De rechter behandelt de zaak onbevooroordeeld en onpartijdig. Hij geeft tijdens het onderzoek van de zaak geen blijk van enige overtuiging omtrent de schuld of onschuld van de verdachte.
Nieuw Wetboek van Strafvordering Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 18-03-2026.
Inhoud
Boek 1 Strafvordering in het algemeen
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen en definities
Titel 1.1 Inleidende bepalingen
Hoofdstuk 2 De behandeling van zaken door de rechter
Hoofdstuk 3 Vervolging en opsporing van strafbare feiten
Hoofdstuk 4 De verdachte en zijn raadsman
Titel 4.1 De verdachte
Titel 4.2 De raadsman
Afdeling 4.2.1 Het optreden van de raadsman
Afdeling 4.2.2 De bevoegdheden van de raadsman
Hoofdstuk 5 Het slachtoffer
Hoofdstuk 6 De getuige
Hoofdstuk 7 De deskundige
Hoofdstuk 8 De processtukken
Hoofdstuk 9 Overdracht van berichten en het indienen van stukken
Hoofdstuk 11 Enige algemene voorzieningen
Titel 11.1 Herstelrecht
Titel 11.2 Videoconferentie
Titel 11.3 De inzet van tolken
Titel 11.4 Opdrachten aan de reclassering
Titel 11.5 Verstoring van ambtsverrichtingen
Boek 2 Het opsporingsonderzoek
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Titel 1.1 Definities
Titel 1.2 Algemene bepalingen over de uitoefening van bevoegdheden in het kader van het opsporingsonderzoek
Titel 1.3 Algemene bevoegdheid
Titel 1.4 Verslaglegging door opsporingsambtenaren
Titel 1.5 Vastlegging van bevelen en van machtigingen en vorderingen daartoe
Titel 1.6 Toestemming voor onderzoekshandelingen
Hoofdstuk 2 De aangifte
Hoofdstuk 3 Het verhoor door opsporingsambtenaren
Hoofdstuk 4 Deskundigenonderzoek in opdracht van de officier van justitie
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming
Titel 5.1 Algemene bepalingen
Titel 5.2 Staandehouding en aanhouding
Titel 5.3 Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.1 Ophouden voor onderzoek
Afdeling 5.3.2 Inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.3 Maatregelen ten aanzien van de voor onderzoek opgehouden of in verzekering gestelde verdachte
Afdeling 5.3.4 Voorgeleiding aan de rechter-commissaris
Titel 5.4 Voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.1 Algemene bepalingen
Afdeling 5.4.2 Toepassingsvoorwaarden
Afdeling 5.4.3 Schorsing van de voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.4 Opheffing van de voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.5 Bewaring
Afdeling 5.4.6 Gevangenhouding en gevangenneming
Afdeling 5.4.7 Beslissingen over voorlopige hechtenis in het eindvonnis
Afdeling 5.4.8 Voorlopige hechtenis na hoger beroep tegen het eindvonnis
Titel 5.5 Rechtsmiddelen
Afdeling 5.5.1 Bezwaar tegen het opleggen van maatregelen
Afdeling 5.5.2 Beroep tegen de directe invrijheidstelling van de verdachte
Afdeling 5.5.3 Beroep tegen beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis
Hoofdstuk 6 Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam
Titel 6.1 Algemene bepalingen
Afdeling 6.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 6.1.2 Onderzoek en fase van vrijheidsbeneming
Afdeling 6.1.3 Toestemming
Afdeling 6.1.4 Delegatie
Titel 6.2 Onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen
Titel 6.3 Onderzoek aan het lichaam
Titel 6.4 Onderzoek in het lichaam
Titel 6.5 Overige onderzoeken met betrekking tot het lichaam
Afdeling 6.5.1 Het nemen van vingerafdrukken en gezichtsopnamen ter identiteitsvaststelling
Afdeling 6.5.2 Onderzoek naar gebruik van geweldbevorderende middelen
Afdeling 6.5.3 Het maken van beeldopnamen, het opmeten van lichaamsmaten en het nemen van lichaamsafdrukken, -haar en -materiaal
Afdeling 6.5.4 Onderzoek ten aanzien van fysieke eigenschappen
Afdeling 6.5.5 Het houden van een confrontatie
Afdeling 6.5.6 DNA-onderzoek
Afdeling 6.5.7 Onderzoek naar een ernstige besmettelijke ziekte
Titel 6.6 Onderzoek met betrekking tot het lichaam van een overleden verdachte of slachtoffer
Titel 6.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 6.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 7 Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 7.1 Algemene bepalingen
Titel 7.2 Inbeslagneming van voorwerpen
Afdeling 7.2.1 Algemene bepalingen
Afdeling 7.2.2 Bevoegdheden tot inbeslagneming van voorwerpen
Afdeling 7.2.3 Inbeslagneming tot bewaring van het recht tot verhaal
Afdeling 7.2.4 Teruggave en bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen
Titel 7.3 Onderzoek van gegevens
Afdeling 7.3.1 Algemene bepalingen
Afdeling 7.3.2 Bevoegdheden
Afdeling 7.3.3 Verstrekking van gegevens ten behoeve van het onderzoek
Titel 7.4 Ontoegankelijkmaking van gegevens
Titel 7.5 Uitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht
Titel 7.6 Onderzoek ter plaatse
Titel 7.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 7.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 8 Heimelijke bevoegdheden
Titel 8.1 Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 8.1.2 Kennisgeving aan betrokkene
Afdeling 8.1.3 Voeging gegevens functioneel verschoningsgerechtigden
Afdeling 8.1.4 Technische hulpmiddelen
Afdeling 8.1.5 Verplichting tot inbeslagneming
Afdeling 8.1.6 Uitstel melding onbekende kwetsbaarheden
Titel 8.2 De bevoegdheden
Afdeling 8.2.1 Stelselmatige observatie
Afdeling 8.2.2 Stelselmatig overnemen persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen
Afdeling 8.2.3 Bevoegdheden ten aanzien van een besloten plaats
Afdeling 8.2.4 Pseudo-koop of -dienstverlening
Afdeling 8.2.5 Stelselmatige inwinning van informatie
Afdeling 8.2.6 Infiltratie
Afdeling 8.2.7 Vastleggen communicatie die plaatsvindt door middel van een aanbieder van een communicatiedienst
Afdeling 8.2.8 Vastleggen vertrouwelijke communicatie
Afdeling 8.2.9 Toegang op afstand tot een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk
Afdeling 8.2.10 Stelselmatige locatiebepaling
Titel 8.3 Bijstand door burgers bij de uitoefening van heimelijke bevoegdheden
Titel 8.4 Personen in de openbare dienst van een vreemde staat
Titel 8.5 Maatregelen in het belang van de veiligheid
Titel 8.6 Vermoeden georganiseerd verband en aanwijzingen terroristisch misdrijf
Titel 8.7 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 9 Het verkennend onderzoek
Hoofdstuk 10 Onderzoek door de rechter-commissaris
Titel 10.1 Algemene bepalingen
Titel 10.2 Bevoegdheden met betrekking tot de verdachte
Afdeling 10.2.1 Het verhoor van de verdachte
Afdeling 10.2.2 Observatie van de verdachte
Titel 10.3 Het verhoor van de getuige
Titel 10.4 De benoeming en het verhoor van een deskundige
Afdeling 10.4.1 De benoeming van een deskundige
Afdeling 10.4.2 Het verhoor van een deskundige
Titel 10.5 Getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan
Titel 10.6 Voortgangsbewaking door de rechter-commissaris
Titel 10.7 Beëindiging van het onderzoek
Titel 10.8 Rechtsmiddelen
Boek 3 Beslissingen over vervolging
Hoofdstuk 2 Bezwaarschrift tegen de procesinleiding
Hoofdstuk 3 De strafbeschikking
Titel 3.1 Inhoud van de strafbeschikking
Titel 3.2 Uitvaardigen van de strafbeschikking door opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak belast
Titel 3.3 Waarborgen bij het uitvaardigen van de strafbeschikking
Titel 3.4 Uitreiken en toezenden van de strafbeschikking
Titel 3.5 Intrekken en wijzigen van de strafbeschikking
Titel 3.6 Openbaarheid van de strafbeschikking
Hoofdstuk 4 Het achterwege laten van vervolging
Titel 4.1 Het sepot
Hoofdstuk 5 Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten
Hoofdstuk 6 Rechtsmiddelen
Boek 4 Berechting
Hoofdstuk 1 Het aanbrengen van de zaak ter berechting
Hoofdstuk 2 Het onderzoek op de terechtzitting
Titel 2.1 Algemene bepalingen
Titel 2.2 De aanvang van het onderzoek
Titel 2.3 De omvang van het onderzoek
Titel 2.4 Het onderzoek van de zaak zelf
Afdeling 2.4.1 Inleidende bepalingen
Afdeling 2.4.2 Het verhoor van de verdachte
Afdeling 2.4.3 Het verhoor van de getuige
Afdeling 2.4.4 Het verhoor van de deskundige
Afdeling 2.4.5 De uitoefening van het spreekrecht
Afdeling 2.4.6 Het beslag
Afdeling 2.4.7 Nader onderzoek
Afdeling 2.4.8 De schorsing van het onderzoek
Afdeling 2.4.9 Het requisitoir en het pleidooi, repliek en dupliek
Afdeling 2.4.10 De sluiting van het onderzoek en beslissingen ten aanzien van de uitspraak
Afdeling 2.4.11 Heropening van het onderzoek
Titel 2.5 De verslaglegging van het onderzoek op de terechtzitting
Hoofdstuk 3 De beraadslaging, de uitspraak en het eindvonnis
Hoofdstuk 4 De behandeling van met de berechting verbonden vorderingen
Titel 4.1 De vordering van de benadeelde partij
Titel 4.2 De vordering tot tenuitvoerlegging
Titel 4.3 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Afdeling 4.3.2 Afzonderlijke behandeling
Afdeling 4.3.3 Voeging en afsplitsing
Afdeling 4.3.4 De ontnemingsschikking
Hoofdstuk 5 De enkelvoudige kamer
Hoofdstuk 6 Herstelbeslissingen
Boek 5 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Het instellen en indienen, intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen
Hoofdstuk 3 Verzet tegen strafbeschikkingen
Hoofdstuk 4 Hoger beroep tegen vonnissen
Titel 4.1 Hoger beroep tegen eindvonnissen en tussenvonnissen
Afdeling 4.1.1 Gevallen waarin hoger beroep openstaat
Afdeling 4.1.2 De voorbereiding van de terechtzitting
Afdeling 4.1.3 De oproeping voor de terechtzitting
Afdeling 4.1.4 Het onderzoek op de terechtzitting
Afdeling 4.1.5 De beraadslaging, de uitspraak en het eindarrest
Titel 4.2 Hoger beroep in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 4.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 4.2.2 De vordering tot tenuitvoerlegging
Afdeling 4.2.3 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 4.3 De enkelvoudige kamer
Titel 4.4 Herstelbeslissingen
Hoofdstuk 5 Beroep in cassatie tegen arresten
Titel 5.1 Beroep in cassatie tegen eindarresten en tussenarresten
Afdeling 5.1.1 Gevallen waarin beroep in cassatie openstaat
Afdeling 5.1.2 De voorbereiding van de behandeling van het beroep in cassatie
Afdeling 5.1.3 De behandeling van het beroep in cassatie
Titel 5.2 Beroep in cassatie in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 5.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 5.2.2 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.3 Herstelarresten
Hoofdstuk 6 Gewone rechtsmiddelen tegen andere beslissingen
Hoofdstuk 7 Cassatie in het belang van de wet
Hoofdstuk 8 Herziening van arresten en vonnissen
Titel 8.1 Herziening ten voordele van de gewezen verdachte
- Artikel 5.8.1
- Artikel 5.8.2
- Artikel 5.8.3
- Artikel 5.8.4
- Artikel 5.8.5
- Artikel 5.8.6
- Artikel 5.8.7
- Artikel 5.8.8
- Artikel 5.8.9
- Artikel 5.8.10
- Artikel 5.8.11
- Artikel 5.8.12
- Artikel 5.8.13
- Artikel 5.8.14
- Artikel 5.8.15
- Artikel 5.8.16
- Artikel 5.8.17
- Artikel 5.8.18
- Artikel 5.8.19
- Artikel 5.8.20
- Artikel 5.8.21
- Artikel 5.8.22
- Artikel 5.8.23
- Artikel 5.8.24
- Artikel 5.8.25
- Artikel 5.8.26
Titel 8.2 Herziening ten nadele van de gewezen verdachte
Boek 6 Bijzondere regelingen
Hoofdstuk 1 Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte
Titel 1.1 Jeugdigen en jongvolwassenen
Afdeling 1.1.1 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.2 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.3 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.4 De raad voor de kinderbescherming
Afdeling 1.1.5 De betrokkenheid van de ouder of een persoon naar keuze
Afdeling 1.1.6 Vordering van de benadeelde partij
Titel 1.2 Verdachten die door een beperking of een ziekte onvoldoende in staat zijn aan het proces tegen hen deel te nemen
Titel 1.3 Rechtspersonen
Titel 1.4 Rechterlijke ambtenaren
Hoofdstuk 2 Procesincidenten
Hoofdstuk 4 Bijzondere procedures
Titel 4.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Afdeling 4.1.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen
Afdeling 4.1.2 Beklag met betrekking tot gegevens
Afdeling 4.1.3 Behandeling van het klaagschrift
Titel 4.2 Afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.3 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden van bijzondere aard
Titel 5.1 Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast
Titel 5.2 Bevoegdheden bij het ontruimen van een gekraakt pand
Afdeling 5.2.1 Bevoegdheden
Afdeling 5.2.2 Rechtsmiddelen
Titel 5.3 Bevoegdheden tot het betreden van plaatsen in verband met bepaalde misdrijven
Titel 5.4 Bevoegdheden in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf
Titel 5.5 Bevoegdheden in verband met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Afdeling 5.5.1 Bevoegdheden
Afdeling 5.5.2 Rechtsmiddelen
Titel 5.6 Bevoegdheden tot vastlegging en raadpleging van kentekengegevens
Titel 5.7 Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren
Hoofdstuk 6 Schadevergoeding en kosten
Boek 9 Slotbepalingen
Hoofdstuk 2
Artikel 1.2.2
De rechter, met uitzondering van de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris, onderzoekt de zaak met de behandeling waarvan hij is belast op de zitting, tenzij de wet anders bepaalt.
Artikel 1.2.3
-
De rechtbank beslist bij vonnis en het gerechtshof bij arrest in de gevallen bij de wet bepaald.
-
In ieder geval worden de rechterlijke beslissingen bij de berechting en bij de afzonderlijke behandeling van met de berechting verbonden vorderingen genomen bij vonnis of arrest.
-
Eindvonnissen en eindarresten zijn schriftelijk, tenzij de wet anders bepaalt.
-
Tussenvonnissen en tussenarresten zijn mondeling en worden aangetekend in het proces-verbaal van de zitting. De rechter kan bepalen dat een tussenvonnis of tussenarrest afzonderlijk schriftelijk wordt vastgelegd.
Artikel 1.2.4
Indien niet is voorgeschreven dat de rechtbank of het gerechtshof bij vonnis of arrest beslist, wordt de zaak behandeld door de raadkamer van de rechtbank of het gerechtshof. Op vorderingen of verzoeken die tijdens het onderzoek op de terechtzitting worden gedaan wordt echter op de terechtzitting beslist.
Artikel 1.2.5
-
De behandeling van zaken door de rechtbank en het gerechtshof vindt plaats door een meervoudige kamer of, in de gevallen waarin de wet dat bepaalt, door een enkelvoudige kamer.
-
De bevoegdheden die aan de voorzitter van de meervoudige kamer zijn toegekend, komen eveneens toe aan de enkelvoudige kamer.
-
De voorzitter heeft de leiding van het onderzoek op de zitting en geeft daartoe de nodige bevelen.
Artikel 1.2.6
-
Indien de zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer door een meervoudige kamer of door een andere enkelvoudige kamer dient te worden behandeld, verwijst zij de zaak daarheen.
-
Indien de zaak naar het oordeel van de meervoudige kamer door een enkelvoudige kamer of een andere meervoudige kamer dient te worden behandeld, verwijst zij de zaak daarheen.
-
Verwijzing op grond van het eerste of tweede lid kan ook voor de aanvang van het onderzoek op de zitting plaatsvinden door de voorzitter. Hij stelt de procespartijen daarvan in kennis en beveelt dat de officier van justitie van de verwijzing kennis geeft aan andere procesdeelnemers die al voor de terechtzitting zijn opgeroepen.
Artikel 1.2.7
-
De rechter die de zaak na de aanvang van het onderzoek op de zitting verwijst, onderbreekt het onderzoek of schorst het onderzoek voor bepaalde of onbepaalde tijd. Bij schorsing voor onbepaalde tijd wordt door de voorzitter van de meervoudige kamer dan wel de enkelvoudige kamer waarnaar werd verwezen een dag en tijdstip bepaald voor de nadere zitting.
-
Indien de zaak na de aanvang van het onderzoek op de zitting is verwezen naar een enkelvoudige kamer en de rechter die daarin zitting heeft deel uitmaakte van de meervoudige kamer die de zaak heeft verwezen, wordt het onderzoek hervat alsof geen verandering van samenstelling heeft plaatsgevonden. In andere gevallen wordt het onderzoek op de zitting na verwijzing opnieuw aangevangen tenzij het openbaar ministerie en de verdachte instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de verwijzing bevond.
-
In alle gevallen waarin de zaak na de aanvang van het onderzoek op de zitting is verwezen beraadslaagt de rechter mede naar aanleiding van het onderzoek op de zitting voor verwijzing zoals dat volgens het proces-verbaal van die zitting heeft plaatsgehad.
Artikel 1.2.8
-
De rechter en de griffier dagtekenen en ondertekenen processen-verbaal en rechterlijke beslissingen in de gevallen bij de wet bepaald.
-
Indien een rechter niet tot ondertekening in staat is van een beslissing die door een meervoudige kamer is genomen, kan die ondertekening achterwege blijven indien ten minste een van de rechters uit deze kamer ondertekent.
-
Indien geen van de rechters uit de meervoudige kamer in staat is tot ondertekening van een proces-verbaal of een beslissing, kan een andere rechter dit doen, indien:
die rechter door de voorzitter van het gerecht daarvoor is aangewezen;
die rechter zich ervan heeft vergewist dat het proces-verbaal weergeeft wat op de terechtzitting is voorgevallen of de beslissing weergeeft wat de meervoudige kamer heeft besloten; en
de griffier die bij de beraadslaging aanwezig is geweest het proces-verbaal of de beslissing mede ondertekent.
-
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing indien de rechter- of raadsheer-commissaris of de rechter die zitting heeft gehad in een enkelvoudige kamer niet in staat is tot ondertekening van een proces-verbaal of beslissing.
-
Indien de griffier niet tot ondertekening van een proces-verbaal of beslissing in staat is, kan die ondertekening achterwege blijven als ten minste een rechter heeft ondertekend. Indien de griffier niet tot het opmaken van een proces-verbaal of beslissing in staat is, kan dit door een daartoe door de voorzitter van de kamer aangewezen griffier gebeuren. Indien de voorzitter daartoe niet in staat is, kan een andere rechter uit de kamer dan wel de voorzitter van het gerecht een griffier aanwijzen.
-
Van een verhindering tot het opmaken of ondertekenen van een proces-verbaal of beslissing dan wel van het opmaken of ondertekenen door een andere rechter of griffier wordt aan het einde van het proces-verbaal of de beslissing melding gemaakt.
Artikel 1.2.9
-
De rechtbanken zijn bevoegd om strafbare feiten te berechten die zijn begaan:
binnen hun rechtsgebied;
door een verdachte die binnen hun rechtsgebied woon- of verblijfplaats heeft, door een verdachte die binnen hun rechtsgebied woon- of verblijfplaats had op het moment waarop de officier van justitie de bewaring vorderde of vorderde dat de rechter-commissaris onderzoek verricht op grond van artikel 2.10.1 of door een verdachte die binnen hun rechtsgebied zijn laatst bekende woon- of verblijfplaats heeft gehad;
door een verdachte die zich binnen hun rechtsgebied bevindt of door een verdachte die zich binnen hun rechtsgebied bevond op het moment waarop de officier van justitie de bewaring vorderde of vorderde dat de rechter-commissaris onderzoek verricht op grond van artikel 2.10.1;
door een verdachte tegen wie binnen hun rechtsgebied ter zake van een ander feit door de officier van justitie de bewaring is gevorderd, tegen wie ter zake van een ander feit is gevorderd dat de rechter-commissaris onderzoek verricht op grond van artikel 2.10.1 of tegen wie ter zake van een ander feit een procesinleiding is ingediend.
-
Onverminderd het eerste lid zijn bevoegd om strafbare feiten te berechten:
die zijn begaan ter zee buiten het rechtsgebied van een rechtbank of aan boord van een vaartuig dat buitengaats wordt gebracht: de rechtbanken met een rechtsgebied dat grenst aan de territoriale zee alsmede de rechtbank Amsterdam;
ten aanzien waarvan bij algemene maatregel van bestuur is bepaald dat de officier van justitie bij het landelijk parket of de officier van justitie bij het functioneel parket zich daarop bij de uitoefening van zijn bevoegdheden in het bijzonder richt: de rechtbank Amsterdam, de rechtbank Oost-Brabant, de rechtbank Overijssel en de rechtbank Rotterdam.
die worden vervolgd op grond van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie («EOM») (PbEU 2017, L 283): de rechtbank Amsterdam, de rechtbank Oost-Brabant, de rechtbank Overijssel en de rechtbank Rotterdam;
-
De rechtbank Midden-Nederland is bij uitsluiting bevoegd indien een ambtenaar, aan wie bij of krachtens artikel 7, eerste of negende lid, van de Politiewet 2012 of artikel 6, eerste lid, van de Wet bijzondere opsporingsdiensten de bevoegdheid geweld te gebruiken is toegekend, wordt vervolgd naar aanleiding van het in de uitoefening van zijn functie gebruiken van geweld. Met een ambtenaar aan wie bij of krachtens artikel 7, eerste, achtste of negende lid, van de Politiewet 2012 of artikel 6, eerste lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten de bevoegdheid geweld te gebruiken is toegekend, wordt gelijkgesteld een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat die in Nederland op door het volkenrecht toegelaten wijze zijn bediening uitoefent en aan wie de bevoegdheid geweld te gebruiken is toegekend.
-
Bij deelneming van meer dan één persoon aan hetzelfde strafbare feit brengt de bevoegdheid ten aanzien van één van de verdachten de bevoegdheid mee ten aanzien van de andere verdachten.
-
Indien door meer dan één persoon, al dan niet tezamen, verschillende strafbare feiten zijn begaan, die in zodanig verband tot elkaar staan dat de berechting door één rechtbank gewenst is, brengt de bevoegdheid ten aanzien van één van de verdachten de bevoegdheid mee ten aanzien van de andere verdachten.
Artikel 1.2.10
Strafbare feiten buiten het rechtsgebied van een rechtbank aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig begaan, worden bij het bepalen van de bevoegdheid van de rechtbank geacht te zijn begaan binnen het rijk op de plaats:
waar de eigenaar van het vaartuig of luchtvaartuig zijn woonplaats heeft;
indien deze een rechtspersoon is, waar zij haar zetel heeft; of
waar het vaartuig teboekstaat.
Artikel 1.2.11
Indien geen rechtbank bevoegd is op grond van de artikelen 1.2.9 en 1.2.10, is de rechtbank Amsterdam bevoegd.
Artikel 1.2.12
-
In alle gevallen waarin een zaak wordt behandeld door de raadkamer gelden de bepalingen van deze titel, tenzij de wet anders bepaalt.
-
In gevallen waarin de wet niet bepaalt welke rechtbank bevoegd is om te oordelen over een vordering van het openbaar ministerie, is de rechtbank bevoegd die bevoegd is om het strafbare feit waarop de vordering betrekking heeft te berechten.
-
In gevallen waarin de wet niet bepaalt welke rechtbank bevoegd is om te oordelen over het bezwaarschrift, het klaagschrift of het verzoek, is bevoegd de rechtbank die het strafbare feit waarop het bezwaarschrift, het klaagschrift of het verzoek betrekking heeft, zal berechten, berecht of laatstelijk heeft berecht. Indien nog onbekend is of, en zo ja door welke rechtbank berechting zal plaatsvinden, is de rechtbank bevoegd in het rechtsgebied waarbinnen de verdachte voor het eerst is verhoord.
-
Indien de rechtbank in het geval, bedoeld in het derde lid, tweede zin, voordat zij op het bezwaarschrift, het klaagschrift of het verzoek beslist constateert dat de berechting bij een andere rechtbank plaatsvindt of zal plaatsvinden, kan zij het bezwaarschrift, het klaagschrift of het verzoek aan die rechtbank overdragen.
Artikel 1.2.13
-
Behandeling door een enkelvoudige kamer van de rechtbank kan plaatsvinden indien de zaak van eenvoudige aard is en indien het belang ervan zich daartegen niet verzet. Behandeling door een meervoudige kamer van de rechtbank vindt in ieder geval plaats indien het betreft:
beroep tegen of toetsing van een beslissing van de rechter-commissaris;
een vordering van het openbaar ministerie tot gevangenhouding of gevangenneming of tot de verlenging daarvan;
een vordering van het openbaar ministerie strekkende tot vrijheidsbeneming voor de duur van een jaar of meer;
een bezwaarschrift tegen de procesinleiding indien de berechting zal plaatsvinden door een meervoudige kamer; of
een verzoek om wraking of een verzoek om verschoning.
-
Behandeling door een enkelvoudige kamer van het gerechtshof kan plaatsvinden indien de behandeling verband houdt met een zaak die in hoger beroep door een enkelvoudige kamer zal worden berecht, wordt berecht of is berecht.
-
Indien een beslissing moet worden genomen tijdens de berechting, vindt de behandeling in raadkamer zoveel mogelijk plaats door de rechters die met de berechting van het desbetreffende strafbare feit zijn belast.
Artikel 1.2.14
-
De rechter die als rechter-commissaris of als raadsheer-commissaris enig onderzoek in de zaak heeft verricht, neemt niet deel aan de behandeling door de raadkamer, tenzij de rechter ook aan de berechting kan deelnemen.
-
De rechter die heeft beslist op het beroep van het openbaar ministerie tegen de weigering door de rechter-commissaris van een machtiging als bedoeld in artikel 1.8.3, eerste lid, of artikel 1.8.5, vierde lid, neemt niet deel aan de behandeling.
Artikel 1.2.15
-
Het openbaar ministerie draagt de op de zaak betrekking hebbende stukken over. De raadkamer kan het openbaar ministerie bevelen aanvullende stukken over te dragen.
-
De betrokken procespartij en haar raadsman of advocaat kunnen van de op de zaak betrekking hebbende stukken kennisnemen, voor zover het belang van het onderzoek hierdoor niet ernstig wordt geschaad.
-
Het openbaar ministerie kan het overdragen van stukken weigeren indien het de kennisneming of het voegen ervan heeft geweigerd op grond van een bevoegdheid door de wet toegekend.
-
Het derde lid is niet van toepassing bij de behandeling van het beroep van het openbaar ministerie tegen de afwijzing door de rechter-commissaris van een vordering op grond van artikel 1.8.3, eerste lid of 1.8.5, vierde lid.
Artikel 1.2.16
-
Het onderzoek op de zitting vindt in het openbaar plaats, tenzij de wet anders bepaalt.
-
De raadkamer kan bevelen dat het onderzoek geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren plaatsvindt. Dit bevel kan worden gegeven in het belang van de goede zeden, de openbare orde, de staatsveiligheid, en ook indien de belangen van personen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken procespartij, andere procesdeelnemers of anderszins bij de zaak betrokkenen dit eisen. Het bevel kan ook worden gegeven indien de openbaarheid naar het oordeel van de raadkamer het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden.
-
Een bevel als bedoeld in het tweede lid wordt door de raadkamer ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie, op verzoek van de betrokken procespartij of op verzoek van een andere procesdeelnemer gegeven. Voordat de raadkamer het bevel geeft, hoort zij het openbaar ministerie, de betrokken procespartij en andere procesdeelnemers, zo nodig met gesloten deuren.
-
Tot bijwoning van de niet openbare zitting kan de voorzitter bijzondere toegang verlenen.
-
Tot bijwoning van een openbare zitting worden als toehoorders niet toegelaten personen die de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt, tenzij de voorzitter in een bijzonder geval anders oordeelt. De voorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders niet toe te laten indien zij de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt. Deze bevoegdheid bestaat niet bij slachtoffers.
-
In geval van een beroep tegen een beslissing van de rechter-commissaris vindt het onderzoek op de zitting niet in het openbaar plaats.
Artikel 1.2.17
-
In gevallen bij de wet bepaald kan de raadkamer zonder onderzoek op de zitting een beslissing nemen.
-
De raadkamer kan een verzoek van de betrokken procespartij of een voordracht van de rechter-commissaris zonder onderzoek op de zitting inwilligen indien het openbaar ministerie te kennen heeft gegeven tegen inwilliging geen bezwaar te maken dan wel indien het openbaar ministerie, hoewel in de gelegenheid gesteld om bezwaar te maken, van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt.
Artikel 1.2.18
-
Het openbaar ministerie is bij het onderzoek op de zitting aanwezig en wordt gehoord over de beslissingen die de raadkamer heeft te nemen.
-
De betrokken procespartij wordt gehoord, althans hiertoe opgeroepen. Artikel 1.6.1 is van overeenkomstige toepassing indien de betrokken procespartij niet de verdachte is.
-
De betrokken procespartij kan zich bij het onderzoek op de zitting doen bijstaan door een raadsman of advocaat.
-
Tenzij de wet anders bepaalt, kan de betrokken procespartij zijn belangen laten behartigen door een raadsman of advocaat indien die raadsman of advocaat verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.
-
Het tweede tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing voor zover het belang van het onderzoek hierdoor ernstig wordt geschaad.
Artikel 1.2.19
-
De raadkamer onderzoekt de zaak op de zitting op de wijze die zij nodig oordeelt.
-
De raadkamer kan, indien zij het wenselijk acht dat de verdachte of de veroordeelde bij het onderzoek op de zitting aanwezig is, bevelen dat de verdachte of de veroordeelde in persoon zal verschijnen; zij kan daartoe een bevel tot medebrenging geven.
-
De voorzitter deelt de verdachte mee dat hij niet verplicht is tot antwoorden. Deze mededeling wordt in het proces-verbaal vermeld.
-
De raadkamer kan een getuige of deskundige oproepen voor verhoor. De artikelen 4.2.19, vierde lid, 4.2.37, 4.2.40, 4.2.41 en 4.2.44 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.2.20
-
Indien zij dat in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, beveelt de raadkamer de schorsing van de behandeling voor bepaalde of onbepaalde tijd. De redenen voor de schorsing worden in het proces-verbaal vastgelegd.
-
De behandeling van de zaak wordt na een schorsing hervat in de stand waarin de behandeling zich bevond op het tijdstip van de schorsing. Bij verandering in de samenstelling van de raadkamer wordt het onderzoek opnieuw aangevangen tenzij het openbaar ministerie en de betrokken procespartij instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond.
-
Indien het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak dit vereist, kan de raadkamer de stukken met overeenkomstige toepassing van artikel 4.2.51 overdragen aan de rechter-commissaris.
Artikel 1.2.21
-
De griffier legt tijdens het onderzoek op de zitting de namen van de rechters, de in acht genomen vormen, al hetgeen met betrekking tot de zaak voorvalt alsmede de afgelegde verklaringen vast.
-
De griffier legt een omstandigheid, verklaring of opgave vast of neemt een verklaring woordelijk op wanneer de raadkamer dat nodig oordeelt of wanneer het openbaar ministerie, de betrokken procespartij, haar raadsman of advocaat, de getuige of de deskundige dat verzoekt, voor zover het verzoek redelijke grenzen niet overschrijdt.
-
Vastlegging door de griffier kan achterwege blijven indien van het onderzoek op de zitting een geluidsopname of geluids- en beeldopname wordt gemaakt.
-
De griffier maakt van de behandeling proces-verbaal op indien tegen de beslissing een gewoon rechtsmiddel wordt ingesteld en ingeval de raadkamer daartoe beslist. De griffier maakt voorts proces-verbaal op indien het openbaar ministerie of de betrokken procespartij dat verzoekt, tenzij met het opmaken van proces-verbaal geen redelijk belang is gediend. Het proces-verbaal bevat de gegevens, vermeld in het eerste lid.
-
Het proces-verbaal wordt door de voorzitter of een ander lid van de raadkamer en door de griffier ondertekend.
Artikel 1.2.22
-
In het geval een geluidsopname of geluids- en beeldopname is gemaakt van het onderzoek op de zitting, kan de voorzitter bepalen dat de griffier een verkort proces-verbaal opmaakt.
-
Een verkort proces-verbaal bevat in ieder geval de namen van de rechters en van de griffier, de op de zitting genomen beslissingen en een summiere weergave van hetgeen bij de behandeling in raadkamer is voorgevallen. Onder het verkort proces-verbaal zijn begrepen de stukken die daar als bijlage aan zijn toegevoegd.
-
Artikel 1.2.21, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op het verkort proces-verbaal.
-
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de inhoud van een verkort proces-verbaal.
Artikel 1.2.23
-
De raadkamer kan direct na de sluiting van het onderzoek uitspraak doen. In het andere geval deelt de voorzitter mee wanneer de beslissing zal worden uitgesproken. De uitspraak wordt gedaan op een openbare zitting van de rechtbank. Indien de wet bepaalt dat het onderzoek op de zitting niet openbaar is, wordt hetzij de beslissing direct genomen en meegedeeld, hetzij door de voorzitter meegedeeld binnen welke termijn de beslissing zal worden genomen.
-
De beslissing die niet direct wordt uitgesproken, wordt genomen binnen de daarvoor in de wet bepaalde termijn. Indien de wet geen termijn stelt, wordt zij uiterlijk zes weken na sluiting van het onderzoek genomen.
-
De beslissing is schriftelijk, gedagtekend en gemotiveerd, tenzij de wet anders bepaalt.
-
De beslissing wordt ondertekend door de voorzitter en de griffier.
Artikel 1.2.24
-
De griffier brengt de beslissing van de raadkamer direct ter kennis van het openbaar ministerie.
-
Het openbaar ministerie brengt de beslissing direct ter kennis van de betrokken procespartij dan wel zijn raadsman of advocaat.
-
Indien op grond van artikel 1.2.18, vijfde lid, oproeping achterwege is gebleven, brengt het openbaar ministerie de beslissing ter kennis van de betrokken procespartij zodra het belang van het onderzoek zich daartegen niet meer verzet.
-
In gevallen waarin de raadkamer op grond van artikel 1.2.17 zonder onderzoek op de zitting een beslissing neemt, brengt de griffier deze beslissing direct ter kennis van de betrokken procespartij dan wel zijn raadsman of advocaat.
Artikel 1.2.25
-
In elke rechtbank zijn rechters-commissarissen voor het in bij de wet bepaalde gevallen uitoefenen van bevoegdheden in het kader van de strafvordering.
-
De rechter-commissaris oefent zijn bevoegdheden uit in het belang van de rechtsbescherming en van de volledigheid, de evenwichtigheid en de voortgang van het opsporingsonderzoek.
Artikel 1.2.26
-
In gevallen waarin de wet niet bepaalt welke rechter-commissaris bevoegd is om te oordelen over de vordering van de officier van justitie, is bevoegd de rechter-commissaris in de rechtbank die bevoegd is om het strafbare feit waarop de vordering betrekking heeft te berechten.
-
In gevallen waarin de wet niet bepaalt welke rechter-commissaris bevoegd is om te oordelen over een verzoek of bezwaarschrift, is bevoegd de rechter-commissaris in de rechtbank die het strafbare feit waarop het verzoek of het bezwaarschrift betrekking heeft, zal berechten, berecht of laatstelijk heeft berecht. Indien nog onbekend is of en zo ja door welke rechtbank berechting zal plaatsvinden, is de rechter-commissaris bevoegd in de rechtbank in het rechtsgebied waarbinnen de verdachte voor het eerst is verhoord.
-
Indien de rechter-commissaris in het geval, bedoeld in het tweede lid, tweede zin, voordat hij op het verzoek of het bezwaarschrift heeft beslist constateert dat de berechting bij een andere rechtbank plaatsvindt of zal plaatsvinden, kan hij het verzoek of het bezwaarschrift aan de rechter-commissaris in die rechtbank overdragen.
-
De rechter-commissaris kan een bepaalde bevoegdheid ook binnen het rechtsgebied van een andere rechtbank uitoefenen. Hij stelt in dat geval zijn ambtgenoot hiervan tijdig in kennis.
-
De rechter-commissaris kan de uitoefening van een bevoegdheid overdragen aan de rechter-commissaris in de rechtbank in het rechtsgebied waarbinnen zij moet plaatshebben.
Artikel 1.2.27
-
De rechter-commissaris oefent zijn bevoegdheden uit binnen een kabinet van rechters-commissarissen en wordt bijgestaan door de griffier.
-
Bij afwezigheid van de griffier kan de rechter-commissaris in dringende gevallen een persoon aanwijzen om bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden als griffier op te treden. Deze griffier wordt voor aanvang van zijn werkzaamheden door de rechter-commissaris beëdigd dat hij zijn taak naar behoren zal vervullen.
Artikel 1.2.28
De officier van justitie draagt er zorg voor dat de rechter-commissaris tijdig alle relevante stukken ontvangt en voorziet de rechter-commissaris van de inlichtingen die nodig zijn voor een goede uitoefening van zijn bevoegdheden.
Artikel 1.2.29
De rechter-commissaris, of op zijn aanwijzing de griffier, maakt in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en overigens voor zover de rechter-commissaris dat nodig oordeelt, proces-verbaal op van hetgeen tijdens de uitoefening van zijn bevoegdheden is voorgevallen.
Artikel 1.2.30
Indien de rechter-commissaris bij de uitoefening van zijn bevoegdheden buiten aanwezigheid van de officier van justitie constateert dat een strafbaar feit wordt begaan, doet hij daarvan een proces-verbaal opmaken en toekomen aan de officier van justitie. Hij kan tevens ambtshalve de bewaring van de verdachte bevelen. De bepalingen van Boek 2, Titel 5.4, zijn van toepassing.
Artikel 1.2.31
-
Alvorens te beslissen op een bezwaarschrift stelt de rechter-commissaris de officier van justitie in de gelegenheid opmerkingen te maken. Hij stelt de indiener van het bezwaarschrift in de gelegenheid te reageren op de opmerkingen van de officier van justitie.
-
De rechter-commissaris kan de officier van justitie en de indiener van het bezwaarschrift horen, althans hen hiertoe oproepen. De indiener van het bezwaarschrift kan zich bij het horen door een raadsman of advocaat doen bijstaan.
-
Tenzij de wet anders bepaalt, kan de verdachte die een bezwaarschrift indient zijn belangen laten behartigen door een raadsman en kan een andere indiener van een bezwaarschrift zijn belangen laten behartigen door een advocaat, indien die raadsman of advocaat verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.
Artikel 1.2.32
-
De rechter-commissaris beslist zo spoedig mogelijk op een bezwaarschrift.
-
De beslissing is schriftelijk, gedagtekend en gemotiveerd, tenzij de wet anders bepaalt. Bij dringende noodzaak kan de rechter-commissaris een mondelinge beslissing geven, die binnen drie dagen schriftelijk wordt vastgelegd. De rechter-commissaris ondertekent de beslissing.
-
De rechter-commissaris brengt de beslissing direct ter kennis van de indiener van het bezwaarschrift dan wel zijn raadsman of advocaat en de officier van justitie.