-
De officier van justitie kan vorderen dat de rechter-commissaris onderzoek verricht door:
bevoegdheden uit te oefenen die hem in de Titels 10.1 tot en met 10.4 zijn toegekend; en
bevoegdheden uit te oefenen die hem in de Titels 6.7 en 7.7 zijn toegekend.
-
De vordering bevat een omschrijving van het strafbare feit waarop het onderzoek betrekking dient te hebben en van het gewenste onderzoek. De vordering vermeldt de verdachte indien deze bekend is.
-
De rechter-commissaris stelt de verdachte, indien deze bekend is, in kennis van de vordering van de officier van justitie, tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet.
Nieuw Wetboek van Strafvordering Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 18-03-2026.
Inhoud
Boek 1 Strafvordering in het algemeen
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen en definities
Titel 1.1 Inleidende bepalingen
Hoofdstuk 2 De behandeling van zaken door de rechter
Hoofdstuk 3 Vervolging en opsporing van strafbare feiten
Hoofdstuk 4 De verdachte en zijn raadsman
Titel 4.1 De verdachte
Titel 4.2 De raadsman
Afdeling 4.2.1 Het optreden van de raadsman
Afdeling 4.2.2 De bevoegdheden van de raadsman
Hoofdstuk 5 Het slachtoffer
Hoofdstuk 6 De getuige
Hoofdstuk 7 De deskundige
Hoofdstuk 8 De processtukken
Hoofdstuk 9 Overdracht van berichten en het indienen van stukken
Hoofdstuk 11 Enige algemene voorzieningen
Titel 11.1 Herstelrecht
Titel 11.2 Videoconferentie
Titel 11.3 De inzet van tolken
Titel 11.4 Opdrachten aan de reclassering
Titel 11.5 Verstoring van ambtsverrichtingen
Boek 2 Het opsporingsonderzoek
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Titel 1.1 Definities
Titel 1.2 Algemene bepalingen over de uitoefening van bevoegdheden in het kader van het opsporingsonderzoek
Titel 1.3 Algemene bevoegdheid
Titel 1.4 Verslaglegging door opsporingsambtenaren
Titel 1.5 Vastlegging van bevelen en van machtigingen en vorderingen daartoe
Titel 1.6 Toestemming voor onderzoekshandelingen
Hoofdstuk 2 De aangifte
Hoofdstuk 3 Het verhoor door opsporingsambtenaren
Hoofdstuk 4 Deskundigenonderzoek in opdracht van de officier van justitie
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming
Titel 5.1 Algemene bepalingen
Titel 5.2 Staandehouding en aanhouding
Titel 5.3 Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.1 Ophouden voor onderzoek
Afdeling 5.3.2 Inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.3 Maatregelen ten aanzien van de voor onderzoek opgehouden of in verzekering gestelde verdachte
Afdeling 5.3.4 Voorgeleiding aan de rechter-commissaris
Titel 5.4 Voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.1 Algemene bepalingen
Afdeling 5.4.2 Toepassingsvoorwaarden
Afdeling 5.4.3 Schorsing van de voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.4 Opheffing van de voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.5 Bewaring
Afdeling 5.4.6 Gevangenhouding en gevangenneming
Afdeling 5.4.7 Beslissingen over voorlopige hechtenis in het eindvonnis
Afdeling 5.4.8 Voorlopige hechtenis na hoger beroep tegen het eindvonnis
Titel 5.5 Rechtsmiddelen
Afdeling 5.5.1 Bezwaar tegen het opleggen van maatregelen
Afdeling 5.5.2 Beroep tegen de directe invrijheidstelling van de verdachte
Afdeling 5.5.3 Beroep tegen beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis
Hoofdstuk 6 Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam
Titel 6.1 Algemene bepalingen
Afdeling 6.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 6.1.2 Onderzoek en fase van vrijheidsbeneming
Afdeling 6.1.3 Toestemming
Afdeling 6.1.4 Delegatie
Titel 6.2 Onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen
Titel 6.3 Onderzoek aan het lichaam
Titel 6.4 Onderzoek in het lichaam
Titel 6.5 Overige onderzoeken met betrekking tot het lichaam
Afdeling 6.5.1 Het nemen van vingerafdrukken en gezichtsopnamen ter identiteitsvaststelling
Afdeling 6.5.2 Onderzoek naar gebruik van geweldbevorderende middelen
Afdeling 6.5.3 Het maken van beeldopnamen, het opmeten van lichaamsmaten en het nemen van lichaamsafdrukken, -haar en -materiaal
Afdeling 6.5.4 Onderzoek ten aanzien van fysieke eigenschappen
Afdeling 6.5.5 Het houden van een confrontatie
Afdeling 6.5.6 DNA-onderzoek
Afdeling 6.5.7 Onderzoek naar een ernstige besmettelijke ziekte
Titel 6.6 Onderzoek met betrekking tot het lichaam van een overleden verdachte of slachtoffer
Titel 6.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 6.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 7 Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 7.1 Algemene bepalingen
Titel 7.2 Inbeslagneming van voorwerpen
Afdeling 7.2.1 Algemene bepalingen
Afdeling 7.2.2 Bevoegdheden tot inbeslagneming van voorwerpen
Afdeling 7.2.3 Inbeslagneming tot bewaring van het recht tot verhaal
Afdeling 7.2.4 Teruggave en bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen
Titel 7.3 Onderzoek van gegevens
Afdeling 7.3.1 Algemene bepalingen
Afdeling 7.3.2 Bevoegdheden
Afdeling 7.3.3 Verstrekking van gegevens ten behoeve van het onderzoek
Titel 7.4 Ontoegankelijkmaking van gegevens
Titel 7.5 Uitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht
Titel 7.6 Onderzoek ter plaatse
Titel 7.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 7.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 8 Heimelijke bevoegdheden
Titel 8.1 Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 8.1.2 Kennisgeving aan betrokkene
Afdeling 8.1.3 Voeging gegevens functioneel verschoningsgerechtigden
Afdeling 8.1.4 Technische hulpmiddelen
Afdeling 8.1.5 Verplichting tot inbeslagneming
Afdeling 8.1.6 Uitstel melding onbekende kwetsbaarheden
Titel 8.2 De bevoegdheden
Afdeling 8.2.1 Stelselmatige observatie
Afdeling 8.2.2 Stelselmatig overnemen persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen
Afdeling 8.2.3 Bevoegdheden ten aanzien van een besloten plaats
Afdeling 8.2.4 Pseudo-koop of -dienstverlening
Afdeling 8.2.5 Stelselmatige inwinning van informatie
Afdeling 8.2.6 Infiltratie
Afdeling 8.2.7 Vastleggen communicatie die plaatsvindt door middel van een aanbieder van een communicatiedienst
Afdeling 8.2.8 Vastleggen vertrouwelijke communicatie
Afdeling 8.2.9 Toegang op afstand tot een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk
Afdeling 8.2.10 Stelselmatige locatiebepaling
Titel 8.3 Bijstand door burgers bij de uitoefening van heimelijke bevoegdheden
Titel 8.4 Personen in de openbare dienst van een vreemde staat
Titel 8.5 Maatregelen in het belang van de veiligheid
Titel 8.6 Vermoeden georganiseerd verband en aanwijzingen terroristisch misdrijf
Titel 8.7 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 9 Het verkennend onderzoek
Hoofdstuk 10 Onderzoek door de rechter-commissaris
Titel 10.1 Algemene bepalingen
Titel 10.2 Bevoegdheden met betrekking tot de verdachte
Afdeling 10.2.1 Het verhoor van de verdachte
Afdeling 10.2.2 Observatie van de verdachte
Titel 10.3 Het verhoor van de getuige
Titel 10.4 De benoeming en het verhoor van een deskundige
Afdeling 10.4.1 De benoeming van een deskundige
Afdeling 10.4.2 Het verhoor van een deskundige
Titel 10.5 Getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan
Titel 10.6 Voortgangsbewaking door de rechter-commissaris
Titel 10.7 Beëindiging van het onderzoek
Titel 10.8 Rechtsmiddelen
Boek 3 Beslissingen over vervolging
Hoofdstuk 2 Bezwaarschrift tegen de procesinleiding
Hoofdstuk 3 De strafbeschikking
Titel 3.1 Inhoud van de strafbeschikking
Titel 3.2 Uitvaardigen van de strafbeschikking door opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak belast
Titel 3.3 Waarborgen bij het uitvaardigen van de strafbeschikking
Titel 3.4 Uitreiken en toezenden van de strafbeschikking
Titel 3.5 Intrekken en wijzigen van de strafbeschikking
Titel 3.6 Openbaarheid van de strafbeschikking
Hoofdstuk 4 Het achterwege laten van vervolging
Titel 4.1 Het sepot
Hoofdstuk 5 Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten
Hoofdstuk 6 Rechtsmiddelen
Boek 4 Berechting
Hoofdstuk 1 Het aanbrengen van de zaak ter berechting
Hoofdstuk 2 Het onderzoek op de terechtzitting
Titel 2.1 Algemene bepalingen
Titel 2.2 De aanvang van het onderzoek
Titel 2.3 De omvang van het onderzoek
Titel 2.4 Het onderzoek van de zaak zelf
Afdeling 2.4.1 Inleidende bepalingen
Afdeling 2.4.2 Het verhoor van de verdachte
Afdeling 2.4.3 Het verhoor van de getuige
Afdeling 2.4.4 Het verhoor van de deskundige
Afdeling 2.4.5 De uitoefening van het spreekrecht
Afdeling 2.4.6 Het beslag
Afdeling 2.4.7 Nader onderzoek
Afdeling 2.4.8 De schorsing van het onderzoek
Afdeling 2.4.9 Het requisitoir en het pleidooi, repliek en dupliek
Afdeling 2.4.10 De sluiting van het onderzoek en beslissingen ten aanzien van de uitspraak
Afdeling 2.4.11 Heropening van het onderzoek
Titel 2.5 De verslaglegging van het onderzoek op de terechtzitting
Hoofdstuk 3 De beraadslaging, de uitspraak en het eindvonnis
Hoofdstuk 4 De behandeling van met de berechting verbonden vorderingen
Titel 4.1 De vordering van de benadeelde partij
Titel 4.2 De vordering tot tenuitvoerlegging
Titel 4.3 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Afdeling 4.3.2 Afzonderlijke behandeling
Afdeling 4.3.3 Voeging en afsplitsing
Afdeling 4.3.4 De ontnemingsschikking
Hoofdstuk 5 De enkelvoudige kamer
Hoofdstuk 6 Herstelbeslissingen
Boek 5 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Het instellen en indienen, intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen
Hoofdstuk 3 Verzet tegen strafbeschikkingen
Hoofdstuk 4 Hoger beroep tegen vonnissen
Titel 4.1 Hoger beroep tegen eindvonnissen en tussenvonnissen
Afdeling 4.1.1 Gevallen waarin hoger beroep openstaat
Afdeling 4.1.2 De voorbereiding van de terechtzitting
Afdeling 4.1.3 De oproeping voor de terechtzitting
Afdeling 4.1.4 Het onderzoek op de terechtzitting
Afdeling 4.1.5 De beraadslaging, de uitspraak en het eindarrest
Titel 4.2 Hoger beroep in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 4.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 4.2.2 De vordering tot tenuitvoerlegging
Afdeling 4.2.3 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 4.3 De enkelvoudige kamer
Titel 4.4 Herstelbeslissingen
Hoofdstuk 5 Beroep in cassatie tegen arresten
Titel 5.1 Beroep in cassatie tegen eindarresten en tussenarresten
Afdeling 5.1.1 Gevallen waarin beroep in cassatie openstaat
Afdeling 5.1.2 De voorbereiding van de behandeling van het beroep in cassatie
Afdeling 5.1.3 De behandeling van het beroep in cassatie
Titel 5.2 Beroep in cassatie in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 5.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 5.2.2 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.3 Herstelarresten
Hoofdstuk 6 Gewone rechtsmiddelen tegen andere beslissingen
Hoofdstuk 7 Cassatie in het belang van de wet
Hoofdstuk 8 Herziening van arresten en vonnissen
Titel 8.1 Herziening ten voordele van de gewezen verdachte
- Artikel 5.8.1
- Artikel 5.8.2
- Artikel 5.8.3
- Artikel 5.8.4
- Artikel 5.8.5
- Artikel 5.8.6
- Artikel 5.8.7
- Artikel 5.8.8
- Artikel 5.8.9
- Artikel 5.8.10
- Artikel 5.8.11
- Artikel 5.8.12
- Artikel 5.8.13
- Artikel 5.8.14
- Artikel 5.8.15
- Artikel 5.8.16
- Artikel 5.8.17
- Artikel 5.8.18
- Artikel 5.8.19
- Artikel 5.8.20
- Artikel 5.8.21
- Artikel 5.8.22
- Artikel 5.8.23
- Artikel 5.8.24
- Artikel 5.8.25
- Artikel 5.8.26
Titel 8.2 Herziening ten nadele van de gewezen verdachte
Boek 6 Bijzondere regelingen
Hoofdstuk 1 Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte
Titel 1.1 Jeugdigen en jongvolwassenen
Afdeling 1.1.1 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.2 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.3 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.4 De raad voor de kinderbescherming
Afdeling 1.1.5 De betrokkenheid van de ouder of een persoon naar keuze
Afdeling 1.1.6 Vordering van de benadeelde partij
Titel 1.2 Verdachten die door een beperking of een ziekte onvoldoende in staat zijn aan het proces tegen hen deel te nemen
Titel 1.3 Rechtspersonen
Titel 1.4 Rechterlijke ambtenaren
Hoofdstuk 2 Procesincidenten
Hoofdstuk 4 Bijzondere procedures
Titel 4.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Afdeling 4.1.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen
Afdeling 4.1.2 Beklag met betrekking tot gegevens
Afdeling 4.1.3 Behandeling van het klaagschrift
Titel 4.2 Afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.3 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden van bijzondere aard
Titel 5.1 Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast
Titel 5.2 Bevoegdheden bij het ontruimen van een gekraakt pand
Afdeling 5.2.1 Bevoegdheden
Afdeling 5.2.2 Rechtsmiddelen
Titel 5.3 Bevoegdheden tot het betreden van plaatsen in verband met bepaalde misdrijven
Titel 5.4 Bevoegdheden in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf
Titel 5.5 Bevoegdheden in verband met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Afdeling 5.5.1 Bevoegdheden
Afdeling 5.5.2 Rechtsmiddelen
Titel 5.6 Bevoegdheden tot vastlegging en raadpleging van kentekengegevens
Titel 5.7 Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren
Hoofdstuk 6 Schadevergoeding en kosten
Boek 9 Slotbepalingen
Hoofdstuk 10
Artikel 2.10.2
-
De verdachte die is verhoord kan de rechter-commissaris verzoeken onderzoek te verrichten als bedoeld in artikel 2.10.1, eerste lid. Het verzoek vermeldt het strafbare feit waarop het onderzoek betrekking dient te hebben en het gewenste onderzoek.
-
De rechter-commissaris stelt de officier van justitie zo spoedig mogelijk in kennis van het verzoek en stelt hem in de gelegenheid zijn standpunt daarover kenbaar te maken.
-
De rechter-commissaris kan de verdachte horen over het verzoek. De verdachte kan zich daarbij door een raadsman doen bijstaan. De rechter-commissaris stelt de officier van justitie in kennis van de tijd en plaats van het horen. De officier van justitie kan bij het horen aanwezig zijn en de nodige opmerkingen maken.
Artikel 2.10.3
-
De rechter-commissaris kan, zoveel mogelijk na overleg met de officier van justitie, door hem noodzakelijk geacht onderzoek als bedoeld in artikel 2.10.1, eerste lid, ambtshalve verrichten,
indien de verdachte in voorlopige hechtenis is gesteld ten aanzien van het strafbare feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, of
ter aanvulling op onderzoek dat de rechter-commissaris op grond van artikel 2.10.1 of 2.10.2 heeft verricht.
-
De rechter-commissaris stelt de officier van justitie en de verdachte zo spoedig mogelijk in kennis van zijn beslissing, onder vermelding van het strafbare feit waarop het onderzoek betrekking heeft.
Artikel 2.10.4
Indien de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie of ambtshalve onderzoek verricht, kan de verdachte de rechter-commissaris verzoeken aanvullend onderzoek te doen. Artikel 2.10.2, tweede en derde lid, is van toepassing.
Artikel 2.10.5
-
De rechter-commissaris wijst een vordering of een verzoek als bedoeld in de artikelen 2.10.1, 2.10.2 en 2.10.4 toe, voor zover het onderzoek redelijkerwijs van belang kan zijn voor de in het kader van de berechting door de rechter te nemen beslissingen.
-
De rechter-commissaris beslist zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen twee weken. In geval van toewijzing van de vordering of het verzoek vermeldt de beslissing het strafbare feit waarop het onderzoek betrekking heeft. De rechter-commissaris kan zijn beslissing tot een nader te bepalen moment uitstellen. Hij stelt de officier van justitie en de verdachte hiervan in kennis.
-
De rechter-commissaris verricht het onderzoek zo spoedig mogelijk. De rechter-commissaris kan beslissen dat hij het verrichten van het onderzoek uitstelt tot een nader te bepalen moment. Hij stelt de officier van justitie en de verdachte hiervan in kennis.
-
De rechter-commissaris stelt de officier van justitie en de verdachte in kennis van de beslissing, bedoeld in het eerste lid en voegt de beslissing bij de processtukken. Kennisgeving van de beslissing op een vordering als bedoeld in artikel 2.10.1 aan de verdachte en voeging van de beslissing bij de processtukken blijft achterwege indien het belang van het onderzoek zich daartegen verzet.
Artikel 2.10.6
-
Indien de officier van justitie een vordering indient als bedoeld in artikel 2.10.1 of door de rechter-commissaris in de gelegenheid wordt gesteld zijn standpunt kenbaar te maken over een verzoek als bedoeld in artikel 2.10.2, brengt hij een kopie van de processtukken zo spoedig mogelijk ter kennis van de rechter-commissaris.
-
De officier van justitie stelt de rechter-commissaris uit eigen beweging of op zijn verzoek zo spoedig mogelijk in kennis van de resultaten van het opsporingsonderzoek.
Artikel 2.10.7
-
De rechter-commissaris stelt de officier van justitie ambtshalve of op zijn verzoek in kennis van door hem verricht of te verrichten onderzoek.
-
De rechter-commissaris stelt tevens de verdachte in kennis van door hem verricht of te verrichten onderzoek, tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet.
Artikel 2.10.8
De rechter-commissaris kan, zoveel mogelijk door tussenkomst van de officier van justitie, het doen van nasporingen opdragen en bevelen geven aan opsporingsambtenaren.
Artikel 2.10.9
-
De rechter-commissaris kan, zoveel mogelijk door tussenkomst van de officier van justitie, bevelen dat een getuige wordt verhoord door een opsporingsambtenaar, indien zijn bijzondere deskundigheid van belang is voor het verhoor.
-
Het bevel vermeldt de identiteit van de te verhoren getuige en het onderwerp van het verhoor.
-
De rechter-commissaris roept de getuige op te verschijnen op een in overleg met de opsporingsambtenaar bepaalde plaats en tijd. De rechter-commissaris kan bepalen dat de oproeping wordt betekend. De getuige is verplicht voor de opsporingsambtenaar te verschijnen. Indien de getuige op een betekende oproeping niet verschijnt, kan de rechter-commissaris hem opnieuw oproepen en daarbij een bevel tot medebrenging geven.
-
Op het verhoor is Titel 3.3 van toepassing, met dien verstande dat de rechter-commissaris beslist over toegang tot bijwoning van het verhoor. De raadsman van de verdachte, indien deze bekend is, kan het verhoor bijwonen en de vragen opgeven die hij gesteld wenst te zien.
-
De getuige is verplicht op de door de opsporingsambtenaar gestelde vragen te antwoorden. De artikelen 1.6.5 en 1.6.6 tot en met 1.6.9 zijn van toepassing. Indien de getuige zich beroept op een verschoningsrecht, wordt het verhoor beëindigd. De opsporingsambtenaar stelt de rechter-commissaris hiervan in kennis.
-
De opsporingsambtenaar brengt het proces-verbaal van verhoor ter kennis van de rechter-commissaris.
Artikel 2.10.10
-
De rechter-commissaris of op zijn aanwijzing de griffier maakt een proces-verbaal op van hetgeen bij het door de rechter-commissaris verrichte onderzoek is verklaard, verricht en voorgevallen of door de rechter-commissaris is waargenomen. Daarbij worden tevens zoveel mogelijk uitdrukkelijk de redenen van wetenschap opgegeven.
-
De rechter-commissaris doet de verklaring van de verdachte, de getuige of de deskundige in het proces-verbaal van het verhoor zoveel mogelijk in de eigen woorden opnemen. Dat geldt in het bijzonder voor verklaringen van de verdachte die een bekentenis van schuld inhouden. De verklaring wordt zo volledig mogelijk weergegeven en zo veel mogelijk in vraag- en antwoordvorm.
-
Het proces-verbaal wordt gedagtekend en ondertekend door de rechter-commissaris en door de griffier, indien deze het proces-verbaal heeft opgemaakt.
-
Aan de verdachte, de getuige of de deskundige wordt de gelegenheid geboden om opmerkingen te maken over de weergave van zijn verklaring in het proces-verbaal. Deze opmerkingen worden in het proces-verbaal vermeld, voor zover zij niet worden overgenomen.
-
De verdachte, de getuige of de deskundige ondertekent zijn verklaring nadat deze hem is voorgelezen of door hem is gelezen, indien hij met de verklaring instemt. Indien ondertekening achterwege blijft, wordt de weigering of oorzaak daarvan vermeld.
-
De rechter-commissaris kan bepalen dat het opmaken van proces-verbaal wordt uitgesteld of achterwege blijft indien het door hem verrichte onderzoek op een geluids- of beeldopname is vastgelegd. De rechter-commissaris en de griffier leggen in dit geval in een verkort proces-verbaal vast dat de opname het onderzoek behelst dat door de rechter-commissaris is verricht. Het vijfde lid is op het verkort proces-verbaal van overeenkomstige toepassing.
-
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de inhoud van een verkort proces-verbaal.
Artikel 2.10.11
-
Vorderingen van het openbaar ministerie en verzoeken van de verdachte als bedoeld in dit hoofdstuk worden gemotiveerd.
-
Beslissingen van de rechter-commissaris als bedoeld in dit hoofdstuk zijn gemotiveerd en worden in het proces-verbaal opgenomen voor zover zij niet afzonderlijk worden vastgelegd. In geval van afzonderlijke vastlegging van de beslissing is artikel 2.1.15, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
-
In afwijking van het tweede lid worden bevelen van de rechter-commissaris als bedoeld in dit hoofdstuk afzonderlijk vastgelegd met uitzondering van bevelen als bedoeld in de artikelen 2.10.8, 2.10.29 en 2.10.45. Artikel 2.1.13, tweede lid, derde zin, is niet van toepassing.
Artikel 2.10.12
Voor de verdachte die geen raadsman heeft, wordt in opdracht van de rechter-commissaris door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een raadsman aangewezen, indien die raadsman bevoegd zou zijn enig verhoor bij te wonen.
Artikel 2.10.13
De rechter-commissaris kan de verdachte voor zich laten verschijnen voor verhoor. Hij kan de verdachte die in vrijheid is oproepen. De rechter-commissaris kan bepalen dat de oproeping wordt betekend. De verdachte is verplicht op de oproeping van de rechter-commissaris te verschijnen.
Artikel 2.10.14
Indien de verdachte in vrijheid is en op een betekende oproeping niet verschijnt, kan de rechter-commissaris hem opnieuw oproepen en daarbij of nadien een bevel tot medebrenging geven.
Artikel 2.10.15
Indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist kan de rechter-commissaris bevelen dat de overeenkomstig artikel 2.10.14 meegebrachte verdachte gedurende ten hoogste twee dagen in een door hem aan te wijzen plaats in verzekering wordt gesteld.
Artikel 2.10.16
-
De rechter-commissaris kan bepalen dat het verhoor op een andere plaats dan in zijn kabinet plaatsvindt.
-
De rechter-commissaris kan daartoe met de door hem aangewezen personen elke plaats betreden.
Artikel 2.10.17
De rechter-commissaris deelt de verdachte mee dat hij niet verplicht is tot antwoorden. Deze mededeling wordt in het proces-verbaal vermeld.
Artikel 2.10.18
-
De rechter-commissaris stelt de officier van justitie in de gelegenheid het verhoor van de verdachte bij te wonen.
-
De officier van justitie kan de vragen opgeven die hij gesteld wenst te zien. De rechter-commissaris stelt op een door hem geschikt geacht moment de officier van justitie in de gelegenheid vragen te stellen. De rechter-commissaris kan bepalen dat vragen door zijn tussenkomst worden gesteld.
Artikel 2.10.19
-
De rechter-commissaris stelt de raadsman in de gelegenheid het verhoor van de verdachte bij te wonen.
-
Artikel 2.10.18, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.10.20
-
De rechter-commissaris kan aan personen bijzondere toegang tot bijwoning van het verhoor verlenen.
-
De rechter-commissaris kan, zoveel mogelijk in overleg met de officier van justitie, opsporingsambtenaren toestaan tijdens het verhoor, al dan niet door zijn tussenkomst, vragen te stellen.
Artikel 2.10.21
-
De rechter-commissaris neemt de nodige maatregelen om te beletten dat de verdachte vóór of tijdens het verhoor contact heeft met andere verdachten, getuigen en deskundigen.
-
De verdachte wordt niet tegelijkertijd met andere verdachten, getuigen en deskundigen verhoord. De rechter-commissaris kan hen echter tegenover elkaar stellen of in elkaars bijzijn verhoren.
Artikel 2.10.22
De rechter-commissaris houdt de verdachte bij zijn verhoor de korte inhoud voor van de verklaringen van getuigen en deskundigen die hij buiten aanwezigheid van de verdachte heeft verhoord, voor zover naar het oordeel van de rechter-commissaris het belang van het onderzoek zich daartegen niet verzet. Indien de verdachte de wetenschap van bepaalde verklaringen of gedeelten daarvan wordt onthouden, deelt de rechter-commissaris hem dit mee.
Artikel 2.10.23
De rechter-commissaris kan bevelen dat de verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt, indien het noodzakelijk is dat een onderzoek zal worden ingesteld naar zijn geestvermogens en dit niet voldoende op een andere wijze kan plaatsvinden, ter observatie wordt overgebracht naar een in het bevel aan te duiden accommodatie, bedoeld in artikel 90sexies van het Wetboek van Strafrecht, of een instelling voor klinische observatie.
Artikel 2.10.24
-
Het bevel, bedoeld in artikel 2.10.23, dan wel de afwijzing van een vordering of een verzoek daartoe wordt niet gegeven voordat het oordeel van een of meer deskundigen is ingewonnen en de verdachte hierover is gehoord of behoorlijk opgeroepen. De rechter-commissaris nodigt de officier van justitie uit bij het horen aanwezig te zijn.
-
Het bevel dan wel de afwijzing van een vordering of een verzoek daartoe wordt direct aan de verdachte betekend.
Artikel 2.10.25
-
Het verblijf in de accommodatie of instelling geldt als voorlopige hechtenis, duurt ten hoogste zeven weken en eindigt zodra de voorlopige hechtenis eindigt.
-
De rechter-commissaris kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte het bevel eenmaal met ten hoogste zeven weken verlengen. Op het bevel tot verlenging is artikel 2.10.24 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het oordeel van een of meer deskundigen achterwege kan blijven.
-
De rechter-commissaris kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte bevelen dat het verblijf in de accommodatie of instelling wordt beëindigd.
-
Onze Minister wijst de accommodaties en instellingen aan naar welke verdachten krachtens het bevel kunnen worden overgebracht.
Artikel 2.10.26
-
De rechter-commissaris kan een getuige verhoren. Hij roept de getuige daartoe op. De rechter-commissaris kan bepalen dat de oproeping wordt betekend. De getuige is verplicht op de oproeping van de rechter-commissaris te verschijnen.
-
De rechter-commissaris verleent toegang tot het bijwonen van het verhoor van de getuige aan de advocaat van de getuige, tenzij het belang van het onderzoek of het belang van de getuige zich daartegen verzet en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.
-
Indien de officier van justitie de getuige heeft toegezegd dat hij op geen andere wijze dan als bedreigde getuige of als afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden, zal worden verhoord, stelt de officier van justitie de rechter-commissaris en de verdachte daarvan direct in kennis. Vervolgens dient de officier van justitie, indien hij dit nog niet heeft gedaan, de vordering, bedoeld in de artikelen 2.10.39, eerste lid, of 2.10.45, eerste lid, in.
-
Het derde lid is niet van toepassing in geval van oproeping van de getuige als bedreigde getuige of als afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden.
Artikel 2.10.27
Op het verhoor van de getuige zijn de artikelen 2.10.14, 2.10.15, 2.10.16, 2.10.18, 2.10.20 en 2.10.21 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.10.28
-
De rechter-commissaris stelt de raadsman van de verdachte in de gelegenheid het verhoor van de getuige bij te wonen, voor zover het belang van het onderzoek zich daartegen niet verzet.
-
De raadsman kan de vragen opgeven die hij gesteld wenst te zien. De rechter-commissaris stelt op een door hem geschikt geacht moment de raadsman in de gelegenheid vragen te stellen. Indien de getuige tijdens het opsporingsonderzoek nog niet is verhoord en op verzoek van de verdachte wordt verhoord, krijgt de raadsman als eerste de gelegenheid om vragen te stellen. De rechter-commissaris kan bepalen dat vragen door zijn tussenkomst worden gesteld.
Artikel 2.10.29
-
De rechter-commissaris kan, indien hij dit in het belang van het onderzoek wenselijk acht, de verdachte ambtshalve of op zijn verzoek in de gelegenheid stellen het verhoor van de getuige bij te wonen.
-
De verdachte doet een verzoek als bedoeld in het eerste lid tegelijk met het verzoek, bedoeld in artikel 2.10.2, of zo spoedig mogelijk nadat hij ervan in kennis is gesteld dat de rechter-commissaris ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of na verwijzing door de rechtbank een getuige zal verhoren.
-
De rechter-commissaris beslist op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, nadat hij de officier van justitie en de getuige in de gelegenheid heeft gesteld hun standpunt daarover kenbaar te maken.
-
Indien een gegrond vermoeden bestaat dat de getuige niet op de terechtzitting zal kunnen verschijnen of dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring op de terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige op de terechtzitting te kunnen ondervragen, nodigt de rechter-commissaris de verdachte uit het verhoor bij te wonen, tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van het verhoor toelaat.
-
Indien de verdachte aanwezig is bij het verhoor, is artikel 2.10.28, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. De rechter-commissaris kan bevelen dat de verdachte de plaats van verhoor zal verlaten indien deze een ordelijk verloop van het verhoor van de getuige verhindert.
Artikel 2.10.30
-
De rechter-commissaris beëdigt de getuige dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen.
-
Indien een getuige met een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap naar het oordeel van de rechter-commissaris de betekenis van de eed niet voldoende beseft, of indien de getuige de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, wordt hij niet beëdigd, maar aangemaand de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen.
-
In het proces-verbaal wordt van de beëdiging of aanmaning melding gemaakt.
Artikel 2.10.31
-
Indien de verdachte bekend is vraagt de rechter-commissaris de getuige of hij bloed- of aanverwant is van de verdachte en zo ja, in welke graad.
-
De rechter-commissaris kan bepalen dat het vragen naar een gegeven als bedoeld in artikel 1.6.1 achterwege zal worden gelaten, indien er een gegrond vermoeden bestaat dat de getuige in verband met het afleggen van zijn verklaring overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn beroep zal worden belemmerd. De rechter-commissaris neemt de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om onthulling van dit gegeven te voorkomen.
-
Bij toepassing van het tweede lid blijft vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 1.6.1, eerste lid, achterwege.
-
In geval van een verhoor van een bedreigde getuige of van een afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden, blijft het eerste lid buiten toepassing.
Artikel 2.10.32
-
De rechter-commissaris kan beletten dat antwoorden op vragen over een bepaald gegeven ter kennis komen van de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman, indien een gegrond vermoeden bestaat dat door de openbaarmaking van dit gegeven:
de getuige ernstige overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig zal worden belemmerd,
een zwaarwegend opsporingsbelang wordt geschaad, of
het belang van de staatsveiligheid wordt geschaad.
-
De rechter-commissaris neemt de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om onthulling van een gegeven als in het eerste lid bedoeld te voorkomen. Hij is daartoe bevoegd gegevens in processtukken onvermeld te laten.
-
Indien de rechter-commissaris belet dat een antwoord ter kennis komt van de officier van justitie, de verdachte of zijn raadsman, wordt in het proces-verbaal vermeld dat de gestelde vraag is beantwoord.
-
De rechter-commissaris kan bepalen dat de verdachte en zijn raadsman het verhoor van de getuige niet mogen bijwonen voor zover dit met het oog op de in het eerste lid vermelde belangen noodzakelijk is. In dat geval is ook de officier van justitie niet bevoegd daarbij aanwezig te zijn.
-
De officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman kunnen, indien de getuige buiten hun aanwezigheid wordt ondervraagd, vragen opgeven die zij gesteld wensen te zien. De rechter-commissaris deelt hun zo spoedig mogelijk mee wat de getuige heeft verklaard, voor zover dit met de bescherming van de in het eerste lid vermelde belangen verenigbaar is.
Artikel 2.10.33
-
De rechter-commissaris kan beletten dat aan een vraag van de officier van justitie, de verdachte of zijn raadsman, gevolg wordt gegeven.
-
Van de omstandigheid dat het eerste lid is toegepast wordt in het proces-verbaal melding gemaakt.
Artikel 2.10.34
-
Indien de getuige bij zijn verhoor zonder wettige grond weigert op de gestelde vragen te antwoorden of de van hem vereiste verklaring, eed of belofte af te leggen, beveelt de rechter-commissaris, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist, ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte dat de getuige in gijzeling zal worden gesteld totdat de rechtbank over het voortduren van de gijzeling zal hebben beslist.
-
De rechter-commissaris doet binnen een dag nadat de gijzeling is aangevangen, verslag aan de rechtbank, tenzij de getuige eerder in vrijheid is gesteld. De rechtbank beveelt binnen twee dagen daarna, na verhoor van de getuige, dat deze in gijzeling wordt gehouden of in vrijheid wordt gesteld.
Artikel 2.10.35
-
De rechtbank beveelt de gijzeling van de getuige voor ten hoogste twaalf dagen indien dit in het belang van het onderzoek dringend noodzakelijk is. Zij bepaalt daarbij het tijdstip waarop de getuige opnieuw aan haar wordt voorgeleid om te worden gehoord.
-
De rechtbank kan op verslag van de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte bevelen dat de gijzeling van de getuige die bij zijn verhoor te kennen heeft gegeven te blijven bij zijn weigering aan zijn verplichting tot antwoorden te voldoen en daarvoor geen wettige grond heeft, telkens met ten hoogste twaalf dagen wordt verlengd. Zij bepaalt daarbij telkens een tijdstip van voorgeleiding.
-
De rechtbank kan zich voorafgaand aan de beslissing tot het verlenen van het bevel tot gijzeling of de verlenging daarvan laten voorlichten door een vertegenwoordiger van het ambt, de beroepsgroep of de stand waartoe de getuige aan wie het functioneel verschoningsrecht toekomt, behoort.
Artikel 2.10.36
-
De rechter-commissaris beveelt de invrijheidstelling van de getuige zodra deze aan zijn verplichting heeft voldaan of zijn verklaring niet meer nodig is.
-
De rechtbank kan op elk moment ambtshalve, op verslag van de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de getuige, zijn invrijheidstelling bevelen. De getuige wordt gehoord, althans opgeroepen.
-
In ieder geval geeft de officier van justitie opdracht tot invrijheidstelling zodra het onderzoek door de rechter-commissaris overeenkomstig artikel 2.10.68 is beëindigd.
Artikel 2.10.37
Alle beslissingen waarbij gijzeling wordt bevolen of verlengd, of waarbij een verzoek van de getuige tot invrijheidstelling wordt afgewezen, worden binnen een dag aan de getuige betekend.
Artikel 2.10.38
-
Gedurende de gijzeling kan de getuige zich beraden met een advocaat.
-
De advocaat heeft vrije toegang tot de getuige, kan hem alleen spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van de inhoud door anderen wordt kennisgenomen, een en ander onder het vereiste toezicht, met inachtneming van de huishoudelijke reglementen, en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.
-
De rechter-commissaris staat de advocaat op zijn verzoek toe van de processen-verbaal van de verhoren van de getuige kennis te nemen.
-
De rechter-commissaris kan met instemming van de officier van justitie en voor zover het belang van het onderzoek zich daartegen niet verzet, de advocaat op zijn verzoek toestaan ook van de overige processtukken kennis te nemen.
Artikel 2.10.39
-
De rechter-commissaris beveelt ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte of van de getuige, dat ter gelegenheid van het verhoor van die getuige zijn identiteit verborgen wordt gehouden, indien:
de getuige of een andere persoon, met het oog op de door de getuige af te leggen verklaring, zich zodanig bedreigd kan achten dat, naar redelijkerwijze moet worden aangenomen, voor het leven, de gezondheid of de veiligheid dan wel de ontwrichting van het gezinsleven of het sociaaleconomisch bestaan van die getuige of die andere persoon moet worden gevreesd, en
de getuige te kennen heeft gegeven wegens deze bedreiging geen verklaring te willen afleggen.
-
De officier van justitie, de verdachte, en de getuige worden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Voor de getuige die nog geen rechtsbijstand heeft, wordt een advocaat aangewezen. De aanwijzing vindt plaats in opdracht van de rechter-commissaris door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.
Artikel 2.10.40
-
Het bevel wordt zo spoedig mogelijk ter kennis gebracht van de officier van justitie en betekend aan de verdachte en de getuige, met vermelding van de termijn waarbinnen en de wijze waarop het rechtsmiddel dat daartegen openstaat, moet worden ingesteld.
-
De rechter-commissaris gaat niet over tot het verhoor van de getuige zolang tegen zijn beslissing nog beroep openstaat en, zo dit is ingesteld, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist, tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van het verhoor toelaat. In dat geval houdt de rechter-commissaris het proces-verbaal van verhoor van de getuige onder zich totdat op het beroep is beslist.
-
Indien in beroep wordt geoordeeld dat de getuige geen bedreigde getuige is en de rechter-commissaris de getuige al met inachtneming van de artikelen 2.10.41 tot en met 2.10.44 heeft verhoord, draagt de rechter-commissaris er zorg voor dat het proces-verbaal van verhoor van de getuige wordt vernietigd. De rechter-commissaris maakt hiervan proces-verbaal op. Artikel 2.10.44 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.10.41
-
Voorafgaand aan het verhoor van een bedreigde getuige stelt de rechter-commissaris zich op de hoogte van zijn identiteit en vermeldt hij in het proces-verbaal dit te hebben gedaan.
-
De getuige wordt overeenkomstig artikel 2.10.30 beëdigd of aangemaand.
-
De rechter-commissaris verhoort de bedreigde getuige op zodanige wijze dat zijn identiteit verborgen blijft.
Artikel 2.10.42
-
Indien het belang van het verborgen blijven van de identiteit van de bedreigde getuige dit vereist, kan de rechter-commissaris bepalen dat de verdachte of zijn raadsman dan wel beiden het verhoor van de bedreigde getuige niet mogen bijwonen. In het laatste geval is ook de officier van justitie niet bevoegd daarbij aanwezig te zijn.
-
De rechter-commissaris stelt de officier van justitie, de verdachte of zijn raadsman, indien hij het verhoor van de getuige niet heeft bijgewoond, zo spoedig mogelijk in kennis van de inhoud van de door de getuige afgelegde verklaring, en stelt hem in de gelegenheid om door middel van telecommunicatie of, indien het belang van het verborgen blijven van de identiteit van de bedreigde getuige dat niet toelaat, schriftelijk de vragen op te geven die hij gesteld wenst te zien. Tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van het verhoor toelaat, kunnen vragen vóór de aanvang van het verhoor worden opgegeven.
-
In het geval dat de rechter-commissaris belet dat een door de bedreigde getuige gegeven antwoord ter kennis komt van de officier van justitie, de verdachte of zijn raadsman, doet de rechter-commissaris in het proces-verbaal opnemen dat de gestelde vraag door de bedreigde getuige is beantwoord.
Artikel 2.10.43
Tijdens het verhoor onderzoekt de rechter-commissaris de betrouwbaarheid van de bedreigde getuige en legt daarover in het proces-verbaal rekenschap af.
Artikel 2.10.44
-
De rechter-commissaris neemt, zoveel mogelijk in overleg met de officier van justitie, de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de identiteit van de bedreigde getuige en de getuige, ten aanzien van wie een verzoek of vordering als bedoeld in artikel 2.10.39, eerste lid, is ingediend waarop nog niet onherroepelijk is beslist, verborgen te houden.
-
Hij kan voor dat doel in processtukken gegevens over de identiteit van de getuige onvermeld laten of processtukken anonimiseren.
-
De anonimisering wordt door de rechter-commissaris en de griffier ondertekend of gewaarmerkt.
Artikel 2.10.45
-
De rechter-commissaris beveelt ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte of van de getuige, dat een getuige als afgeschermde getuige wordt verhoord indien, naar redelijkerwijze moet worden aangenomen, het belang van de staatsveiligheid dat eist.
-
De officier van justitie, de verdachte en de getuige worden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.
Artikel 2.10.46
-
De rechter-commissaris beveelt ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte of van de getuige, dat bij gelegenheid van het verhoor van de afgeschermde getuige zijn identiteit verborgen wordt gehouden, indien een zwaarwegend belang van de getuige of van een ander dan wel het belang van de staatsveiligheid dat vereist. In dat geval stelt hij zich voorafgaand aan het verhoor van de afgeschermde getuige op de hoogte van zijn identiteit en vermeldt hij in het proces-verbaal dit te hebben gedaan.
-
De getuige wordt overeenkomstig artikel 2.10.30 beëdigd of aangemaand.
-
Indien de rechter-commissaris het bevel geeft, verhoort hij de afgeschermde getuige op een zodanige wijze dat zijn identiteit verborgen blijft.
Artikel 2.10.47
-
Indien een belang als bedoeld in artikel 2.10.46, eerste lid, dat vereist, kan de rechter-commissaris bepalen dat de verdachte of zijn raadsman dan wel beiden het verhoor van de afgeschermde getuige niet mogen bijwonen. In het laatste geval is ook de officier van justitie niet bevoegd daarbij aanwezig te zijn.
-
De rechter-commissaris draagt er zorg voor dat het proces-verbaal van verhoor van de afgeschermde getuige geen verklaring bevat die strijdig is met een belang als bedoeld in artikel 2.10.46, eerste lid.
-
De rechter-commissaris brengt, indien de getuige daarmee instemt, het proces-verbaal ter kennis van de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman. De getuige kan zijn instemming alleen onthouden indien het belang van de staatsveiligheid dit vereist. In geval de getuige zijn instemming onthoudt, draagt de rechter-commissaris er zorg voor dat het proces-verbaal van verhoor en alle andere gegevens met betrekking tot het verhoor direct worden vernietigd. De rechter-commissaris maakt hiervan proces-verbaal op.
-
De rechter-commissaris stelt de officier van justitie, de verdachte of zijn raadsman, indien deze het verhoor van de getuige niet heeft bijgewoond, in de gelegenheid om door middel van telecommunicatie of, indien een belang als bedoeld in het eerste lid dat niet toelaat, schriftelijk de vragen op te geven die hij gesteld wenst te zien. Tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van het verhoor toelaat, kunnen vragen voor de aanvang van het verhoor worden opgegeven.
-
Artikel 2.10.42, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.10.48
Tijdens het verhoor van de afgeschermde getuige onderzoekt de rechter-commissaris de betrouwbaarheid van de verklaring van de afgeschermde getuige. Hij legt daarover in het proces-verbaal rekenschap af.
Artikel 2.10.49
-
De rechter-commissaris neemt, indien hij het in artikel 2.10.46, eerste lid, omschreven bevel geeft, zoveel mogelijk in overleg met de officier van justitie, de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de identiteit van de afgeschermde getuige en de persoon ten aanzien van wie een verzoek of een vordering als bedoeld in artikel 2.10.46, eerste lid, wordt gedaan, verborgen te houden.
-
Artikel 2.10.44, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.10.50
-
De rechter-commissaris voegt, indien de afgeschermde getuige daarmee instemt, het proces-verbaal van verhoor bij de processtukken.
-
Artikel 2.10.47, derde lid, is, behoudens de eerste zin, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.10.51
De rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam is bij uitsluiting bevoegd tot het uitoefenen van bevoegdheden als omschreven in deze afdeling, ook binnen het rechtsgebied van een andere rechtbank. Artikel 1.2.26, vierde lid, tweede zin, is niet van toepassing.
Artikel 2.10.52
-
De rechter-commissaris kan een deskundige benoemen.
-
Bij een vordering of verzoek tot benoeming van een deskundige kunnen een of meer personen ter benoeming worden voordragen. Tenzij de voorgedragen persoon is geregistreerd in het register, bedoeld in artikel 1.7.2, geeft de officier van justitie of de verdachte op waarom hij als deskundige moet worden aangemerkt.
-
Tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet, kiest de rechter-commissaris een of meer van de deskundigen uit de voorgedragen personen.
Artikel 2.10.53
-
De rechter-commissaris stelt de officier van justitie en de verdachte direct in kennis van de benoeming en de onderzoeksopdracht en stelt hen in de gelegenheid binnen een door hem te bepalen termijn te vorderen of verzoeken de opdracht aan te passen.
-
De rechter-commissaris kan ambtshalve of op vordering van de officier van justitie de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, uitstellen, totdat het belang van het onderzoek zich daartegen niet meer verzet.
-
De deskundige kan de rechter-commissaris ter verheldering van zijn opdracht vragen stellen. Van zijn antwoord daarop stelt de rechter-commissaris de officier van justitie en de verdachte in kennis. De rechter-commissaris kan de kennisgeving uitstellen zolang het belang van het onderzoek zich daartegen verzet.
-
De rechter-commissaris kan met de deskundige overleggen. Hij stelt de officier van justitie en de verdachte in de gelegenheid daarbij aanwezig te zijn, tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet.
-
Nadat de deskundige de rechter-commissaris in kennis heeft gesteld van zijn verslag, brengt de rechter-commissaris het verslag ter kennis van de officier van justitie en de verdachte, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat.
Artikel 2.10.54
-
De rechter-commissaris kan de deskundige opdragen aanvullend onderzoek te doen, of een nieuwe deskundige benoemen met een opdracht tot uitvoering van een aanvullend onderzoek of een tegenonderzoek.
-
De verdachte kan ter ondersteuning van zijn verzoek hiertoe kennisnemen van de stukken en de onderzoeksresultaten waarop de conclusies van het eerste onderzoek zijn gebaseerd. In het belang van het onderzoek kan de rechter-commissaris, na de officier van justitie te hebben gehoord, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie bepalen dat de kennisneming geheel of gedeeltelijk niet wordt toegestaan. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de kennisneming.
-
Op een vordering of verzoek tot benoeming van een nieuwe deskundige is artikel 2.10.52, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing. Het nieuwe onderzoek moet gelijkwaardig zijn aan het eerste onderzoek.
-
Op het aanvullende onderzoek of het tegenonderzoek is artikel 2.10.53 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.10.55
-
De nieuwe deskundige die een aanvullend onderzoek of een tegenonderzoek verricht krijgt toegang tot het onderzoeksmateriaal en het verslag van de eerste deskundige.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van het aanvullende onderzoek of het tegenonderzoek.
Artikel 2.10.56
De rechter-commissaris kan een benoemde of een andere deskundige verhoren. De rechter-commissaris roept hem daartoe op. De rechter-commissaris kan bepalen dat de oproeping wordt betekend. De deskundige is verplicht op de oproeping van de rechter-commissaris te verschijnen.
Artikel 2.10.57
-
De rechter-commissaris vraagt de deskundige bij aanvang van het verhoor naar zijn beroep en, indien de verdachte bekend is, of hij bloed- of aanverwant is van de verdachte en zo ja, in welke graad. Zo nodig doet de rechter-commissaris de deskundige mededeling van een hem toekomend verschoningsrecht overeenkomstig de artikelen 1.6.5 en 1.6.6 tot en met 1.6.9.
-
De rechter-commissaris beëdigt de deskundige dat hij naar waarheid en zijn geweten zal verklaren.
Artikel 2.10.58
Op het verhoor van de deskundige zijn de artikelen 1.6.4, 2.10.14, 2.10.16, 2.10.18, 2.10.20, 2.10.21, 2.10.28 en 2.10.29, 2.10.32 en 2.10.33 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.10.59
-
De officier van justitie stelt de rechter-commissaris in kennis van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte die bereid is een getuigenverklaring af te leggen in de zaak tegen een andere verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in zijn eigen zaak strafvermindering met toepassing van artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht zal worden gevorderd. De afspraak heeft uitsluitend betrekking op het afleggen van een getuigenverklaring in het kader van een opsporingsonderzoek naar een uit feiten of omstandigheden voortvloeiend redelijk vermoeden dat in georganiseerd verband misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, worden beraamd of gepleegd die naar hun aard of de samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, dan wel naar een verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld. De afspraak heeft uitsluitend betrekking op strafvermindering als bedoeld in artikel 44a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.
-
De voorgenomen afspraak bevat een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van:
de misdrijven waarover en zo mogelijk de verdachte tegen wie de getuige bereid is een getuigenverklaring af te leggen;
de strafbare feiten waarvoor de getuige in de zaak waarin hij zelf verdachte is, zal worden vervolgd en op welke die toezegging betrekking heeft;
de voorwaarden die aan de getuige, tevens verdachte, worden gesteld en waaraan deze bereid is te voldoen;
de inhoud van de toezegging van de officier van justitie.
-
Op vordering van de officier van justitie toetst de rechter-commissaris de rechtmatigheid van de voorgenomen afspraak. De officier van justitie verschaft de rechter-commissaris de gegevens die hij voor de beoordeling daarvan behoeft.
-
Afspraken als bedoeld in het eerste lid worden vooraf, afzonderlijk vastgelegd. Op de vastlegging is artikel 2.1.15, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak, bedoeld in het eerste lid, en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, wordt in een proces-verbaal melding gemaakt. Dit proces-verbaal wordt door de officier van justitie zo spoedig mogelijk bij de processtukken gevoegd.
Artikel 2.10.60
-
De getuige die met de officier van justitie overlegt over het maken van een afspraak als bedoeld in artikel 2.10.59, kan zich laten bijstaan door een advocaat. Voor de getuige die nog geen rechtsbijstand heeft, wordt een advocaat aangewezen. De aanwijzing vindt plaats in opdracht van de rechter-commissaris door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.
-
De rechter-commissaris hoort de getuige over de voorgenomen afspraak.
-
De rechter-commissaris beoordeelt de rechtmatigheid van de afspraak. Hij houdt daarbij rekening met de dringende noodzaak en met het belang van het verkrijgen van de door de getuige af te leggen verklaring. Hij geeft tevens een oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige. Hij legt zijn oordeel neer in een beslissing. Indien hij de afspraak rechtmatig oordeelt, komt deze tot stand.
-
De officier van justitie voegt de processen-verbaal en andere gegevens die zijn verkregen door het maken van de afspraak niet bij de processtukken voordat de rechter-commissaris de afspraak rechtmatig heeft geoordeeld.
Artikel 2.10.61
De beslissing van de rechter-commissaris wordt direct ter kennis gebracht van de officier van justitie en betekend aan de getuige.
Artikel 2.10.62
-
Nadat de afspraak rechtmatig is geoordeeld wordt de getuige door de rechter-commissaris verhoord.
-
Deze getuige kan niet worden verhoord met toepassing van de artikelen 2.10.39 tot en met 2.10.44.
-
Zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, brengt de rechter-commissaris de totstandkoming van de afspraak en de inhoud daarvan ter kennis van de verdachte te wiens laste de verklaring is afgelegd.
-
De rechter-commissaris kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de getuige bevelen dat de identiteit van de getuige voor een bepaalde termijn voor de verdachte verborgen wordt gehouden. Het bevel wordt voor de beëindiging van het onderzoek door de rechter-commissaris opgeheven.
Artikel 2.10.63
-
De artikelen 2.10.59 tot en met 2.10.62 zijn van overeenkomstige toepassing indien de officier van justitie voornemens is een afspraak te maken met een veroordeelde die bereid is een getuigenverklaring af te leggen, in ruil voor de toezegging van de officier van justitie dat deze bij de indiening van een verzoekschrift om gratie een positief advies tot vermindering van de opgelegde straf met ten hoogste de helft zal uitbrengen. De voorwaarden voor het uitbrengen van een positief advies zijn dezelfde als genoemd in artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht voor het vorderen en toepassen van strafvermindering.
-
Bij de vastlegging van de voorgenomen afspraak geldt niet het vereiste genoemd in artikel 2.10.59, tweede lid, onderdeel b.
Artikel 2.10.64
-
Zo spoedig mogelijk en uiterlijk drie maanden nadat de gevangenhouding van de verdachte is bevolen, stelt de officier van justitie indien hij nog geen procesinleiding kan indienen, de verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt en de rechter-commissaris in kennis van de stand van zaken in het opsporingsonderzoek. De kennisgeving bevat:
een opgave als bedoeld in artikel 4.1.1, derde lid, onderdelen a en b, of, indien de stand van zaken in het opsporingsonderzoek dit nog niet toelaat, een omschrijving van het feit of de feiten waarop het opsporingsonderzoek betrekking heeft;
een aanduiding van het moment waarop naar verwachting de procesinleiding zal worden ingediend.
-
De officier van justitie draagt er zorg voor dat de verdachte kan kennisnemen van de beschikbare processtukken. Indien hij de verdachte in het belang van het onderzoek de kennisneming van bepaalde processtukken onthoudt, stelt hij hem hiervan in kennis.
Artikel 2.10.65
De rechter-commissaris kan na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in artikel 2.10.64, en indien hij op grond van de artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.4 onderzoek verricht tevens ambtshalve, in het belang van de voortgang van het onderzoek de officier van justitie en de verdachte een termijn stellen voor het indienen of onderbouwen van een vordering of een verzoek. Hij voegt de termijnstelling bij de processtukken.
Artikel 2.10.66
-
De rechter-commissaris kan op vordering van de officier van justitie, op verzoek van de verdachte die is verhoord, en indien hij op grond van de artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.4 onderzoek verricht tevens ambtshalve, de officier van justitie en de verdachte oproepen voor een regiebijeenkomst.
-
Tijdens een regiebijeenkomst wordt de stand van zaken in het onderzoek besproken en kunnen eerder ingediende vorderingen of verzoeken tot het verrichten van onderzoek worden toegelicht en zo nodig aangepast, dan wel kunnen nieuwe vorderingen of verzoeken worden gedaan. De rechter-commissaris kan tijdens de regiebijeenkomst op vorderingen en verzoeken beslissen. Artikel 2.10.65 is van overeenkomstige toepassing.
-
Na afloop van de regiebijeenkomst worden in ieder geval de vorderingen, verzoeken en de beslissingen die de rechter-commissaris daarover heeft genomen, in het proces-verbaal vastgelegd. De rechter-commissaris voegt de oproeping voor en het proces-verbaal van de regiebijeenkomst bij de processtukken.
Artikel 2.10.67
-
De rechter-commissaris kan op verzoek van de verdachte die is verhoord, en indien hij op grond van de artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.4 onderzoek verricht tevens ambtshalve, de voortgang van het opsporingsonderzoek beoordelen. Hij kan daartoe bepalen dat hem de processtukken ter kennis worden gebracht. Indien hij dit nodig acht hoort de rechter-commissaris de officier van justitie en de verdachte.
-
In het geval de rechter-commissaris de voortgang van het opsporingsonderzoek beoordeelt kan hij de officier van justitie een termijn stellen voor het nemen van een vervolgingsbeslissing. De rechter-commissaris kan de zaak tevens voorleggen aan de rechtbank, met het oog op toepassing van artikel 3.1.3.
Artikel 2.10.68
-
Nadat de rechter-commissaris het onderzoek op grond van de artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.4 heeft verricht, draagt hij, na de officier van justitie en de verdachte zo nodig te hebben gehoord, de stukken die op het onderzoek betrekking hebben aan de officier van justitie over met het oog op voeging van deze stukken bij de processtukken. Hij brengt de stukken tevens ter kennis van de verdachte, tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet.
-
Indien de officier van justitie de rechter-commissaris ervan in kennis stelt dat hij van vervolging afziet, beëindigt de rechter-commissaris het onderzoek dat hij verricht.
-
De rechter-commissaris vermeldt de beëindiging van het onderzoek in het proces-verbaal en voegt dit bij de processtukken.
Artikel 2.10.69
-
Indien de officier van justitie een procesinleiding indient bij de voorzitter van de rechtbank, stelt hij de rechter-commissaris die nog onderzoek verricht daarvan direct in kennis.
-
Nadien kan de rechter-commissaris, zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen, onderzoek verrichten op grond van de artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.4 met dien verstande, dat hij de bevoegdheden die hem in de Titels 10.2 tot en met 10.4 zijn toegekend alleen kan uitoefenen met de instemming van de voorzitter van de rechtbank. Hij vermeldt deze instemming in het proces-verbaal en voegt dit bij de processtukken.
-
De indiening van de procesinleiding staat niet in de weg aan de toepassing van Titel 10.5.
Artikel 2.10.70
-
De officier van justitie kan beroep instellen tegen de afwijzing door de rechter-commissaris van een vordering op grond van dit hoofdstuk, tenzij het een vordering betreft op grond van:
artikel 2.10.1, eerste lid, en de officier van justitie inmiddels een procesinleiding heeft ingediend bij de voorzitter van de rechtbank;
artikel 2.10.45, eerste lid of 2.10.66, eerste lid.
-
De officier van justitie kan ook beroep instellen tegen:
het bevel van de rechter-commissaris op grond van artikel 2.10.25, derde lid, anders dan op vordering van de officier van justitie, dat het verblijf in de instelling wordt beëindigd;
de beslissing van de rechter-commissaris op grond van artikel 2.10.39, eerste lid, anders dan op vordering van de officier van justitie, dat ter gelegenheid van het verhoor van een getuige zijn identiteit verborgen wordt gehouden;
de beslissing van de rechter-commissaris, bedoeld in artikel 2.10.60, derde lid, dat de voorgenomen afspraak niet rechtmatig wordt geoordeeld.
-
Het beroep wordt behandeld door de rechtbank. Het beroep tegen de beslissingen, bedoeld in het tweede lid, wordt behandeld door het gerecht in feitelijke aanleg dat de zaak berecht of zal berechten.
-
De officier van justitie kan hoger beroep instellen tegen de afwijzing door de rechtbank van een vordering op grond van artikel 2.10.35, tweede lid, of 2.10.36, tweede lid.
-
De termijn voor het instellen van beroep of hoger beroep is twee weken na de dagtekening van de beslissing. De rechtbank of het gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk.
Artikel 2.10.71
-
De verdachte kan beroep instellen tegen de afwijzing door de rechter-commissaris van een verzoek op grond van dit hoofdstuk, tenzij het een verzoek betreft op grond van:
artikel 2.10.2, eerste lid, of 2.10.4 en de officier van justitie inmiddels een procesinleiding heeft ingediend bij de voorzitter van de rechtbank;
artikel 2.10.29, eerste lid, 2.10.45, eerste lid, 2.10.46, eerste lid, 2.10.66, eerste lid, of 2.10.67, eerste lid.
-
De verdachte kan ook beroep instellen tegen:
het bevel van de rechter-commissaris, bedoeld in artikel 2.10.23, of de verlenging daarvan op grond van artikel 2.10.25, tweede lid;
de beslissing van de rechter-commissaris, op grond van artikel 2.10.39, eerste lid, anders dan op verzoek van de verdachte, dat ter gelegenheid van het verhoor van een getuige zijn identiteit verborgen wordt gehouden.
-
Artikel 2.10.70, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
De verdachte kan hoger beroep instellen tegen de afwijzing door de rechtbank van een verzoek op grond van artikel 2.10.35, tweede lid.
-
De termijn voor het instellen van beroep of hoger beroep is twee weken na de dagtekening van de beslissing. In het geval van het tweede lid, onderdeel a, is de termijn drie dagen na de betekening van het bevel. In het geval van het tweede lid, onderdeel b, is de termijn twee weken na betekening van het bevel. De rechtbank of het gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk.
Artikel 2.10.72
-
De getuige kan hoger beroep instellen tegen de afwijzing door de rechtbank van een verzoek tot invrijheidstelling op grond van artikel 2.10.36, tweede lid. Het hoger beroep wordt ingesteld binnen drie dagen na de betekening van de beslissing. Na afwijzing in hoger beroep kan de getuige binnen diezelfde termijn beroep in cassatie instellen.
-
De getuige kan beroep instellen tegen de afwijzing door de rechter-commissaris van een vordering of verzoek tot het geven van een bevel op grond van artikel 2.10.39, eerste lid. Het beroep wordt ingesteld binnen twee weken na de betekening van de beslissing en wordt behandeld door het gerecht in feitelijke aanleg dat de zaak berecht.
-
Bij het instellen, intrekken of afstand doen van beroep op grond van het tweede lid blijft artikel 5.2.4, eerste lid, onderdeel a, buiten beschouwing.
-
De rechtbank, het gerechtshof of de Hoge Raad beslist zo spoedig mogelijk.