1. Tenzij zij bij koninklijk besluit tot het afleggen van een getuigenis zijn gemachtigd, worden niet als getuigen opgeroepen of gehoord, de Koning, de vermoedelijk opvolger van de Koning, hun echtgenoten en de regent.

  2. Een regeling van vormen die bij het verhoor in acht zijn te nemen, wordt bij het besluit tot machtiging gegeven.