Nieuw Wetboek van Strafvordering Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 18-03-2026.

Inhoud
Boek 1 Strafvordering in het algemeen
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen en definities
Hoofdstuk 2 De behandeling van zaken door de rechter
Hoofdstuk 3 Vervolging en opsporing van strafbare feiten
Hoofdstuk 4 De verdachte en zijn raadsman
Hoofdstuk 5 Het slachtoffer
Hoofdstuk 6 De getuige
Titel 6.1 Algemene bepalingen met betrekking tot het verhoor van de getuige
Titel 6.2 Verschoningsrechten
Titel 6.3 Verschoningsplichten
Titel 6.4 Bepalingen met betrekking tot de minderjarige getuige
Titel 6.5 Leden van het Koninklijk Huis
Titel 6.6 Maatregelen tot bescherming van getuigen
Hoofdstuk 7 De deskundige
Hoofdstuk 8 De processtukken
Hoofdstuk 9 Overdracht van berichten en het indienen van stukken
Hoofdstuk 11 Enige algemene voorzieningen
Boek 2 Het opsporingsonderzoek
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Titel 1.1 Definities
Titel 1.2 Algemene bepalingen over de uitoefening van bevoegdheden in het kader van het opsporingsonderzoek
Titel 1.3 Algemene bevoegdheid
Titel 1.4 Verslaglegging door opsporingsambtenaren
Titel 1.5 Vastlegging van bevelen en van machtigingen en vorderingen daartoe
Titel 1.6 Toestemming voor onderzoekshandelingen
Hoofdstuk 2 De aangifte
Hoofdstuk 3 Het verhoor door opsporingsambtenaren
Hoofdstuk 4 Deskundigenonderzoek in opdracht van de officier van justitie
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming
Titel 5.1 Algemene bepalingen
Titel 5.2 Staandehouding en aanhouding
Titel 5.3 Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.1 Ophouden voor onderzoek
Afdeling 5.3.2 Inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.3 Maatregelen ten aanzien van de voor onderzoek opgehouden of in verzekering gestelde verdachte
Afdeling 5.3.4 Voorgeleiding aan de rechter-commissaris
Titel 5.4 Voorlopige hechtenis
Titel 5.5 Rechtsmiddelen
Afdeling 5.5.1 Bezwaar tegen het opleggen van maatregelen
Afdeling 5.5.2 Beroep tegen de directe invrijheidstelling van de verdachte
Afdeling 5.5.3 Beroep tegen beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis
Hoofdstuk 6 Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam
Titel 6.1 Algemene bepalingen
Titel 6.2 Onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen
Titel 6.3 Onderzoek aan het lichaam
Titel 6.4 Onderzoek in het lichaam
Titel 6.5 Overige onderzoeken met betrekking tot het lichaam
Afdeling 6.5.1 Het nemen van vingerafdrukken en gezichtsopnamen ter identiteitsvaststelling
Afdeling 6.5.2 Onderzoek naar gebruik van geweldbevorderende middelen
Afdeling 6.5.3 Het maken van beeldopnamen, het opmeten van lichaamsmaten en het nemen van lichaamsafdrukken, -haar en -materiaal
Afdeling 6.5.4 Onderzoek ten aanzien van fysieke eigenschappen
Afdeling 6.5.5 Het houden van een confrontatie
Afdeling 6.5.6 DNA-onderzoek
Afdeling 6.5.7 Onderzoek naar een ernstige besmettelijke ziekte
Titel 6.6 Onderzoek met betrekking tot het lichaam van een overleden verdachte of slachtoffer
Titel 6.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 6.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 7 Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 7.1 Algemene bepalingen
Titel 7.2 Inbeslagneming van voorwerpen
Titel 7.3 Onderzoek van gegevens
Titel 7.4 Ontoegankelijkmaking van gegevens
Titel 7.5 Uitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht
Titel 7.6 Onderzoek ter plaatse
Titel 7.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 7.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 8 Heimelijke bevoegdheden
Titel 8.1 Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 8.1.2 Kennisgeving aan betrokkene
Afdeling 8.1.3 Voeging gegevens functioneel verschoningsgerechtigden
Afdeling 8.1.4 Technische hulpmiddelen
Afdeling 8.1.5 Verplichting tot inbeslagneming
Afdeling 8.1.6 Uitstel melding onbekende kwetsbaarheden
Titel 8.2 De bevoegdheden
Afdeling 8.2.1 Stelselmatige observatie
Afdeling 8.2.2 Stelselmatig overnemen persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen
Afdeling 8.2.3 Bevoegdheden ten aanzien van een besloten plaats
Afdeling 8.2.4 Pseudo-koop of -dienstverlening
Afdeling 8.2.5 Stelselmatige inwinning van informatie
Afdeling 8.2.6 Infiltratie
Afdeling 8.2.7 Vastleggen communicatie die plaatsvindt door middel van een aanbieder van een communicatiedienst
Afdeling 8.2.8 Vastleggen vertrouwelijke communicatie
Afdeling 8.2.9 Toegang op afstand tot een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk
Afdeling 8.2.10 Stelselmatige locatiebepaling
Titel 8.3 Bijstand door burgers bij de uitoefening van heimelijke bevoegdheden
Titel 8.4 Personen in de openbare dienst van een vreemde staat
Titel 8.5 Maatregelen in het belang van de veiligheid
Titel 8.6 Vermoeden georganiseerd verband en aanwijzingen terroristisch misdrijf
Titel 8.7 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 9 Het verkennend onderzoek
Hoofdstuk 10 Onderzoek door de rechter-commissaris
Titel 10.1 Algemene bepalingen
Titel 10.2 Bevoegdheden met betrekking tot de verdachte
Titel 10.3 Het verhoor van de getuige
Titel 10.4 De benoeming en het verhoor van een deskundige
Titel 10.5 Getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan
Titel 10.6 Voortgangsbewaking door de rechter-commissaris
Titel 10.7 Beëindiging van het onderzoek
Titel 10.8 Rechtsmiddelen
Boek 3 Beslissingen over vervolging
Hoofdstuk 1 Algemeen
Hoofdstuk 2 Bezwaarschrift tegen de procesinleiding
Hoofdstuk 3 De strafbeschikking
Titel 3.1 Inhoud van de strafbeschikking
Titel 3.2 Uitvaardigen van de strafbeschikking door opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak belast
Titel 3.3 Waarborgen bij het uitvaardigen van de strafbeschikking
Titel 3.4 Uitreiken en toezenden van de strafbeschikking
Titel 3.5 Intrekken en wijzigen van de strafbeschikking
Titel 3.6 Openbaarheid van de strafbeschikking
Hoofdstuk 4 Het achterwege laten van vervolging
Hoofdstuk 5 Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten
Hoofdstuk 6 Rechtsmiddelen
Boek 4 Berechting
Hoofdstuk 1 Het aanbrengen van de zaak ter berechting
Hoofdstuk 2 Het onderzoek op de terechtzitting
Titel 2.1 Algemene bepalingen
Titel 2.2 De aanvang van het onderzoek
Titel 2.3 De omvang van het onderzoek
Titel 2.4 Het onderzoek van de zaak zelf
Titel 2.5 De verslaglegging van het onderzoek op de terechtzitting
Hoofdstuk 3 De beraadslaging, de uitspraak en het eindvonnis
Hoofdstuk 4 De behandeling van met de berechting verbonden vorderingen
Hoofdstuk 5 De enkelvoudige kamer
Hoofdstuk 6 Herstelbeslissingen
Boek 5 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Het instellen en indienen, intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen
Titel 2.1 Instellen en indienen
Titel 2.2 Intrekken en afstand doen
Titel 2.3 Informatieverschaffing over ingestelde en ingediende gewone rechtsmiddelen
Hoofdstuk 3 Verzet tegen strafbeschikkingen
Hoofdstuk 4 Hoger beroep tegen vonnissen
Hoofdstuk 5 Beroep in cassatie tegen arresten
Titel 5.1 Beroep in cassatie tegen eindarresten en tussenarresten
Titel 5.2 Beroep in cassatie in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 5.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 5.2.2 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.3 Herstelarresten
Hoofdstuk 6 Gewone rechtsmiddelen tegen andere beslissingen
Titel 6.1 Bezwaarschriften en klaagschriften
Titel 6.2 Beroep tegen beslissingen van de rechter-commissaris
Titel 6.3 Hoger beroep en beroep in cassatie tegen beslissingen van de raadkamer
Hoofdstuk 7 Cassatie in het belang van de wet
Hoofdstuk 8 Herziening van arresten en vonnissen
Boek 6 Bijzondere regelingen
Hoofdstuk 1 Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte
Titel 1.1 Jeugdigen en jongvolwassenen
Afdeling 1.1.1 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.2 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.3 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.4 De raad voor de kinderbescherming
Afdeling 1.1.5 De betrokkenheid van de ouder of een persoon naar keuze
Afdeling 1.1.6 Vordering van de benadeelde partij
Titel 1.2 Verdachten die door een beperking of een ziekte onvoldoende in staat zijn aan het proces tegen hen deel te nemen
Titel 1.3 Rechtspersonen
Titel 1.4 Rechterlijke ambtenaren
Hoofdstuk 2 Procesincidenten
Hoofdstuk 4 Bijzondere procedures
Titel 4.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.2 Afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.3 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden van bijzondere aard
Titel 5.1 Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast
Titel 5.2 Bevoegdheden bij het ontruimen van een gekraakt pand
Titel 5.3 Bevoegdheden tot het betreden van plaatsen in verband met bepaalde misdrijven
Titel 5.4 Bevoegdheden in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf
Titel 5.5 Bevoegdheden in verband met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.6 Bevoegdheden tot vastlegging en raadpleging van kentekengegevens
Titel 5.7 Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren
Hoofdstuk 6 Schadevergoeding en kosten
Boek 9 Slotbepalingen

Titel 10.1

Algemene bepalingen

Artikel 2.10.1

  1. De officier van justitie kan vorderen dat de rechter-commissaris onderzoek verricht door:

    1. bevoegdheden uit te oefenen die hem in de Titels 10.1 tot en met 10.4 zijn toegekend; en

    2. bevoegdheden uit te oefenen die hem in de Titels 6.7 en 7.7 zijn toegekend.

  2. De vordering bevat een omschrijving van het strafbare feit waarop het onderzoek betrekking dient te hebben en van het gewenste onderzoek. De vordering vermeldt de verdachte indien deze bekend is.

  3. De rechter-commissaris stelt de verdachte, indien deze bekend is, in kennis van de vordering van de officier van justitie, tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet.

Artikel 2.10.2

  1. De verdachte die is verhoord kan de rechter-commissaris verzoeken onderzoek te verrichten als bedoeld in artikel 2.10.1, eerste lid. Het verzoek vermeldt het strafbare feit waarop het onderzoek betrekking dient te hebben en het gewenste onderzoek.

  2. De rechter-commissaris stelt de officier van justitie zo spoedig mogelijk in kennis van het verzoek en stelt hem in de gelegenheid zijn standpunt daarover kenbaar te maken.

  3. De rechter-commissaris kan de verdachte horen over het verzoek. De verdachte kan zich daarbij door een raadsman doen bijstaan. De rechter-commissaris stelt de officier van justitie in kennis van de tijd en plaats van het horen. De officier van justitie kan bij het horen aanwezig zijn en de nodige opmerkingen maken.

Artikel 2.10.3

  1. De rechter-commissaris kan, zoveel mogelijk na overleg met de officier van justitie, door hem noodzakelijk geacht onderzoek als bedoeld in artikel 2.10.1, eerste lid, ambtshalve verrichten,

    1. indien de verdachte in voorlopige hechtenis is gesteld ten aanzien van het strafbare feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, of

    2. ter aanvulling op onderzoek dat de rechter-commissaris op grond van artikel 2.10.1 of 2.10.2 heeft verricht.

  2. De rechter-commissaris stelt de officier van justitie en de verdachte zo spoedig mogelijk in kennis van zijn beslissing, onder vermelding van het strafbare feit waarop het onderzoek betrekking heeft.

Artikel 2.10.4

Indien de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie of ambtshalve onderzoek verricht, kan de verdachte de rechter-commissaris verzoeken aanvullend onderzoek te doen. Artikel 2.10.2, tweede en derde lid, is van toepassing.

Artikel 2.10.5

  1. De rechter-commissaris wijst een vordering of een verzoek als bedoeld in de artikelen 2.10.1, 2.10.2 en 2.10.4 toe, voor zover het onderzoek redelijkerwijs van belang kan zijn voor de in het kader van de berechting door de rechter te nemen beslissingen.

  2. De rechter-commissaris beslist zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen twee weken. In geval van toewijzing van de vordering of het verzoek vermeldt de beslissing het strafbare feit waarop het onderzoek betrekking heeft. De rechter-commissaris kan zijn beslissing tot een nader te bepalen moment uitstellen. Hij stelt de officier van justitie en de verdachte hiervan in kennis.

  3. De rechter-commissaris verricht het onderzoek zo spoedig mogelijk. De rechter-commissaris kan beslissen dat hij het verrichten van het onderzoek uitstelt tot een nader te bepalen moment. Hij stelt de officier van justitie en de verdachte hiervan in kennis.

  4. De rechter-commissaris stelt de officier van justitie en de verdachte in kennis van de beslissing, bedoeld in het eerste lid en voegt de beslissing bij de processtukken. Kennisgeving van de beslissing op een vordering als bedoeld in artikel 2.10.1 aan de verdachte en voeging van de beslissing bij de processtukken blijft achterwege indien het belang van het onderzoek zich daartegen verzet.

Artikel 2.10.6

  1. Indien de officier van justitie een vordering indient als bedoeld in artikel 2.10.1 of door de rechter-commissaris in de gelegenheid wordt gesteld zijn standpunt kenbaar te maken over een verzoek als bedoeld in artikel 2.10.2, brengt hij een kopie van de processtukken zo spoedig mogelijk ter kennis van de rechter-commissaris.

  2. De officier van justitie stelt de rechter-commissaris uit eigen beweging of op zijn verzoek zo spoedig mogelijk in kennis van de resultaten van het opsporingsonderzoek.

Artikel 2.10.7

  1. De rechter-commissaris stelt de officier van justitie ambtshalve of op zijn verzoek in kennis van door hem verricht of te verrichten onderzoek.

  2. De rechter-commissaris stelt tevens de verdachte in kennis van door hem verricht of te verrichten onderzoek, tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet.

Artikel 2.10.8

De rechter-commissaris kan, zoveel mogelijk door tussenkomst van de officier van justitie, het doen van nasporingen opdragen en bevelen geven aan opsporingsambtenaren.

Artikel 2.10.9

  1. De rechter-commissaris kan, zoveel mogelijk door tussenkomst van de officier van justitie, bevelen dat een getuige wordt verhoord door een opsporingsambtenaar, indien zijn bijzondere deskundigheid van belang is voor het verhoor.

  2. Het bevel vermeldt de identiteit van de te verhoren getuige en het onderwerp van het verhoor.

  3. De rechter-commissaris roept de getuige op te verschijnen op een in overleg met de opsporingsambtenaar bepaalde plaats en tijd. De rechter-commissaris kan bepalen dat de oproeping wordt betekend. De getuige is verplicht voor de opsporingsambtenaar te verschijnen. Indien de getuige op een betekende oproeping niet verschijnt, kan de rechter-commissaris hem opnieuw oproepen en daarbij een bevel tot medebrenging geven.

  4. Op het verhoor is Titel 3.3 van toepassing, met dien verstande dat de rechter-commissaris beslist over toegang tot bijwoning van het verhoor. De raadsman van de verdachte, indien deze bekend is, kan het verhoor bijwonen en de vragen opgeven die hij gesteld wenst te zien.

  5. De getuige is verplicht op de door de opsporingsambtenaar gestelde vragen te antwoorden. De artikelen 1.6.5 en 1.6.6 tot en met 1.6.9 zijn van toepassing. Indien de getuige zich beroept op een verschoningsrecht, wordt het verhoor beëindigd. De opsporingsambtenaar stelt de rechter-commissaris hiervan in kennis.

  6. De opsporingsambtenaar brengt het proces-verbaal van verhoor ter kennis van de rechter-commissaris.

Artikel 2.10.10

  1. De rechter-commissaris of op zijn aanwijzing de griffier maakt een proces-verbaal op van hetgeen bij het door de rechter-commissaris verrichte onderzoek is verklaard, verricht en voorgevallen of door de rechter-commissaris is waargenomen. Daarbij worden tevens zoveel mogelijk uitdrukkelijk de redenen van wetenschap opgegeven.

  2. De rechter-commissaris doet de verklaring van de verdachte, de getuige of de deskundige in het proces-verbaal van het verhoor zoveel mogelijk in de eigen woorden opnemen. Dat geldt in het bijzonder voor verklaringen van de verdachte die een bekentenis van schuld inhouden. De verklaring wordt zo volledig mogelijk weergegeven en zo veel mogelijk in vraag- en antwoordvorm.

  3. Het proces-verbaal wordt gedagtekend en ondertekend door de rechter-commissaris en door de griffier, indien deze het proces-verbaal heeft opgemaakt.

  4. Aan de verdachte, de getuige of de deskundige wordt de gelegenheid geboden om opmerkingen te maken over de weergave van zijn verklaring in het proces-verbaal. Deze opmerkingen worden in het proces-verbaal vermeld, voor zover zij niet worden overgenomen.

  5. De verdachte, de getuige of de deskundige ondertekent zijn verklaring nadat deze hem is voorgelezen of door hem is gelezen, indien hij met de verklaring instemt. Indien ondertekening achterwege blijft, wordt de weigering of oorzaak daarvan vermeld.

  6. De rechter-commissaris kan bepalen dat het opmaken van proces-verbaal wordt uitgesteld of achterwege blijft indien het door hem verrichte onderzoek op een geluids- of beeldopname is vastgelegd. De rechter-commissaris en de griffier leggen in dit geval in een verkort proces-verbaal vast dat de opname het onderzoek behelst dat door de rechter-commissaris is verricht. Het vijfde lid is op het verkort proces-verbaal van overeenkomstige toepassing.

  7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de inhoud van een verkort proces-verbaal.

Artikel 2.10.11

  1. Vorderingen van het openbaar ministerie en verzoeken van de verdachte als bedoeld in dit hoofdstuk worden gemotiveerd.

  2. Beslissingen van de rechter-commissaris als bedoeld in dit hoofdstuk zijn gemotiveerd en worden in het proces-verbaal opgenomen voor zover zij niet afzonderlijk worden vastgelegd. In geval van afzonderlijke vastlegging van de beslissing is artikel 2.1.15, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

  3. In afwijking van het tweede lid worden bevelen van de rechter-commissaris als bedoeld in dit hoofdstuk afzonderlijk vastgelegd met uitzondering van bevelen als bedoeld in de artikelen 2.10.8, 2.10.29 en 2.10.45. Artikel 2.1.13, tweede lid, derde zin, is niet van toepassing.

Artikel 2.10.12

Voor de verdachte die geen raadsman heeft, wordt in opdracht van de rechter-commissaris door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een raadsman aangewezen, indien die raadsman bevoegd zou zijn enig verhoor bij te wonen.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering