wel de voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen verbonden voorwaarden.

  4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een bevel tot gevangenneming dat bij eindvonnis wordt gegeven.

Artikel 2.5.50

  1. In afwijking van artikel 2.5.49, eerste lid, kan de rechtbank die de tenlastelegging nietig verklaart of zich onbevoegd verklaart om het strafbare feit te berechten, bepalen dat het bevel tot voorlopige hechtenis nog voor een door haar te bepalen termijn van ten hoogste een maand na het onherroepelijk worden van het eindvonnis van kracht zal blijven, indien dat feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld.

  2. Indien het onderzoek op de terechtzitting binnen de op grond van het eerste lid bepaalde termijn is aangevangen, blijft het bevel van kracht totdat twee maanden na de dag van het eindvonnis zijn verstreken.

Artikel 2.5.51

Na het instellen van hoger beroep tegen het eindvonnis worden de bevelen tot voorlopige hechtenis of tot verlenging daarvan gegeven door het gerechtshof.

Artikel 2.5.52

  1. Vóór de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting kan het gerechtshof, onverminderd het tweede lid, de gevangenneming alleen bevelen indien alsnog ernstige bezwaren tegen de verdachte zijn gerezen. Onder ernstige bezwaren kan tevens een veroordelend vonnis in de vorige feitelijke aanleg worden begrepen.

  2. Artikel 2.5.46 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.5.53

  1. Een bevel dat ingevolge artikel 2.5.45, tweede lid, voortduurt of dat op grond van artikel 2.5.52 is gegeven, kan vóór de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep door het gerechtshof op vordering van het openbaar ministerie worden verlengd met ten hoogste vier maanden. De geldigheidsduur van een dergelijk bevel kan tweemaal worden verlengd, met dien verstande dat de duur van het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding en de verlengingen daarvan samen een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van het eindvonnis, niet te boven gaan.

  2. Het gerechtshof kan de verlenging, bedoeld in het eerste lid, alleen bevelen indien door de rechtbank een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming meebrengt dan wel een vrijheidsstraf is opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke deel van ten minste even lange duur is als de door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd na verlenging.

  3. Indien de verlenging van het bevel op grond van het tweede lid is uitgesloten en door de rechtbank een gedeeltelijk voorwaardelijke vrijheidsstraf als bedoeld in artikel 2.5.49, derde lid, is opgelegd waaraan bijzondere voorwaarden zijn verbonden dan wel een vrijheidsstraf als bedoeld in artikel 2.5.49, derde lid, is opgelegd, in combinatie met de maatregel van terbeschikkingstelling, waaraan bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verbonden, of de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, waaraan bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 77z, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verbonden kan het gerechtshof de tenuitvoerlegging van het bevel schorsen met ingang van het tijdstip waarop de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijke deel van de vrijheidsstraf. In dat geval blijft het bevel van kracht en worden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis geen andere voorwaarden verbonden dan de aan de voorwaardelijke vrijheidsstraf dan wel de maatregel van ter beschikking stelling of de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen verbonden voorwaarden.

  4. In afwijking van het tweede lid kan een bevel dat ingevolge artikel 2.5.50, eerste lid, voortduurt worden verlengd indien beroep is ingesteld tegen een eindvonnis, houdende onbevoegdverklaring of nietigverklaring.

Artikel 2.5.54

Het bevel tot voorlopige hechtenis of tot verlenging daarvan blijft van kracht indien het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep aanvangt voor het einde van de voor dat bevel geldende termijn. Hetzelfde geldt voor een bevel tot gevangenneming dat door het gerechtshof op de terechtzitting is gegeven.

Artikel 2.5.55

  1. Afdeling 5.4.7 is van overeenkomstige toepassing op het eindarrest, met uitzondering van artikel 2.5.49, tweede lid.

  2. Het gerechtshof heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, tenzij een maatregel die vrijheidsbeneming meebrengt, is opgelegd.

  3. Indien het gerechtshof de zaak overeenkomstig artikel 5.4.28 terugwijst naar de rechtbank, kan het bepalen dat het bevel tot voorlopige hechtenis nog voor een door hem te bepalen termijn van ten hoogste een maand na zijn beslissing van kracht blijft. Indien binnen deze termijn het onderzoek op de terechtzitting is aangevangen, blijft het bevel van kracht totdat twee maanden na de dag van het eindvonnis zijn verstreken.

Artikel 2.5.56

  1. Het bevel tot voorlopige hechtenis blijft van kracht totdat het eindarrest onherroepelijk is geworden.

  2. Indien de Hoge Raad de zaak terugwijst of verwijst, blijft het bevel tot voorlopige hechtenis gedurende een maand daarna van kracht. Indien binnen deze termijn het onderzoek op de terechtzitting is aangevangen, blijft het bevel van kracht totdat twee maanden na de dag van het eindarrest zijn verstreken.

  3. Dit artikel laat artikel 2.5.55, tweede lid, onverlet.

Artikel 2.5.57

  1. Het gerechtshof kan de schorsing van de voorlopige hechtenis op grond van artikel 2.5.49, derde lid, of artikel 2.5.53, derde lid, alleen opheffen indien een daaraan verbonden voorwaarde niet is nageleefd, tenzij het gerechtshof tevens het bevel tot voorlopige hechtenis opheft. Het niet naleven van de voorwaarde vormt een zelfstandige grond voor de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij tussenarrest of eindarrest.

  3. Indien de schorsing van de voorlopige hechtenis door het gerechtshof voor de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep is opgeheven, mag de duur van de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis na die opheffing de duur van het voorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf niet overtreffen, tenzij het onderzoek op de terechtzitting eerder aanvangt.

  4. Indien de schorsing van de voorlopige hechtenis door het gerechtshof na het eindarrest is opgeheven, heft het gerechtshof het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de tenuitvoerlegging van dat bevel gelijk wordt aan de duur van het voorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Artikel 2.5.58

De verdachte kan tegen het bevel tot het opleggen van de maatregelen, bedoeld in artikel 2.5.16, eerste lid, onderdeel a, een bezwaarschrift indienen bij de rechter-commissaris. In geval van voorlopige hechtenis wordt het bezwaarschrift ingediend bij de rechter-commissaris die de bewaring heeft bevolen dan wel de rechtbank die de gevangenhouding of gevangenneming heeft bevolen.

Artikel 2.5.59

  1. Tegen een bevel van de rechter-commissaris tot directe invrijheidstelling als bedoeld in artikel 2.5.17, vijfde lid, staat voor de officier van justitie binnen twee weken daarna beroep open bij de rechtbank.

  2. In afwijking van artikel 1.2.18, tweede lid, kan van het horen van de verdachte worden afgezien indien de rechtbank meteen al tot afwijzing van het beroep beslist.

  3. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk.

Artikel 2.5.60

  1. Indien de rechter-commissaris een vordering tot bewaring niet toewijst, kan de officier van justitie tegen die beslissing binnen twee weken beroep instellen bij de rechtbank.

  2. Indien de rechtbank een vordering tot gevangenhouding of gevangenneming of tot verlenging daarvan niet toewijst, kan de officier van justitie tegen die beslissing binnen twee weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof. Hetzelfde geldt als een vordering als bedoeld in artikel 2.5.47 niet wordt toegewezen.

  3. Indien een vordering tot opheffing of wijziging van de schorsing van de voorlopige hechtenis niet wordt toegewezen door de rechter-commissaris of de rechtbank, kan de officier van justitie tegen die beslissing binnen twee weken beroep instellen bij de rechtbank respectievelijk hoger beroep bij het gerechtshof.

Artikel 2.5.61

  1. Indien de rechter-commissaris of de rechtbank anders dan op vordering van de officier van justitie de schorsing van de voorlopige hechtenis beveelt of een bevel tot schorsing wijzigt, kan de officier van justitie tegen die beslissing binnen twee weken beroep instellen bij de rechtbank respectievelijk hoger beroep bij het gerechtshof.

  2. Indien de rechtbank anders dan op vordering van de officier van justitie het bevel tot voorlopige hechtenis opheft, kan de officier van justitie tegen die beslissing binnen twee weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof.

  3. Indien de rechter-commissaris de invrijheidstelling van de verdachte beveelt, kan de officier van justitie tegen die beslissing binnen twee weken beroep instellen bij de rechtbank.

Artikel 2.5.62

  1. Uiterlijk drie dagen na de tenuitvoerlegging kan de verdachte tegen een bevel van de rechtbank tot gevangenneming of gevangenhouding hoger beroep instellen bij het gerechtshof.

  2. De verdachte kan hoger beroep instellen tegen een bevel van de rechtbank tot verlenging van de voorlopige hechtenis, maar alleen wanneer door hem geen hoger beroep werd ingesteld tegen het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding en ook niet tegen een eerder bevel tot verlenging. Deze beperking is niet van toepassing indien bij de verlenging van het bevel tot voorlopige hechtenis het in het bevel omschreven feit is aangevuld of gewijzigd overeenkomstig artikel 2.5.47. Het hoger beroep wordt binnen drie dagen na de betekening van het bevel ingesteld.

  3. Uiterlijk drie dagen na de beslissing van de rechtbank, bedoeld in artikel 2.5.50, eerste lid, kan de verdachte daartegen hoger beroep instellen bij het gerechtshof.

Artikel 2.5.63

  1. De verdachte die aan de rechtbank om opheffing van de voorlopige hechtenis heeft verzocht, kan eenmaal tegen een afwijzende beslissing op dat verzoek hoger beroep instellen bij het gerechtshof. Hij kan eveneens eenmaal hoger beroep instellen bij het gerechtshof tegen een afwijzende beslissing van de rechtbank op een verzoek om schorsing van de voorlopige hechtenis.

  2. Het hoger beroep wordt telkens binnen drie dagen na de betekening van de beslissing ingesteld.

Artikel 2.5.64

  1. De rechtbank en het gerechtshof die over een op grond van deze afdeling ingesteld beroep of hoger beroep oordelen, zijn bevoegd om de voorlopige hechtenis op te heffen of te schorsen en om een bevel tot schorsing op te heffen of te wijzigen.

  2. De rechtbank respectievelijk het gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk op het beroep of het hoger beroep.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering