1. De rechter of ambtenaar die met de leiding van ambtsverrichtingen is belast, draagt zorg voor de handhaving van de orde bij gelegenheid van die verrichtingen.

  2. De rechter of ambtenaar neemt de maatregelen die nodig zijn om de ambtsverrichtingen ongestoord te laten plaatsvinden.

  3. De rechter of ambtenaar kan degene die de orde verstoort of de ambtsverrichtingen op enigerlei wijze hindert, na hem te hebben gewaarschuwd, bevelen dat hij zal vertrekken en, bij weigering, hem doen verwijderen en zo nodig tot de afloop van de ambtsverrichtingen in verzekering doen stellen.

  4. De maatregelen genoemd in het tweede en derde lid worden vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting of een proces-verbaal dat bij de processtukken wordt gevoegd.

  5. Met de uitvoering van de maatregelen zijn belast ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en andere ambtenaren of functionarissen die door Onze Minister zijn aangewezen. Deze ambtenaren of functionarissen nemen de aanwijzingen in acht van de rechter of de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid.