Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien.
Nieuw Wetboek van Strafvordering Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 18-03-2026.
Inhoud
Boek 1 Strafvordering in het algemeen
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen en definities
Titel 1.1 Inleidende bepalingen
Hoofdstuk 2 De behandeling van zaken door de rechter
Hoofdstuk 3 Vervolging en opsporing van strafbare feiten
Hoofdstuk 4 De verdachte en zijn raadsman
Titel 4.1 De verdachte
Titel 4.2 De raadsman
Afdeling 4.2.1 Het optreden van de raadsman
Afdeling 4.2.2 De bevoegdheden van de raadsman
Hoofdstuk 5 Het slachtoffer
Hoofdstuk 6 De getuige
Hoofdstuk 7 De deskundige
Hoofdstuk 8 De processtukken
Hoofdstuk 9 Overdracht van berichten en het indienen van stukken
Hoofdstuk 11 Enige algemene voorzieningen
Titel 11.1 Herstelrecht
Titel 11.2 Videoconferentie
Titel 11.3 De inzet van tolken
Titel 11.4 Opdrachten aan de reclassering
Titel 11.5 Verstoring van ambtsverrichtingen
Boek 2 Het opsporingsonderzoek
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Titel 1.1 Definities
Titel 1.2 Algemene bepalingen over de uitoefening van bevoegdheden in het kader van het opsporingsonderzoek
Titel 1.3 Algemene bevoegdheid
Titel 1.4 Verslaglegging door opsporingsambtenaren
Titel 1.5 Vastlegging van bevelen en van machtigingen en vorderingen daartoe
Titel 1.6 Toestemming voor onderzoekshandelingen
Hoofdstuk 2 De aangifte
Hoofdstuk 3 Het verhoor door opsporingsambtenaren
Hoofdstuk 4 Deskundigenonderzoek in opdracht van de officier van justitie
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming
Titel 5.1 Algemene bepalingen
Titel 5.2 Staandehouding en aanhouding
Titel 5.3 Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.1 Ophouden voor onderzoek
Afdeling 5.3.2 Inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.3 Maatregelen ten aanzien van de voor onderzoek opgehouden of in verzekering gestelde verdachte
Afdeling 5.3.4 Voorgeleiding aan de rechter-commissaris
Titel 5.4 Voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.1 Algemene bepalingen
Afdeling 5.4.2 Toepassingsvoorwaarden
Afdeling 5.4.3 Schorsing van de voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.4 Opheffing van de voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.5 Bewaring
Afdeling 5.4.6 Gevangenhouding en gevangenneming
Afdeling 5.4.7 Beslissingen over voorlopige hechtenis in het eindvonnis
Afdeling 5.4.8 Voorlopige hechtenis na hoger beroep tegen het eindvonnis
Titel 5.5 Rechtsmiddelen
Afdeling 5.5.1 Bezwaar tegen het opleggen van maatregelen
Afdeling 5.5.2 Beroep tegen de directe invrijheidstelling van de verdachte
Afdeling 5.5.3 Beroep tegen beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis
Hoofdstuk 6 Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam
Titel 6.1 Algemene bepalingen
Afdeling 6.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 6.1.2 Onderzoek en fase van vrijheidsbeneming
Afdeling 6.1.3 Toestemming
Afdeling 6.1.4 Delegatie
Titel 6.2 Onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen
Titel 6.3 Onderzoek aan het lichaam
Titel 6.4 Onderzoek in het lichaam
Titel 6.5 Overige onderzoeken met betrekking tot het lichaam
Afdeling 6.5.1 Het nemen van vingerafdrukken en gezichtsopnamen ter identiteitsvaststelling
Afdeling 6.5.2 Onderzoek naar gebruik van geweldbevorderende middelen
Afdeling 6.5.3 Het maken van beeldopnamen, het opmeten van lichaamsmaten en het nemen van lichaamsafdrukken, -haar en -materiaal
Afdeling 6.5.4 Onderzoek ten aanzien van fysieke eigenschappen
Afdeling 6.5.5 Het houden van een confrontatie
Afdeling 6.5.6 DNA-onderzoek
Afdeling 6.5.7 Onderzoek naar een ernstige besmettelijke ziekte
Titel 6.6 Onderzoek met betrekking tot het lichaam van een overleden verdachte of slachtoffer
Titel 6.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 6.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 7 Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 7.1 Algemene bepalingen
Titel 7.2 Inbeslagneming van voorwerpen
Afdeling 7.2.1 Algemene bepalingen
Afdeling 7.2.2 Bevoegdheden tot inbeslagneming van voorwerpen
Afdeling 7.2.3 Inbeslagneming tot bewaring van het recht tot verhaal
Afdeling 7.2.4 Teruggave en bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen
Titel 7.3 Onderzoek van gegevens
Afdeling 7.3.1 Algemene bepalingen
Afdeling 7.3.2 Bevoegdheden
Afdeling 7.3.3 Verstrekking van gegevens ten behoeve van het onderzoek
Titel 7.4 Ontoegankelijkmaking van gegevens
Titel 7.5 Uitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht
Titel 7.6 Onderzoek ter plaatse
Titel 7.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 7.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 8 Heimelijke bevoegdheden
Titel 8.1 Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 8.1.2 Kennisgeving aan betrokkene
Afdeling 8.1.3 Voeging gegevens functioneel verschoningsgerechtigden
Afdeling 8.1.4 Technische hulpmiddelen
Afdeling 8.1.5 Verplichting tot inbeslagneming
Afdeling 8.1.6 Uitstel melding onbekende kwetsbaarheden
Titel 8.2 De bevoegdheden
Afdeling 8.2.1 Stelselmatige observatie
Afdeling 8.2.2 Stelselmatig overnemen persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen
Afdeling 8.2.3 Bevoegdheden ten aanzien van een besloten plaats
Afdeling 8.2.4 Pseudo-koop of -dienstverlening
Afdeling 8.2.5 Stelselmatige inwinning van informatie
Afdeling 8.2.6 Infiltratie
Afdeling 8.2.7 Vastleggen communicatie die plaatsvindt door middel van een aanbieder van een communicatiedienst
Afdeling 8.2.8 Vastleggen vertrouwelijke communicatie
Afdeling 8.2.9 Toegang op afstand tot een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk
Afdeling 8.2.10 Stelselmatige locatiebepaling
Titel 8.3 Bijstand door burgers bij de uitoefening van heimelijke bevoegdheden
Titel 8.4 Personen in de openbare dienst van een vreemde staat
Titel 8.5 Maatregelen in het belang van de veiligheid
Titel 8.6 Vermoeden georganiseerd verband en aanwijzingen terroristisch misdrijf
Titel 8.7 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 9 Het verkennend onderzoek
Hoofdstuk 10 Onderzoek door de rechter-commissaris
Titel 10.1 Algemene bepalingen
Titel 10.2 Bevoegdheden met betrekking tot de verdachte
Afdeling 10.2.1 Het verhoor van de verdachte
Afdeling 10.2.2 Observatie van de verdachte
Titel 10.3 Het verhoor van de getuige
Titel 10.4 De benoeming en het verhoor van een deskundige
Afdeling 10.4.1 De benoeming van een deskundige
Afdeling 10.4.2 Het verhoor van een deskundige
Titel 10.5 Getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan
Titel 10.6 Voortgangsbewaking door de rechter-commissaris
Titel 10.7 Beëindiging van het onderzoek
Titel 10.8 Rechtsmiddelen
Boek 3 Beslissingen over vervolging
Hoofdstuk 2 Bezwaarschrift tegen de procesinleiding
Hoofdstuk 3 De strafbeschikking
Titel 3.1 Inhoud van de strafbeschikking
Titel 3.2 Uitvaardigen van de strafbeschikking door opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak belast
Titel 3.3 Waarborgen bij het uitvaardigen van de strafbeschikking
Titel 3.4 Uitreiken en toezenden van de strafbeschikking
Titel 3.5 Intrekken en wijzigen van de strafbeschikking
Titel 3.6 Openbaarheid van de strafbeschikking
Hoofdstuk 4 Het achterwege laten van vervolging
Titel 4.1 Het sepot
Hoofdstuk 5 Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten
Hoofdstuk 6 Rechtsmiddelen
Boek 4 Berechting
Hoofdstuk 1 Het aanbrengen van de zaak ter berechting
Hoofdstuk 2 Het onderzoek op de terechtzitting
Titel 2.1 Algemene bepalingen
Titel 2.2 De aanvang van het onderzoek
Titel 2.3 De omvang van het onderzoek
Titel 2.4 Het onderzoek van de zaak zelf
Afdeling 2.4.1 Inleidende bepalingen
Afdeling 2.4.2 Het verhoor van de verdachte
Afdeling 2.4.3 Het verhoor van de getuige
Afdeling 2.4.4 Het verhoor van de deskundige
Afdeling 2.4.5 De uitoefening van het spreekrecht
Afdeling 2.4.6 Het beslag
Afdeling 2.4.7 Nader onderzoek
Afdeling 2.4.8 De schorsing van het onderzoek
Afdeling 2.4.9 Het requisitoir en het pleidooi, repliek en dupliek
Afdeling 2.4.10 De sluiting van het onderzoek en beslissingen ten aanzien van de uitspraak
Afdeling 2.4.11 Heropening van het onderzoek
Titel 2.5 De verslaglegging van het onderzoek op de terechtzitting
Hoofdstuk 3 De beraadslaging, de uitspraak en het eindvonnis
Hoofdstuk 4 De behandeling van met de berechting verbonden vorderingen
Titel 4.1 De vordering van de benadeelde partij
Titel 4.2 De vordering tot tenuitvoerlegging
Titel 4.3 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Afdeling 4.3.2 Afzonderlijke behandeling
Afdeling 4.3.3 Voeging en afsplitsing
Afdeling 4.3.4 De ontnemingsschikking
Hoofdstuk 5 De enkelvoudige kamer
Hoofdstuk 6 Herstelbeslissingen
Boek 5 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Het instellen en indienen, intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen
Hoofdstuk 3 Verzet tegen strafbeschikkingen
Hoofdstuk 4 Hoger beroep tegen vonnissen
Titel 4.1 Hoger beroep tegen eindvonnissen en tussenvonnissen
Afdeling 4.1.1 Gevallen waarin hoger beroep openstaat
Afdeling 4.1.2 De voorbereiding van de terechtzitting
Afdeling 4.1.3 De oproeping voor de terechtzitting
Afdeling 4.1.4 Het onderzoek op de terechtzitting
Afdeling 4.1.5 De beraadslaging, de uitspraak en het eindarrest
Titel 4.2 Hoger beroep in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 4.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 4.2.2 De vordering tot tenuitvoerlegging
Afdeling 4.2.3 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 4.3 De enkelvoudige kamer
Titel 4.4 Herstelbeslissingen
Hoofdstuk 5 Beroep in cassatie tegen arresten
Titel 5.1 Beroep in cassatie tegen eindarresten en tussenarresten
Afdeling 5.1.1 Gevallen waarin beroep in cassatie openstaat
Afdeling 5.1.2 De voorbereiding van de behandeling van het beroep in cassatie
Afdeling 5.1.3 De behandeling van het beroep in cassatie
Titel 5.2 Beroep in cassatie in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 5.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 5.2.2 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.3 Herstelarresten
Hoofdstuk 6 Gewone rechtsmiddelen tegen andere beslissingen
Hoofdstuk 7 Cassatie in het belang van de wet
Hoofdstuk 8 Herziening van arresten en vonnissen
Titel 8.1 Herziening ten voordele van de gewezen verdachte
- Artikel 5.8.1
- Artikel 5.8.2
- Artikel 5.8.3
- Artikel 5.8.4
- Artikel 5.8.5
- Artikel 5.8.6
- Artikel 5.8.7
- Artikel 5.8.8
- Artikel 5.8.9
- Artikel 5.8.10
- Artikel 5.8.11
- Artikel 5.8.12
- Artikel 5.8.13
- Artikel 5.8.14
- Artikel 5.8.15
- Artikel 5.8.16
- Artikel 5.8.17
- Artikel 5.8.18
- Artikel 5.8.19
- Artikel 5.8.20
- Artikel 5.8.21
- Artikel 5.8.22
- Artikel 5.8.23
- Artikel 5.8.24
- Artikel 5.8.25
- Artikel 5.8.26
Titel 8.2 Herziening ten nadele van de gewezen verdachte
Boek 6 Bijzondere regelingen
Hoofdstuk 1 Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte
Titel 1.1 Jeugdigen en jongvolwassenen
Afdeling 1.1.1 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.2 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.3 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.4 De raad voor de kinderbescherming
Afdeling 1.1.5 De betrokkenheid van de ouder of een persoon naar keuze
Afdeling 1.1.6 Vordering van de benadeelde partij
Titel 1.2 Verdachten die door een beperking of een ziekte onvoldoende in staat zijn aan het proces tegen hen deel te nemen
Titel 1.3 Rechtspersonen
Titel 1.4 Rechterlijke ambtenaren
Hoofdstuk 2 Procesincidenten
Hoofdstuk 4 Bijzondere procedures
Titel 4.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Afdeling 4.1.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen
Afdeling 4.1.2 Beklag met betrekking tot gegevens
Afdeling 4.1.3 Behandeling van het klaagschrift
Titel 4.2 Afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.3 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden van bijzondere aard
Titel 5.1 Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast
Titel 5.2 Bevoegdheden bij het ontruimen van een gekraakt pand
Afdeling 5.2.1 Bevoegdheden
Afdeling 5.2.2 Rechtsmiddelen
Titel 5.3 Bevoegdheden tot het betreden van plaatsen in verband met bepaalde misdrijven
Titel 5.4 Bevoegdheden in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf
Titel 5.5 Bevoegdheden in verband met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Afdeling 5.5.1 Bevoegdheden
Afdeling 5.5.2 Rechtsmiddelen
Titel 5.6 Bevoegdheden tot vastlegging en raadpleging van kentekengegevens
Titel 5.7 Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren
Hoofdstuk 6 Schadevergoeding en kosten
Boek 9 Slotbepalingen
Boek 1
Artikel 1.1.2
De verdachte heeft recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn.
Artikel 1.1.3
De verdachte wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
Artikel 1.1.4
Strafvordering heeft plaats op een wijze die recht doet aan de belangen van het slachtoffer.
Artikel 1.1.5 (Definitie opsporingsambtenaar)
Onder opsporingsambtenaren worden verstaan alle personen belast met de opsporing van strafbare feiten.
Artikel 1.1.6 (Definitie opsporing)
Onder de opsporing wordt verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.
Artikel 1.1.7
-
Onder berechting wordt verstaan de behandeling van een zaak door de rechter in eerste aanleg of in hoger beroep ter bepaling van de gegrondheid van de tegen een verdachte ingestelde vervolging.
-
Onder het onderzoek op de terechtzitting wordt verstaan het onderzoek op de zitting dat plaatsheeft in het kader van de berechting.
Artikel 1.1.8
-
Onder rechterlijke beslissingen worden begrepen beslissingen van de rechter-commissaris.
-
Onder uitspraken worden verstaan rechterlijke beslissingen waarvan de wet voorschrijft dat zij op de zitting worden uitgesproken.
Artikel 1.1.9
-
Onder eindvonnissen en eindarresten worden verstaan de vonnissen en arresten waarmee de behandeling van de zaak wordt afgesloten.
-
Onder tussenvonnissen en tussenarresten worden verstaan de vonnissen en arresten die na de aanvang van het onderzoek op de zitting en voorafgaand aan het eindvonnis of eindarrest worden gewezen.
Artikel 1.1.10
-
Onder minderjarige wordt verstaan een persoon als bedoeld in artikel 233 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
-
Onder ouder van de minderjarige wordt verstaan de ouder of de voogd die het gezag als bedoeld in artikel 245 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek over de minderjarige uitoefent.
Artikel 1.1.11
Onder elektronische voorziening wordt verstaan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen voorziening ten behoeve van de overdracht van berichten en het indienen van stukken langs elektronische weg.
Artikel 1.1.12
-
Onder elektronische handtekening wordt verstaan een handtekening die bestaat uit elektronische gegevens die gehecht zijn aan of logisch verbonden zijn met andere elektronische gegevens die worden gebruikt door de ondertekenaar om te ondertekenen.
-
Onder getekend of ondertekend respectievelijk waarmerken of gewaarmerkt worden, wordt begrepen een ondertekening respectievelijk waarmerking met een elektronische handtekening die voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen ten aanzien van in elk geval het betrouwbaarheidsniveau van authenticatie.
Artikel 1.1.13
-
Waar een termijn in dagen is uitgedrukt, worden daaronder verstaan vrije dagen, voor zover niet uit enige bepaling het tegendeel volgt. Waar een termijn in weken is uitgedrukt, worden daaronder verstaan termijnen van zeven vrije dagen, voor zover niet uit enige bepaling het tegendeel volgt.
-
Onder jaar wordt verstaan een periode van twaalf maanden, onder maand een periode van dertig dagen, onder dag een periode van vierentwintig uur.
Artikel 1.1.14
Waar van misdrijf in het algemeen of van enig misdrijf in het bijzonder gesproken wordt, wordt daaronder medeplichtigheid aan, poging tot en voorbereiding van dat misdrijf begrepen, voor zover niet uit enige bepaling het tegendeel volgt.
Artikel 1.1.15
Onder terroristisch misdrijf wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 1.1.16
Onder bedreigde getuige wordt verstaan een getuige ten aanzien van wie door de rechter op grond van artikel 2.10.39 bevel is gegeven dat ter gelegenheid van het verhoor zijn identiteit verborgen wordt gehouden.
Artikel 1.1.17
Onder afgeschermde getuige wordt verstaan een getuige die door de rechter op grond van artikel 2.10.45 als zodanig is aangemerkt.
Artikel 1.1.18
Onder Onze Minister wordt verstaan Onze Minister van Justitie en Veiligheid dan wel Onze Minister voor Rechtsbescherming, al naar gelang wie het aangaat.
Artikel 1.2.1
De rechter behandelt de zaak onbevooroordeeld en onpartijdig. Hij geeft tijdens het onderzoek van de zaak geen blijk van enige overtuiging omtrent de schuld of onschuld van de verdachte.
Artikel 1.2.2
De rechter, met uitzondering van de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris, onderzoekt de zaak met de behandeling waarvan hij is belast op de zitting, tenzij de wet anders bepaalt.
Artikel 1.2.3
-
De rechtbank beslist bij vonnis en het gerechtshof bij arrest in de gevallen bij de wet bepaald.
-
In ieder geval worden de rechterlijke beslissingen bij de berechting en bij de afzonderlijke behandeling van met de berechting verbonden vorderingen genomen bij vonnis of arrest.
-
Eindvonnissen en eindarresten zijn schriftelijk, tenzij de wet anders bepaalt.
-
Tussenvonnissen en tussenarresten zijn mondeling en worden aangetekend in het proces-verbaal van de zitting. De rechter kan bepalen dat een tussenvonnis of tussenarrest afzonderlijk schriftelijk wordt vastgelegd.
Artikel 1.2.4
Indien niet is voorgeschreven dat de rechtbank of het gerechtshof bij vonnis of arrest beslist, wordt de zaak behandeld door de raadkamer van de rechtbank of het gerechtshof. Op vorderingen of verzoeken die tijdens het onderzoek op de terechtzitting worden gedaan wordt echter op de terechtzitting beslist.
Artikel 1.2.5
-
De behandeling van zaken door de rechtbank en het gerechtshof vindt plaats door een meervoudige kamer of, in de gevallen waarin de wet dat bepaalt, door een enkelvoudige kamer.
-
De bevoegdheden die aan de voorzitter van de meervoudige kamer zijn toegekend, komen eveneens toe aan de enkelvoudige kamer.
-
De voorzitter heeft de leiding van het onderzoek op de zitting en geeft daartoe de nodige bevelen.
Artikel 1.2.6
-
Indien de zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer door een meervoudige kamer of door een andere enkelvoudige kamer dient te worden behandeld, verwijst zij de zaak daarheen.
-
Indien de zaak naar het oordeel van de meervoudige kamer door een enkelvoudige kamer of een andere meervoudige kamer dient te worden behandeld, verwijst zij de zaak daarheen.
-
Verwijzing op grond van het eerste of tweede lid kan ook voor de aanvang van het onderzoek op de zitting plaatsvinden door de voorzitter. Hij stelt de procespartijen daarvan in kennis en beveelt dat de officier van justitie van de verwijzing kennis geeft aan andere procesdeelnemers die al voor de terechtzitting zijn opgeroepen.
Artikel 1.2.7
-
De rechter die de zaak na de aanvang van het onderzoek op de zitting verwijst, onderbreekt het onderzoek of schorst het onderzoek voor bepaalde of onbepaalde tijd. Bij schorsing voor onbepaalde tijd wordt door de voorzitter van de meervoudige kamer dan wel de enkelvoudige kamer waarnaar werd verwezen een dag en tijdstip bepaald voor de nadere zitting.
-
Indien de zaak na de aanvang van het onderzoek op de zitting is verwezen naar een enkelvoudige kamer en de rechter die daarin zitting heeft deel uitmaakte van de meervoudige kamer die de zaak heeft verwezen, wordt het onderzoek hervat alsof geen verandering van samenstelling heeft plaatsgevonden. In andere gevallen wordt het onderzoek op de zitting na verwijzing opnieuw aangevangen tenzij het openbaar ministerie en de verdachte instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de verwijzing bevond.
-
In alle gevallen waarin de zaak na de aanvang van het onderzoek op de zitting is verwezen beraadslaagt de rechter mede naar aanleiding van het onderzoek op de zitting voor verwijzing zoals dat volgens het proces-verbaal van die zitting heeft plaatsgehad.
Artikel 1.2.8
-
De rechter en de griffier dagtekenen en ondertekenen processen-verbaal en rechterlijke beslissingen in de gevallen bij de wet bepaald.
-
Indien een rechter niet tot ondertekening in staat is van een beslissing die door een meervoudige kamer is genomen, kan die ondertekening achterwege blijven indien ten minste een van de rechters uit deze kamer ondertekent.
-
Indien geen van de rechters uit de meervoudige kamer in staat is tot ondertekening van een proces-verbaal of een beslissing, kan een andere rechter dit doen, indien:
die rechter door de voorzitter van het gerecht daarvoor is aangewezen;
die rechter zich ervan heeft vergewist dat het proces-verbaal weergeeft wat op de terechtzitting is voorgevallen of de beslissing weergeeft wat de meervoudige kamer heeft besloten; en
de griffier die bij de beraadslaging aanwezig is geweest het proces-verbaal of de beslissing mede ondertekent.
-
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing indien de rechter- of raadsheer-commissaris of de rechter die zitting heeft gehad in een enkelvoudige kamer niet in staat is tot ondertekening van een proces-verbaal of beslissing.
-
Indien de griffier niet tot ondertekening van een proces-verbaal of beslissing in staat is, kan die ondertekening achterwege blijven als ten minste een rechter heeft ondertekend. Indien de griffier niet tot het opmaken van een proces-verbaal of beslissing in staat is, kan dit door een daartoe door de voorzitter van de kamer aangewezen griffier gebeuren. Indien de voorzitter daartoe niet in staat is, kan een andere rechter uit de kamer dan wel de voorzitter van het gerecht een griffier aanwijzen.
-
Van een verhindering tot het opmaken of ondertekenen van een proces-verbaal of beslissing dan wel van het opmaken of ondertekenen door een andere rechter of griffier wordt aan het einde van het proces-verbaal of de beslissing melding gemaakt.
Artikel 1.2.9
-
De rechtbanken zijn bevoegd om strafbare feiten te berechten die zijn begaan:
binnen hun rechtsgebied;
door een verdachte die binnen hun rechtsgebied woon- of verblijfplaats heeft, door een verdachte die binnen hun rechtsgebied woon- of verblijfplaats had op het moment waarop de officier van justitie de bewaring vorderde of vorderde dat de rechter-commissaris onderzoek verricht op grond van artikel 2.10.1 of door een verdachte die binnen hun rechtsgebied zijn laatst bekende woon- of verblijfplaats heeft gehad;
door een verdachte die zich binnen hun rechtsgebied bevindt of door een verdachte die zich binnen hun rechtsgebied bevond op het moment waarop de officier van justitie de bewaring vorderde of vorderde dat de rechter-commissaris onderzoek verricht op grond van artikel 2.10.1;
door een verdachte tegen wie binnen hun rechtsgebied ter zake van een ander feit door de officier van justitie de bewaring is gevorderd, tegen wie ter zake van een ander feit is gevorderd dat de rechter-commissaris onderzoek verricht op grond van artikel 2.10.1 of tegen wie ter zake van een ander feit een procesinleiding is ingediend.
-
Onverminderd het eerste lid zijn bevoegd om strafbare feiten te berechten:
die zijn begaan ter zee buiten het rechtsgebied van een rechtbank of aan boord van een vaartuig dat buitengaats wordt gebracht: de rechtbanken met een rechtsgebied dat grenst aan de territoriale zee alsmede de rechtbank Amsterdam;
ten aanzien waarvan bij algemene maatregel van bestuur is bepaald dat de officier van justitie bij het landelijk parket of de officier van justitie bij het functioneel parket zich daarop bij de uitoefening van zijn bevoegdheden in het bijzonder richt: de rechtbank Amsterdam, de rechtbank Oost-Brabant, de rechtbank Overijssel en de rechtbank Rotterdam.
die worden vervolgd op grond van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie («EOM») (PbEU 2017, L 283): de rechtbank Amsterdam, de rechtbank Oost-Brabant, de rechtbank Overijssel en de rechtbank Rotterdam;
-
De rechtbank Midden-Nederland is bij uitsluiting bevoegd indien een ambtenaar, aan wie bij of krachtens artikel 7, eerste of negende lid, van de Politiewet 2012 of artikel 6, eerste lid, van de Wet bijzondere opsporingsdiensten de bevoegdheid geweld te gebruiken is toegekend, wordt vervolgd naar aanleiding van het in de uitoefening van zijn functie gebruiken van geweld. Met een ambtenaar aan wie bij of krachtens artikel 7, eerste, achtste of negende lid, van de Politiewet 2012 of artikel 6, eerste lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten de bevoegdheid geweld te gebruiken is toegekend, wordt gelijkgesteld een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat die in Nederland op door het volkenrecht toegelaten wijze zijn bediening uitoefent en aan wie de bevoegdheid geweld te gebruiken is toegekend.
-
Bij deelneming van meer dan één persoon aan hetzelfde strafbare feit brengt de bevoegdheid ten aanzien van één van de verdachten de bevoegdheid mee ten aanzien van de andere verdachten.
-
Indien door meer dan één persoon, al dan niet tezamen, verschillende strafbare feiten zijn begaan, die in zodanig verband tot elkaar staan dat de berechting door één rechtbank gewenst is, brengt de bevoegdheid ten aanzien van één van de verdachten de bevoegdheid mee ten aanzien van de andere verdachten.
Artikel 1.2.10
Strafbare feiten buiten het rechtsgebied van een rechtbank aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig begaan, worden bij het bepalen van de bevoegdheid van de rechtbank geacht te zijn begaan binnen het rijk op de plaats:
waar de eigenaar van het vaartuig of luchtvaartuig zijn woonplaats heeft;
indien deze een rechtspersoon is, waar zij haar zetel heeft; of
waar het vaartuig teboekstaat.
Artikel 1.2.11
Indien geen rechtbank bevoegd is op grond van de artikelen 1.2.9 en 1.2.10, is de rechtbank Amsterdam bevoegd.
Artikel 1.2.12
-
In alle gevallen waarin een zaak wordt behandeld door de raadkamer gelden de bepalingen van deze titel, tenzij de wet anders bepaalt.
-
In gevallen waarin de wet niet bepaalt welke rechtbank bevoegd is om te oordelen over een vordering van het openbaar ministerie, is de rechtbank bevoegd die bevoegd is om het strafbare feit waarop de vordering betrekking heeft te berechten.
-
In gevallen waarin de wet niet bepaalt welke rechtbank bevoegd is om te oordelen over het bezwaarschrift, het klaagschrift of het verzoek, is bevoegd de rechtbank die het strafbare feit waarop het bezwaarschrift, het klaagschrift of het verzoek betrekking heeft, zal berechten, berecht of laatstelijk heeft berecht. Indien nog onbekend is of, en zo ja door welke rechtbank berechting zal plaatsvinden, is de rechtbank bevoegd in het rechtsgebied waarbinnen de verdachte voor het eerst is verhoord.
-
Indien de rechtbank in het geval, bedoeld in het derde lid, tweede zin, voordat zij op het bezwaarschrift, het klaagschrift of het verzoek beslist constateert dat de berechting bij een andere rechtbank plaatsvindt of zal plaatsvinden, kan zij het bezwaarschrift, het klaagschrift of het verzoek aan die rechtbank overdragen.
Artikel 1.2.13
-
Behandeling door een enkelvoudige kamer van de rechtbank kan plaatsvinden indien de zaak van eenvoudige aard is en indien het belang ervan zich daartegen niet verzet. Behandeling door een meervoudige kamer van de rechtbank vindt in ieder geval plaats indien het betreft:
beroep tegen of toetsing van een beslissing van de rechter-commissaris;
een vordering van het openbaar ministerie tot gevangenhouding of gevangenneming of tot de verlenging daarvan;
een vordering van het openbaar ministerie strekkende tot vrijheidsbeneming voor de duur van een jaar of meer;
een bezwaarschrift tegen de procesinleiding indien de berechting zal plaatsvinden door een meervoudige kamer; of
een verzoek om wraking of een verzoek om verschoning.
-
Behandeling door een enkelvoudige kamer van het gerechtshof kan plaatsvinden indien de behandeling verband houdt met een zaak die in hoger beroep door een enkelvoudige kamer zal worden berecht, wordt berecht of is berecht.
-
Indien een beslissing moet worden genomen tijdens de berechting, vindt de behandeling in raadkamer zoveel mogelijk plaats door de rechters die met de berechting van het desbetreffende strafbare feit zijn belast.
Artikel 1.2.14
-
De rechter die als rechter-commissaris of als raadsheer-commissaris enig onderzoek in de zaak heeft verricht, neemt niet deel aan de behandeling door de raadkamer, tenzij de rechter ook aan de berechting kan deelnemen.
-
De rechter die heeft beslist op het beroep van het openbaar ministerie tegen de weigering door de rechter-commissaris van een machtiging als bedoeld in artikel 1.8.3, eerste lid, of artikel 1.8.5, vierde lid, neemt niet deel aan de behandeling.
Artikel 1.2.15
-
Het openbaar ministerie draagt de op de zaak betrekking hebbende stukken over. De raadkamer kan het openbaar ministerie bevelen aanvullende stukken over te dragen.
-
De betrokken procespartij en haar raadsman of advocaat kunnen van de op de zaak betrekking hebbende stukken kennisnemen, voor zover het belang van het onderzoek hierdoor niet ernstig wordt geschaad.
-
Het openbaar ministerie kan het overdragen van stukken weigeren indien het de kennisneming of het voegen ervan heeft geweigerd op grond van een bevoegdheid door de wet toegekend.
-
Het derde lid is niet van toepassing bij de behandeling van het beroep van het openbaar ministerie tegen de afwijzing door de rechter-commissaris van een vordering op grond van artikel 1.8.3, eerste lid of 1.8.5, vierde lid.
Artikel 1.2.16
-
Het onderzoek op de zitting vindt in het openbaar plaats, tenzij de wet anders bepaalt.
-
De raadkamer kan bevelen dat het onderzoek geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren plaatsvindt. Dit bevel kan worden gegeven in het belang van de goede zeden, de openbare orde, de staatsveiligheid, en ook indien de belangen van personen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken procespartij, andere procesdeelnemers of anderszins bij de zaak betrokkenen dit eisen. Het bevel kan ook worden gegeven indien de openbaarheid naar het oordeel van de raadkamer het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden.
-
Een bevel als bedoeld in het tweede lid wordt door de raadkamer ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie, op verzoek van de betrokken procespartij of op verzoek van een andere procesdeelnemer gegeven. Voordat de raadkamer het bevel geeft, hoort zij het openbaar ministerie, de betrokken procespartij en andere procesdeelnemers, zo nodig met gesloten deuren.
-
Tot bijwoning van de niet openbare zitting kan de voorzitter bijzondere toegang verlenen.
-
Tot bijwoning van een openbare zitting worden als toehoorders niet toegelaten personen die de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt, tenzij de voorzitter in een bijzonder geval anders oordeelt. De voorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders niet toe te laten indien zij de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt. Deze bevoegdheid bestaat niet bij slachtoffers.
-
In geval van een beroep tegen een beslissing van de rechter-commissaris vindt het onderzoek op de zitting niet in het openbaar plaats.
Artikel 1.2.17
-
In gevallen bij de wet bepaald kan de raadkamer zonder onderzoek op de zitting een beslissing nemen.
-
De raadkamer kan een verzoek van de betrokken procespartij of een voordracht van de rechter-commissaris zonder onderzoek op de zitting inwilligen indien het openbaar ministerie te kennen heeft gegeven tegen inwilliging geen bezwaar te maken dan wel indien het openbaar ministerie, hoewel in de gelegenheid gesteld om bezwaar te maken, van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt.
Artikel 1.2.18
-
Het openbaar ministerie is bij het onderzoek op de zitting aanwezig en wordt gehoord over de beslissingen die de raadkamer heeft te nemen.
-
De betrokken procespartij wordt gehoord, althans hiertoe opgeroepen. Artikel 1.6.1 is van overeenkomstige toepassing indien de betrokken procespartij niet de verdachte is.
-
De betrokken procespartij kan zich bij het onderzoek op de zitting doen bijstaan door een raadsman of advocaat.
-
Tenzij de wet anders bepaalt, kan de betrokken procespartij zijn belangen laten behartigen door een raadsman of advocaat indien die raadsman of advocaat verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.
-
Het tweede tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing voor zover het belang van het onderzoek hierdoor ernstig wordt geschaad.
Artikel 1.2.19
-
De raadkamer onderzoekt de zaak op de zitting op de wijze die zij nodig oordeelt.
-
De raadkamer kan, indien zij het wenselijk acht dat de verdachte of de veroordeelde bij het onderzoek op de zitting aanwezig is, bevelen dat de verdachte of de veroordeelde in persoon zal verschijnen; zij kan daartoe een bevel tot medebrenging geven.
-
De voorzitter deelt de verdachte mee dat hij niet verplicht is tot antwoorden. Deze mededeling wordt in het proces-verbaal vermeld.
-
De raadkamer kan een getuige of deskundige oproepen voor verhoor. De artikelen 4.2.19, vierde lid, 4.2.37, 4.2.40, 4.2.41 en 4.2.44 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.2.20
-
Indien zij dat in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, beveelt de raadkamer de schorsing van de behandeling voor bepaalde of onbepaalde tijd. De redenen voor de schorsing worden in het proces-verbaal vastgelegd.
-
De behandeling van de zaak wordt na een schorsing hervat in de stand waarin de behandeling zich bevond op het tijdstip van de schorsing. Bij verandering in de samenstelling van de raadkamer wordt het onderzoek opnieuw aangevangen tenzij het openbaar ministerie en de betrokken procespartij instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond.
-
Indien het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak dit vereist, kan de raadkamer de stukken met overeenkomstige toepassing van artikel 4.2.51 overdragen aan de rechter-commissaris.
Artikel 1.2.21
-
De griffier legt tijdens het onderzoek op de zitting de namen van de rechters, de in acht genomen vormen, al hetgeen met betrekking tot de zaak voorvalt alsmede de afgelegde verklaringen vast.
-
De griffier legt een omstandigheid, verklaring of opgave vast of neemt een verklaring woordelijk op wanneer de raadkamer dat nodig oordeelt of wanneer het openbaar ministerie, de betrokken procespartij, haar raadsman of advocaat, de getuige of de deskundige dat verzoekt, voor zover het verzoek redelijke grenzen niet overschrijdt.
-
Vastlegging door de griffier kan achterwege blijven indien van het onderzoek op de zitting een geluidsopname of geluids- en beeldopname wordt gemaakt.
-
De griffier maakt van de behandeling proces-verbaal op indien tegen de beslissing een gewoon rechtsmiddel wordt ingesteld en ingeval de raadkamer daartoe beslist. De griffier maakt voorts proces-verbaal op indien het openbaar ministerie of de betrokken procespartij dat verzoekt, tenzij met het opmaken van proces-verbaal geen redelijk belang is gediend. Het proces-verbaal bevat de gegevens, vermeld in het eerste lid.
-
Het proces-verbaal wordt door de voorzitter of een ander lid van de raadkamer en door de griffier ondertekend.
Artikel 1.2.22
-
In het geval een geluidsopname of geluids- en beeldopname is gemaakt van het onderzoek op de zitting, kan de voorzitter bepalen dat de griffier een verkort proces-verbaal opmaakt.
-
Een verkort proces-verbaal bevat in ieder geval de namen van de rechters en van de griffier, de op de zitting genomen beslissingen en een summiere weergave van hetgeen bij de behandeling in raadkamer is voorgevallen. Onder het verkort proces-verbaal zijn begrepen de stukken die daar als bijlage aan zijn toegevoegd.
-
Artikel 1.2.21, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op het verkort proces-verbaal.
-
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de inhoud van een verkort proces-verbaal.
Artikel 1.2.23
-
De raadkamer kan direct na de sluiting van het onderzoek uitspraak doen. In het andere geval deelt de voorzitter mee wanneer de beslissing zal worden uitgesproken. De uitspraak wordt gedaan op een openbare zitting van de rechtbank. Indien de wet bepaalt dat het onderzoek op de zitting niet openbaar is, wordt hetzij de beslissing direct genomen en meegedeeld, hetzij door de voorzitter meegedeeld binnen welke termijn de beslissing zal worden genomen.
-
De beslissing die niet direct wordt uitgesproken, wordt genomen binnen de daarvoor in de wet bepaalde termijn. Indien de wet geen termijn stelt, wordt zij uiterlijk zes weken na sluiting van het onderzoek genomen.
-
De beslissing is schriftelijk, gedagtekend en gemotiveerd, tenzij de wet anders bepaalt.
-
De beslissing wordt ondertekend door de voorzitter en de griffier.
Artikel 1.2.24
-
De griffier brengt de beslissing van de raadkamer direct ter kennis van het openbaar ministerie.
-
Het openbaar ministerie brengt de beslissing direct ter kennis van de betrokken procespartij dan wel zijn raadsman of advocaat.
-
Indien op grond van artikel 1.2.18, vijfde lid, oproeping achterwege is gebleven, brengt het openbaar ministerie de beslissing ter kennis van de betrokken procespartij zodra het belang van het onderzoek zich daartegen niet meer verzet.
-
In gevallen waarin de raadkamer op grond van artikel 1.2.17 zonder onderzoek op de zitting een beslissing neemt, brengt de griffier deze beslissing direct ter kennis van de betrokken procespartij dan wel zijn raadsman of advocaat.
Artikel 1.2.25
-
In elke rechtbank zijn rechters-commissarissen voor het in bij de wet bepaalde gevallen uitoefenen van bevoegdheden in het kader van de strafvordering.
-
De rechter-commissaris oefent zijn bevoegdheden uit in het belang van de rechtsbescherming en van de volledigheid, de evenwichtigheid en de voortgang van het opsporingsonderzoek.
Artikel 1.2.26
-
In gevallen waarin de wet niet bepaalt welke rechter-commissaris bevoegd is om te oordelen over de vordering van de officier van justitie, is bevoegd de rechter-commissaris in de rechtbank die bevoegd is om het strafbare feit waarop de vordering betrekking heeft te berechten.
-
In gevallen waarin de wet niet bepaalt welke rechter-commissaris bevoegd is om te oordelen over een verzoek of bezwaarschrift, is bevoegd de rechter-commissaris in de rechtbank die het strafbare feit waarop het verzoek of het bezwaarschrift betrekking heeft, zal berechten, berecht of laatstelijk heeft berecht. Indien nog onbekend is of en zo ja door welke rechtbank berechting zal plaatsvinden, is de rechter-commissaris bevoegd in de rechtbank in het rechtsgebied waarbinnen de verdachte voor het eerst is verhoord.
-
Indien de rechter-commissaris in het geval, bedoeld in het tweede lid, tweede zin, voordat hij op het verzoek of het bezwaarschrift heeft beslist constateert dat de berechting bij een andere rechtbank plaatsvindt of zal plaatsvinden, kan hij het verzoek of het bezwaarschrift aan de rechter-commissaris in die rechtbank overdragen.
-
De rechter-commissaris kan een bepaalde bevoegdheid ook binnen het rechtsgebied van een andere rechtbank uitoefenen. Hij stelt in dat geval zijn ambtgenoot hiervan tijdig in kennis.
-
De rechter-commissaris kan de uitoefening van een bevoegdheid overdragen aan de rechter-commissaris in de rechtbank in het rechtsgebied waarbinnen zij moet plaatshebben.
Artikel 1.2.27
-
De rechter-commissaris oefent zijn bevoegdheden uit binnen een kabinet van rechters-commissarissen en wordt bijgestaan door de griffier.
-
Bij afwezigheid van de griffier kan de rechter-commissaris in dringende gevallen een persoon aanwijzen om bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden als griffier op te treden. Deze griffier wordt voor aanvang van zijn werkzaamheden door de rechter-commissaris beëdigd dat hij zijn taak naar behoren zal vervullen.
Artikel 1.2.28
De officier van justitie draagt er zorg voor dat de rechter-commissaris tijdig alle relevante stukken ontvangt en voorziet de rechter-commissaris van de inlichtingen die nodig zijn voor een goede uitoefening van zijn bevoegdheden.
Artikel 1.2.29
De rechter-commissaris, of op zijn aanwijzing de griffier, maakt in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en overigens voor zover de rechter-commissaris dat nodig oordeelt, proces-verbaal op van hetgeen tijdens de uitoefening van zijn bevoegdheden is voorgevallen.
Artikel 1.2.30
Indien de rechter-commissaris bij de uitoefening van zijn bevoegdheden buiten aanwezigheid van de officier van justitie constateert dat een strafbaar feit wordt begaan, doet hij daarvan een proces-verbaal opmaken en toekomen aan de officier van justitie. Hij kan tevens ambtshalve de bewaring van de verdachte bevelen. De bepalingen van Boek 2, Titel 5.4, zijn van toepassing.
Artikel 1.2.31
-
Alvorens te beslissen op een bezwaarschrift stelt de rechter-commissaris de officier van justitie in de gelegenheid opmerkingen te maken. Hij stelt de indiener van het bezwaarschrift in de gelegenheid te reageren op de opmerkingen van de officier van justitie.
-
De rechter-commissaris kan de officier van justitie en de indiener van het bezwaarschrift horen, althans hen hiertoe oproepen. De indiener van het bezwaarschrift kan zich bij het horen door een raadsman of advocaat doen bijstaan.
-
Tenzij de wet anders bepaalt, kan de verdachte die een bezwaarschrift indient zijn belangen laten behartigen door een raadsman en kan een andere indiener van een bezwaarschrift zijn belangen laten behartigen door een advocaat, indien die raadsman of advocaat verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.
Artikel 1.2.32
-
De rechter-commissaris beslist zo spoedig mogelijk op een bezwaarschrift.
-
De beslissing is schriftelijk, gedagtekend en gemotiveerd, tenzij de wet anders bepaalt. Bij dringende noodzaak kan de rechter-commissaris een mondelinge beslissing geven, die binnen drie dagen schriftelijk wordt vastgelegd. De rechter-commissaris ondertekent de beslissing.
-
De rechter-commissaris brengt de beslissing direct ter kennis van de indiener van het bezwaarschrift dan wel zijn raadsman of advocaat en de officier van justitie.
Artikel 1.3.1
-
Het College van procureurs-generaal waakt voor de behoorlijke vervolging en opsporing van strafbare feiten.
-
Het College van procureurs-generaal kan algemene aanwijzingen geven voor de vervolging en opsporing.
Artikel 1.3.2
-
Met de vervolging van strafbare feiten die door de rechtbanken worden berecht, is in eerste aanleg de officier van justitie en in hoger beroep de advocaat-generaal belast.
-
Met de vervolging van strafbare feiten die door de Hoge Raad worden berecht, is de procureur-generaal bij de Hoge Raad belast.
Artikel 1.3.3
-
De officier van justitie kan vervolging instellen door:
het uitvaardigen van een strafbeschikking;
het aanbrengen ter berechting door indiening van een procesinleiding.
-
In de gevallen en onder de voorwaarden bij of krachtens de wet bepaald kan vervolging door het uitvaardigen van een strafbeschikking ook ingesteld worden door:
opsporingsambtenaren;
vertegenwoordigers van organisaties en personen met een publieke taak belast.
Artikel 1.3.4
Van het instellen van vervolging kan mede worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend.
Artikel 1.3.5
De officier van justitie kan zijn bevoegdheden tot het doen van vorderingen en het indienen van procesinleidingen bij alle rechtbanken uitoefenen.
Artikel 1.3.6
De officier van justitie bij een arrondissementsparket richt zich bij de uitoefening van zijn bevoegdheden in het bijzonder op de strafbare feiten die door de rechtbank in het arrondissement worden berecht.
Artikel 1.3.7
De officier van justitie bij het landelijk parket, de officier van justitie bij het functioneel parket en de officier van justitie bij het parket centrale verwerking openbaar ministerie richten zich bij de uitoefening van hun bevoegdheden in het bijzonder op de strafbare feiten ten aanzien waarvan dat bij algemene maatregel van bestuur is bepaald.
Artikel 1.3.8
Indien de officier van justitie bij een parket de bewaring heeft gevorderd, heeft gevorderd dat de rechter-commissaris onderzoek verricht op grond van artikel 2.10.1, of een procesinleiding heeft ingediend, kan een officier van justitie bij een ander parket niet met de verdere behandeling van de zaak worden belast, tenzij de verdere behandeling van de zaak met inachtneming van artikel 1.3.9 bij een andere rechtbank plaatsvindt.
Artikel 1.3.9
De officier van justitie die de bewaring vordert of die vordert dat de rechter-commissaris onderzoek verricht op grond van artikel 2.10.1, wendt zich bij de verdere behandeling van de zaak tot de rechtbank van hetzelfde arrondissement, tenzij nog geen procesinleiding is ingediend en hij van oordeel is dat:
die rechtbank onbevoegd is het feit te berechten;
de zaak moet worden samengevoegd met een zaak waarin bij een andere rechtbank onderzoek is of wordt verricht.
Artikel 1.3.10
Met de opsporing van strafbare feiten zijn als gewoon opsporingsambtenaar belast:
de officieren van justitie;
de ambtenaren van politie in de zin van artikel 2 van de Politiewet 2012, voor zover zij zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak;
de door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aangewezen militairen van de Koninklijke marechaussee;
de opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.
Artikel 1.3.11
-
Met de opsporing van strafbare feiten zijn als buitengewoon opsporingsambtenaar belast:
de personen aan wie door Onze Minister of door het College van procureurs-generaal een akte van opsporingsbevoegdheid is verleend;
de meerderjarige personen, behorend tot door Onze Minister aangewezen categorieën of eenheden;
de personen die bij of krachtens bijzondere wetten met de opsporing van de daarin bedoelde strafbare feiten zijn belast, met uitzondering van de opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, of die bij of krachtens verordeningen zijn belast met het toezicht op de naleving daarvan, een en ander voor zover het die feiten betreft en de personen zijn beëdigd.
-
De opsporingsbevoegdheid van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde buitengewoon opsporingsambtenaren strekt zich uit tot de feiten die behoren tot een bij regeling van Onze Minister vastgesteld en in de akte, onderscheidenlijk aanwijzing genoemd domein. Een domein kan alle strafbare feiten omvatten.
-
Onze Minister kan bepalen dat voor door hem aan te wijzen categorieën of eenheden van de in het eerste lid, onderdeel c, genoemde buitengewoon opsporingsambtenaren, de opsporingsbevoegdheid zich mede uitstrekt over andere strafbare feiten. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de verlening van de akte en het doen van de aanwijzing, het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt, de beëdiging en de instructie van de buitengewoon opsporingsambtenaren, het toezicht waaraan zij zijn onderworpen en de wijze waarop Onze Minister de opsporingsbevoegdheid van afzonderlijke personen kan beëindigen. Voorts kunnen regels worden gesteld over de eisen van bekwaamheid en integriteit waaraan zij moeten voldoen.
-
Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder b, of derde lid, wordt kennis gegeven door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 1.3.12
-
De officier van justitie kan zijn bevoegdheid tot opsporing in het gehele land uitoefenen.
-
De andere gewoon opsporingsambtenaren kunnen hun bevoegdheid tot opsporing in het gehele land uitoefenen met inachtneming van hetgeen bij of krachtens de wet is bepaald.
-
De bevoegdheid tot opsporing van de buitengewoon opsporingsambtenaar is beperkt tot het grondgebied waarvoor hij is aangesteld, tenzij bij of krachtens de wet anders is bepaald.
Artikel 1.3.13
-
Hulpofficier van justitie zijn:
de door Onze Minister bij ministeriële regeling aangewezen ambtenaren van politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 2012;
de door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie bij ministeriële regeling aangewezen militairen van de Koninklijke marechaussee;
de door Onze Minister bij ministeriële regeling aangewezen opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;
de door Onze Minister bij ministeriële regeling aangewezen buitengewoon opsporingsambtenaren.
-
De hulpofficier van justitie oefent zijn bevoegdheden uit binnen de grenzen van de hem toegekende bevoegdheid tot opsporing.
Artikel 1.3.14
De officier van justitie kan de andere opsporingsambtenaren bevelen geven met betrekking tot de uitoefening van hun bevoegdheden.
Artikel 1.3.15
De opsporingsambtenaar kan onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie en met inachtneming van de door het College van procureurs-generaal gegeven algemene aanwijzingen van de uitoefening of de verdere uitoefening van zijn bevoegdheid tot opsporing afzien op gronden aan het algemeen belang ontleend.
Artikel 1.3.16
-
De opsporingsambtenaar verstrekt de officier van justitie en de hulpofficier van justitie gevraagd en ongevraagd de inlichtingen die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun bevoegdheden.
-
De opsporingsambtenaar kan bij de uitoefening van zijn bevoegdheid de hulp inroepen van de politie en de Koninklijke marechaussee.
Artikel 1.3.17
De officier van justitie beveelt op verzoek van de advocaat-generaal dat het opsporingsonderzoek wordt verricht dat de advocaat-generaal nodig oordeelt in een zaak die bij het gerechtshof aanhangig is.
Artikel 1.4.1 (Definitie verdachte)
-
Onder verdachte wordt voorafgaand aan het instellen van de vervolging verstaan degene die als zodanig is aangemerkt.
-
Iemand mag alleen als verdachte worden aangemerkt indien ten aanzien van hem uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit.
-
Na het instellen van vervolging wordt onder verdachte verstaan degene tegen wie de vervolging is gericht.
Artikel 1.4.2
-
Voor de gevoegde behandeling van een vordering tot tenuitvoerlegging van een niet tenuitvoergelegde straf wordt onder verdachte mede verstaan: de persoon tegen wie de veroordeling tot een niet tenuitvoergelegde straf waarvan de tenuitvoerlegging gevorderd wordt, is gewezen.
-
Voor onderzoek dat wordt verricht ter bepaling van wederrechtelijk verkregen voordeel en voor de afzonderlijke behandeling van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt onder verdachte mede verstaan: de persoon tegen wie het eindvonnis of het eindarrest is gewezen.
-
De rechten van de verdachte komen ook toe aan de ambtenaar die in de uitoefening van zijn functie geweld heeft gebruikt en ten aanzien van welk geweldgebruik een feitenonderzoek als bedoeld in artikel 6.5.14 is ingesteld.
Artikel 1.4.3
-
In alle gevallen waarin iemand als verdachte wordt verhoord, onthoudt de verhorende ambtenaar zich van alles wat de strekking heeft een verklaring te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid is afgelegd.
-
De verdachte is niet verplicht tot antwoorden.
Artikel 1.4.4
-
Aan de verdachte wordt bij zijn staandehouding of aanhouding meegedeeld voor welk strafbaar feit hij als verdachte is aangemerkt. Wanneer de verdachte niet is staande gehouden of aangehouden wordt hem deze mededeling uiterlijk voorafgaand aan het eerste verhoor gedaan.
-
Aan de verdachte die niet is aangehouden, wordt voorafgaand aan zijn eerste verhoor, mededeling gedaan het bepaalde in artikel 1.4.3, tweede lid, van zijn recht op rechtsbijstand en, indien van toepassing, zijn recht op vertolking en vertaling.
-
De verdachte die wordt uitgenodigd voor verhoor wordt voorafgaand aan zijn eerste verhoor in kennis gesteld van:
zijn recht om de in het eerste lid bedoelde informatie te ontvangen;
de in het tweede lid bedoelde rechten;
zijn recht op kennisneming van de processtukken;
zijn recht om stukken in te dienen ter voeging bij de processtukken;
zijn recht om de rechter-commissaris te verzoeken onderzoek te verrichten op grond van de artikelen 2.10.2 tot en met 2.10.4.
-
De aangehouden verdachte wordt direct na zijn aanhouding en in ieder geval voorafgaand aan zijn eerste verhoor in kennis gesteld van:
de in het derde lid bedoelde informatie;
de termijn waarbinnen de verdachte, voor zover hij niet in vrijheid is gesteld, krachtens dit wetboek voor de rechter-commissaris wordt geleid;
de mogelijkheden om krachtens dit wetboek om opheffing van de voorlopige hechtenis te verzoeken;
zijn recht om een persoon mededeling te doen van zijn vrijheidsbeneming, bedoeld in artikel 2.5.12, eerste lid;
zijn recht om de consulaire post mededeling te doen van zijn vrijheidsbeneming, bedoeld in artikel 2.5.12, tweede lid;
de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen rechten.
-
Aan een verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, worden de mededeling en kennisgeving van rechten in een voor hem begrijpelijke taal gedaan.
-
In het proces-verbaal wordt vermeld dat de in dit artikel bedoelde rechten aan de verdachte zijn meegedeeld of dat hij daarvan in kennis is gesteld.
Artikel 1.4.5
-
De verdachte heeft het recht om zich, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek, te doen bijstaan door een raadsman.
-
Hem wordt daartoe, telkens wanneer hij dit verzoekt, zoveel mogelijk de gelegenheid verschaft om zich met zijn raadsman in verbinding te stellen.
-
Aan de verdachte wordt overeenkomstig de wijze bij de wet bepaald door een aangewezen of gekozen raadsman rechtsbijstand verleend.
-
In bijzondere gevallen kan op gemotiveerd verzoek van de verdachte meer dan één raadsman worden aangewezen.
Artikel 1.4.6
-
De verdachte kan vrijwillig en ondubbelzinnig afstand doen van het recht op rechtsbijstand, bedoeld in artikel 1.4.5, eerste lid, tenzij de wet anders bepaalt.
-
Wanneer de rechter of opsporingsambtenaar blijkt dat de verdachte afstand van rechtsbijstand wil doen, licht hij de verdachte in over de gevolgen daarvan en deelt hij de verdachte mee dat hij van zijn beslissing kan terugkomen. Hiervan wordt proces-verbaal opgemaakt.
Artikel 1.4.7
-
Onverminderd artikel 1.4.4 wordt de verdachte van zijn recht op rechtsbijstand mededeling gedaan:
voor de inverzekeringstelling en voor de vordering tot inbewaringstelling door de officier van justitie of de hulpofficier van justitie;
bij het eerste verhoor in geval de rechter-commissaris onderzoek verricht op grond van de artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.4, door deze;
in geval de verdachte door mededeling hoger beroep of beroep in cassatie instelt tegen een eindvonnis of eindarrest, door de medewerker van de griffie.
-
Van het recht op rechtsbijstand wordt de verdachte in kennis gesteld bij de betekening van:
de procesinleiding;
de kennisgeving van een door de officier van justitie ingesteld hoger beroep tegen een eindvonnis of een door de advocaat-generaal ingesteld beroep in cassatie tegen een eindarrest;
de kennisgeving van ontvangst van de processtukken, nadat hoger beroep is ingesteld tegen een eindvonnis;
de kennisgeving van ontvangst van de processtukken, nadat beroep in cassatie is ingesteld tegen een eindarrest.
Artikel 1.4.8
-
In alle gevallen waarin de verdachte wordt gehoord, verhoord of ondervraagd dan wel een verhoor bijwoont, vraagt de verhorende ambtenaar de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats.
-
Indien over de identiteit van de verdachte twijfel bestaat, neemt de verhorende ambtenaar, in de gevallen waarin van de verdachte overeenkomstig dit wetboek vingerafdrukken zijn genomen en verwerkt, voor het vaststellen van de identiteit van de verdachte ter verificatie zijn vingerafdrukken die worden vergeleken met de van de verdachte verwerkte vingerafdrukken. In de andere gevallen verifieert de verhorende ambtenaar de identiteit van de verdachte door middel van een onderzoek van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
-
De verhorende ambtenaar kan ten behoeve van de bevoegdheidsuitoefening, bedoeld in het tweede lid, de verdachte bevelen daartoe zijn medewerking te verlenen aan het nemen van zijn vingerafdrukken en zijn identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden.
Artikel 1.4.9
-
Als raadslieden worden toegelaten in Nederland op het tableau van de Nederlandse orde van advocaten ingeschreven advocaten.
-
Verder worden toegelaten de personen, bedoeld in artikel 16b of 16h van de Advocatenwet, indien zij samenwerken met een in Nederland ingeschreven advocaat overeenkomstig de artikelen 16e of 16j van de Advocatenwet.
Artikel 1.4.10
-
De verdachte is te allen tijde bevoegd een of meer raadslieden te kiezen.
-
Tot de keuze van een of meer raadslieden is ook de wettelijk vertegenwoordiger van de verdachte bevoegd.
-
Is de verdachte verhinderd van zijn wil te doen blijken en heeft hij geen wettelijk vertegenwoordiger, dan is zijn echtgenoot of geregistreerde partner of een van de meest in aanmerking komende van zijn bloed- of aanverwanten, tot en met de vierde graad, tot die keuze bevoegd.
-
De op grond van het tweede of derde lid gekozen raadsman treedt terug, zodra de verdachte zelf een raadsman heeft gekozen.
Artikel 1.4.11
-
De gekozen of de op grond van artikel 1.4.13 aangewezen raadsman stelt de officier van justitie zo spoedig mogelijk in kennis van zijn optreden voor de verdachte. Indien de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek of in verzekering is gesteld, doet de gekozen raadsman van zijn optreden tevens mededeling aan de hulpofficier van justitie.
-
Zodra de officier van justitie deze kennisgeving heeft ontvangen, voegt hij deze bij de processtukken.
-
De gekozen of aangewezen raadsman stelt de rechtbank in kennis van zijn optreden voor de verdachte in een zaak waarin een procesinleiding is ingediend, tenzij hij al eerder van zijn optreden voor de verdachte kennis heeft gegeven aan de officier van justitie.
-
Indien de gekozen of aangewezen raadsman een eerder gekozen of aangewezen raadsman vervangt, zijn het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing. De gekozen raadsman stelt van de vervanging ook de raadsman die hij vervangt in kennis, alsmede het bestuur van de raad voor rechtsbijstand voor zover de raadsman die hij vervangt eerder door dat bestuur is aangewezen. Door de kennisgeving aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand eindigen de werkzaamheden van de vervangen raadsman.
-
Indien het bestuur van de raad voor rechtsbijstand op grond van artikel 1.4.12 een raadsman heeft aangewezen, stelt het bestuur daarvan de officier van justitie, de hulpofficier van justitie, de raadsman en de verdachte in kennis. Het tweede lid is van toepassing.
-
Indien hoger beroep of beroep in cassatie is ingesteld, stelt de raadsman van zijn optreden voor de verdachte het gerechtshof respectievelijk de Hoge Raad in kennis.
Artikel 1.4.12
-
Het bestuur van de raad voor rechtsbijstand wijst na de kennisgeving, bedoeld in artikel 2.3.7, eerste en tweede lid, of na de kennisgeving dat een verdachte in verzekering is gesteld voor wie niet eerder een raadsman is aangewezen, een raadsman aan.
-
De verdachte kan een voorkeur voor een bepaalde raadsman kenbaar maken.
-
De aangewezen raadsman treedt ook op als raadsman voor de verdachte tijdens de behandeling door de rechtbank van het beroep van de officier van justitie, bedoeld in artikel 2.5.59.
-
De aanwijzing eindigt met het aflopen van het ophouden voor onderzoek of van de inverzekeringstelling.
Artikel 1.4.13
Voor de verdachte die geen raadsman heeft, wordt door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een raadsman aangewezen na kennisgeving door het openbaar ministerie dat:
ten aanzien van hem de bewaring of gevangenneming is bevolen, dan wel, indien de verdachte niet in verzekering is gesteld, ten aanzien van hem de bewaring of gevangenneming is gevorderd;
hoger beroep is ingesteld tegen het eindvonnis en het een zaak betreft waarin zijn voorlopige hechtenis is bevolen.
Artikel 1.4.14
-
Het bestuur van de raad voor rechtsbijstand wijst op verzoek van de verdachte voor hem een raadsman aan, indien de verdachte anders dan op grond van de tegen hem bestaande verdenking rechtens zijn vrijheid is ontnomen en een procesinleiding is ingediend, tenzij hij door de duur van zijn vrijheidsbeneming niet in zijn verdediging kan worden geschaad.
-
Indien de voorzitter van het gerecht van oordeel is dat aan een verdachte die zich in vrijheid bevindt en die geen raadsman heeft, in het belang van zijn verdediging rechtsbijstand moet worden verleend nadat de procesinleiding is ingediend, geeft hij opdracht aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand om een raadsman aan te wijzen.
Artikel 1.4.15
-
De aanwijzing van een raadsman op grond van de artikelen 1.4.13 en 1.4.14 vindt plaats voor de duur van de gehele aanleg waarin zij heeft plaatsgehad.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van de artikelen 1.4.13 en 1.4.14.
Artikel 1.4.16
-
De aangewezen raadsman kan de waarneming van bepaalde verrichtingen namens hem door een andere raadsman laten plaatsvinden.
-
Bij verhindering of afwezigheid van de aangewezen raadsman treft deze een voorziening voor zijn waarneming. Indien blijkt dat dit niet is gebeurd, wordt zo nodig voor de verdachte direct een andere raadsman aangewezen.
-
Blijkt van de verhindering of afwezigheid van de aangewezen raadsman pas op de terechtzitting, dan geeft de voorzitter van het gerecht opdracht tot aanwijzing van een andere raadsman.
-
Op verzoek van de aangewezen raadsman of van de verdachte kan een andere raadsman worden aangewezen.
-
Aanwijzing van een andere raadsman vindt plaats door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand die de te vervangen raadsman heeft aangewezen. Ingeval de raadsman is aangewezen in opdracht van een rechter, stelt de raad de rechter van de vervanging in kennis.
Artikel 1.4.17
De raadsman heeft vrije toegang tot de verdachte die rechtens zijn vrijheid is ontnomen en kan vertrouwelijk met hem communiceren, een en ander onder het vereiste toezicht, met inachtneming van de huishoudelijke reglementen, en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.
Artikel 1.4.18
-
Indien uit bepaalde omstandigheden een ernstig vermoeden voortvloeit dat het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte hetzij ertoe zal strekken de verdachte bekend te maken met een omstandigheid waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, hetzij wordt misbruikt voor pogingen om de waarheidsvinding te belemmeren, kan de officier van justitie telkens bevelen dat de raadsman geen toegang tot de verdachte zal hebben of niet, dan wel niet vertrouwelijk, met hem zal communiceren.
-
Het bevel omschrijft de bepaalde omstandigheden bedoeld in het eerste lid; het beperkt de vrijheid van verkeer tussen raadsman en verdachte niet meer en wordt niet voor een langere duur gegeven dan door die omstandigheden wordt vereist. Het is in elk geval slechts gedurende ten hoogste zes dagen van kracht. De verdachte en zijn raadsman worden in kennis gesteld van het bevel. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing.
-
De officier van justitie dient direct een vordering tot handhaving van het bevel bij de rechtbank in. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk na de raadsman te hebben gehoord, althans daartoe te hebben opgeroepen. De rechtbank kan bij haar beslissing het bevel handhaven, opheffen, wijzigen of aanvullen.
-
Alle belemmeringen van het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte, die op grond van dit artikel zijn bevolen, eindigen zodra de procesinleiding is ingediend dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.
Artikel 1.4.19
-
In geval een bevel als bedoeld in artikel 1.4.18 is gegeven, brengt de officier van justitie dit direct ter kennis van de voorzitter van de rechtbank. Deze geeft direct opdracht aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand om een raadsman aan te wijzen.
-
De aangewezen raadsman treedt, zolang het bevel van kracht is en voor zover het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte daardoor wordt beperkt, als zodanig op.
Artikel 1.4.20
-
De rechten die in dit wetboek aan de verdachte zijn toegekend, kunnen ook door zijn raadsman worden uitgeoefend, tenzij de wet anders bepaalt.
-
Alle berichten die op grond van dit wetboek aan de verdachte ter kennis worden gebracht, worden ook aan zijn raadsman ter kennis gebracht.
Artikel 1.5.1
In dit wetboek wordt verstaan onder:
slachtoffer: het directe en het indirecte slachtoffer;
direct slachtoffer: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit schade, met inbegrip van lichamelijke, geestelijke of emotionele schade heeft geleden of economisch nadeel heeft ondervonden;
indirect slachtoffer: familielid van een persoon wiens overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door een strafbaar feit;
familielid: de echtgenoot, de geregistreerde partner of een andere levensgezel van het directe slachtoffer, de bloedverwant in rechte lijn, de bloedverwant in de zijlijn tot en met de vierde graad en de persoon die van het directe slachtoffer afhankelijk is;
minderjarig slachtoffer: het slachtoffer dat jonger is dan achttien jaar;
benadeelde partij: de personen bedoeld in artikel 1.5.10, eerste en tweede lid.
Artikel 1.5.2
-
De officier van justitie draagt zorg voor een correcte bejegening van het slachtoffer.
-
De officier van justitie en andere opsporingsambtenaren dragen zorg voor verwijzing van het slachtoffer naar een instelling voor slachtofferhulp waar zij toegang hebben tot informatie, advies en ondersteuning.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:
de toegang van slachtoffers en hun familieleden tot instellingen voor slachtofferhulp, de voorwaarden voor deze toegang, alsmede de financiering, organisatie en werkzaamheden van instellingen voor slachtofferhulp;
een individuele beoordeling waaraan het slachtoffer tijdig wordt onderworpen om specifieke beschermingsbehoeften te onderkennen en om te bepalen of en zo ja in welke mate het slachtoffer, in het bijzonder tijdens het opsporingsonderzoek en het onderzoek op de terechtzitting, van bijzondere maatregelen gebruik moet kunnen maken;
maatregelen tot bescherming van het slachtoffer, waaronder in het bijzonder het minderjarige slachtoffer, en zijn familieleden.
-
De in het derde lid bedoelde regels omvatten in ieder geval de plicht om het minderjarige slachtoffer of zijn ouders te informeren over alle rechten en maatregelen die specifiek verband houden met het minderjarige slachtoffer.
-
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van een goede rechtsbedeling regels worden gesteld die beperkingen inhouden van het aantal familieleden, dat aanspraak kan maken op de rechten vermeld in deze titel en die bepalen welke indirecte slachtoffers bij die aanspraak voorrang krijgen. Dit geldt niet voor de uitoefening van het spreekrecht.
-
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:
het gebruik door de instelling voor slachtofferhulp van het burgerservicenummer van het slachtoffer of zijn familieleden;
de gevallen waarin deze instelling voor slachtofferhulp in verband met de uitvoering van artikel 12 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer bevoegd is een registratie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van die wet te raadplegen.
Artikel 1.5.3
-
De officier van justitie zorgt ervoor dat het slachtoffer:
bij zijn eerste contact met een betrokken opsporingsambtenaar zonder onnodige vertraging in kennis wordt gesteld van informatie die hem in staat stelt de rechten die hem toekomen uit te oefenen;
bij of na zijn eerste contact met een betrokken opsporingsambtenaar zonder onnodige vertraging in kennis wordt gesteld van zijn recht, bedoeld in artikel 1.5.4, eerste lid, om voldoende informatie te ontvangen over de aanvang en voortgang van de zaak die betrekking heeft op het tegen hem begane strafbare feit.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de inhoud, het aanbieden en verstrekken van informatie als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 1.5.4
-
Het slachtoffer heeft recht om voldoende informatie te ontvangen over de aanvang en voortgang van de zaak die betrekking heeft op het tegen hem begane strafbare feit. Dit recht omvat het recht om informatie te ontvangen over ten minste:
het afzien van een opsporingsonderzoek of het beëindigen daarvan;
het inzenden van een proces-verbaal tegen een verdachte;
het niet vervolgen van een strafbaar feit;
het instellen van vervolging;
de aard van het aan de verdachte ten laste gelegde feit;
de plaats, de datum en het tijdstip van de terechtzitting;
het eindvonnis, het eindarrest en het arrest van de Hoge Raad in de zaak tegen de verdachte;
het instellen van verzet, hoger beroep en beroep in cassatie door de verdachte en het onherroepelijk worden van het eindvonnis of het eindarrest;
de afzonderlijke beslissing waarbij met toepassing van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg een zorgmachtiging krachtens de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg of een rechterlijke machtiging voor onvrijwillige opname krachtens de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten wordt afgegeven;
de in het vierde en vijfde lid genoemde mededelingen en over de maatregel, bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de maatregel betrekking heeft op door het slachtoffer zelf geleden schade.
-
De informatie wordt het slachtoffer op zijn verzoek verstrekt. Hij wordt door de opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 1.3.10, onderdelen b, c en d, ten minste in kennis gesteld van de informatie bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Door de officier van justitie wordt hij ten minste in kennis gesteld van de informatie bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met j.
-
Het slachtoffer dat daarom verzoekt wordt in kennis gesteld van informatie die hem in staat stelt te beslissen of hij beklag zal doen bij het gerechtshof als bedoeld in artikel 3.5.1. De kennisgeving van de informatie bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, omvat naast de beslissing ten minste de motivering van de betrokken beslissing.
-
De officier van justitie stelt het slachtoffer op zijn verzoek direct in kennis van de invrijheidstelling of ontsnapping van de verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt of van de veroordeelde.
-
De officier van justitie stelt het slachtoffer op zijn verzoek in kennis van de maatregelen die voor zijn bescherming zijn genomen indien de verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt of de veroordeelde in vrijheid wordt gesteld of is ontsnapt.
-
Indien een aanwijsbaar risico bestaat dat de verdachte of de veroordeelde als gevolg van de kennisgeving bedoeld in het vierde en vijfde lid schade wordt berokkend, blijft de kennisgeving achterwege.
-
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld inzake het recht van het slachtoffer om informatie te ontvangen in verband met de zaak en het in kennis stellen van het slachtoffer van informatie in verband met de zaak.
Artikel 1.5.5
-
Het slachtoffer kan stukken die hij relevant acht voor de beoordeling van de zaak tegen de verdachte of van zijn vordering tegen de verdachte indienen ter voeging bij de processtukken. Artikel 1.8.4 is van overeenkomstige toepassing.
-
Het slachtoffer kan verzoeken zo nauwkeurig mogelijk omschreven stukken die hij van belang acht voor de beoordeling van de zaak tegen de verdachte of van zijn vordering op de verdachte bij de processtukken te voegen of te doen voegen. Het verzoek is gemotiveerd. Met het oog op de onderbouwing van zijn verzoek kan het slachtoffer verzoeken om inzage te krijgen in de stukken. Artikel 1.8.5, vierde lid, is van toepassing.
-
Het slachtoffer kan verzoeken om kennisneming van de processtukken. De kennisneming van bepaalde processtukken kan worden onthouden in het belang van het onderzoek, in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of in het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten dan wel op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend. Het slachtoffer wordt in dat geval ervan in kennis gesteld dat de hem ter kennisneming gegeven stukken niet volledig zijn. Artikel 1.8.8, eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing.
-
Zolang de berechting niet is aangevangen beslist de officier van justitie op een verzoek als bedoeld in het derde lid. Na de aanvang van de berechting beslist tot de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting de voorzitter van de rechtbank en daarna de rechtbank.
-
Na het instellen van hoger beroep tegen het eindvonnis is het vierde lid van overeenkomstige toepassing.
-
In de gevallen waarin op grond van artikel 3.5.1 beklag kan worden ingediend, blijft het derde lid van toepassing zolang de termijn, genoemd in artikel 3.5.4, eerste lid, niet is verstreken.
-
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de kennisneming van de processtukken of inzage daarin plaatsvindt.
Artikel 1.5.6
-
Het slachtoffer kan zich doen bijstaan tijdens het opsporingsonderzoek en op de terechtzitting.
-
Het slachtoffer kan zich doen bijstaan door een advocaat, door zijn wettelijk vertegenwoordiger en tevens door een persoon naar keuze.
-
Het slachtoffer kan op de terechtzitting zijn belangen laten behartigen door een advocaat, indien deze verklaart daartoe uitdrukkelijk gemachtigd te zijn, of door een gemachtigde die daartoe een specifieke schriftelijke volmacht overlegt.
-
De politie, de officier van justitie of de rechter kan de bijstand aan een slachtoffer door zijn wettelijk vertegenwoordiger of door een persoon naar keuze, dan wel het behartigen van de belangen door een schriftelijk gemachtigde, weigeren in het belang van het onderzoek of het belang van het slachtoffer. Deze weigering wordt gemotiveerd.
Artikel 1.5.7
-
Het slachtoffer dat de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, kan verzoeken informatie waarop hij overeenkomstig artikel 1.5.4, eerste of derde lid, recht heeft en die hij noodzakelijk acht om zijn rechten in het strafproces te kunnen uitoefenen, te laten vertalen in een voor hem begrijpelijke taal.
-
De vertaling die aan het slachtoffer wordt verstrekt omvat, voor zover zijn verzoek hierop betrekking heeft, ten minste de informatie, bedoeld in artikel 1.5.4, eerste lid, onderdelen a, c, d, f, g, i en j voor zover deze informatie noodzakelijk is om zijn rechten in het strafproces te kunnen uitoefenen.
-
Het slachtoffer dat de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst:
kan verzoeken processtukken waarvan hem de kennisneming is toegestaan overeenkomstig artikel 1.5.5 en die hij noodzakelijk acht om zijn rechten in het strafproces te kunnen uitoefenen, schriftelijk te laten vertalen in een voor hem begrijpelijke taal;
kan de bijstand van een tolk verzoeken bij de kennisneming van processtukken of inzage van stukken die hem overeenkomstig artikel 1.5.5 is toegestaan en die hij noodzakelijk acht om zijn rechten in het strafproces te kunnen uitoefenen, ten behoeve van mondelinge vertaling in een voor hem begrijpelijke taal.
-
Het verzoek, bedoeld in het eerste of derde lid, onderdeel a, omschrijft zo duidelijk mogelijk de informatie, de processtukken of gedeelten daarvan waarop het verzoek betrekking heeft en is gemotiveerd.
-
Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt gericht aan de officier van justitie. Op een verzoek als bedoeld in het derde lid, is artikel 1.5.5, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing. Een verzoek als bedoeld in het eerste en derde lid, wordt tijdens de tenuitvoerlegging gericht aan Onze Minister.
-
Van een afwijzing van een verzoek als bedoeld in het eerste of derde lid, wordt het slachtoffer in kennis gesteld door degene aan wie dat verzoek is gericht.
-
Onverminderd het eerste, tweede en derde lid, onderdeel a, kan in plaats van een schriftelijke vertaling in specifieke gevallen een mondelinge vertaling of vertaalde samenvatting worden verstrekt van de informatie of processtukken die het slachtoffer nodig heeft om zijn rechten te kunnen uitoefenen, op voorwaarde dat de eerlijkheid van de procesvoering daardoor niet wordt aangetast.
-
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over vertaling van informatie en processtukken die aan het slachtoffer op zijn verzoek ter beschikking wordt gesteld, over de bijstand door een tolk en over de ondersteuning van het slachtoffer bij zijn noodzakelijke contacten met de politie, het openbaar ministerie, de rechter en Onze Minister.
Artikel 1.5.8
-
Het spreekrecht kan worden uitgeoefend indien het tenlastegelegde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, dan wel een van de misdrijven betreft genoemd in de artikelen 240b, 247, 248a, 248b, 249, 250, 285, 285b, 300, tweede en derde lid, 301, tweede en derde lid, 306 tot en met 308, 318 en 372 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Van het voornemen tot het uitoefenen van het spreekrecht geven degenen die daartoe gerechtigd zijn, voor de aanvang van de terechtzitting kennis aan het openbaar ministerie opdat zij tijdig kunnen worden opgeroepen.
-
Het slachtoffer kan op de terechtzitting een verklaring afleggen.
-
Het spreekrecht bedoeld in het tweede lid kan ook worden uitgeoefend door de vader of moeder van een minderjarig direct slachtoffer die een nauwe band met dat slachtoffer heeft of door een persoon die dat slachtoffer als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en in een nauwe persoonlijke betrekking tot dat slachtoffer staat. Zij kunnen gezamenlijk of elk afzonderlijk van het spreekrecht gebruik maken.
-
Het spreekrecht kan, onder overeenkomstige toepassing van artikel 4.2.46 ook worden uitgeoefend door:
personen die het overleden slachtoffer als behorende tot hun gezin hebben verzorgd en opgevoed en in een nauwe persoonlijke betrekking tot het slachtoffer hebben gestaan; en
personen, anders dan genoemd onder a, die deel hebben uitgemaakt van het gezin waartoe het overleden slachtoffer behoorde en in een nauwe persoonlijke betrekking tot het slachtoffer hebben gestaan.
-
Een slachtoffer kan van zijn spreekrecht gebruik maken als hij de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt of als hij, indien hij die leeftijd nog niet heeft bereikt, in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.
-
Indien het slachtoffer de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, kan het spreekrecht door zijn ouders gezamenlijk of elk afzonderlijk worden uitgeoefend.
-
Voor het slachtoffer dat feitelijk niet bij machte is het spreekrecht uit te oefenen, kan het spreekrecht worden uitgeoefend door de echtgenoot, de geregistreerde partner of een andere levensgezel en één van de andere familieleden.
-
Artikel 1.5.6, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de uitoefening van het spreekrecht.
-
De voorzitter van het gerecht kan het spreekrecht ambtshalve of op vordering van de officier van justitie beperken of ontzeggen wegens strijd met het belang van het slachtoffer.
Artikel 1.5.9
Op de spreekgerechtigde die geen slachtoffer is, zijn, voor zover het de uitoefening van het spreekrecht betreft, de artikelen 1.5.3 tot en met 1.5.7 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.5.10
-
De natuurlijke persoon of de rechtspersoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade heeft geleden of, voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft, ander nadeel heeft ondervonden, kan zich met zijn vordering tot schadevergoeding voegen in het strafproces.
-
Indien het directe slachtoffer ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen zich voegen zijn erfgenamen ter zake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste tot en met vierde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van de daar bedoelde vorderingen. Indien het directe slachtoffer ten gevolge van het strafbare feit letsel heeft, kunnen zich voegen de personen, bedoeld in artikel 107, eerste lid, onderdelen a en b, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van de daar bedoelde vorderingen.
-
De in het eerste en tweede lid bedoelde personen kunnen zich eveneens voor een deel van hun vordering voegen.
-
Indien de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft op een als doen te beschouwen gedraging van een verdachte die de leeftijd van veertien jaar nog niet heeft bereikt en aan wie deze gedraging als een onrechtmatige daad zou kunnen worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan, wordt zij geacht te zijn gericht tegen zijn ouders.
Artikel 1.5.11
-
De benadeelde partij is alleen ontvankelijk in haar vordering indien:
de verdachte wordt veroordeeld dan wel met toepassing van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht wordt ontslagen van rechtsvervolging en
de schade waarvan zij vergoeding vordert, is toegebracht door het bewezen verklaarde feit of door een niet ten laste gelegd feit waarvan in de oproeping is vermeld dat de officier van justitie het op de terechtzitting ter sprake wenst te brengen en waarmee door de rechtbank bij de strafoplegging rekening is gehouden.
-
De benadeelde partij is niet-ontvankelijk in haar vordering indien en voor zover die vordering een onevenredige belasting oplevert voor de behandeling van de zaak.
Artikel 1.5.12
Zij die om in een burgerlijk geding in rechte te verschijnen, vertegenwoordigd moeten worden, hebben om zich overeenkomstig artikel 1.5.10 te voegen in het strafproces de vertegenwoordiging eveneens nodig. Een machtiging van de kantonrechter als bedoeld in artikel 349, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, is voor die vertegenwoordiger niet vereist. Ten aanzien van de verdachte zijn de bepalingen over vertegenwoordiging, nodig in burgerlijke zaken, niet van toepassing.
Artikel 1.5.13
Aan de benadeelde partij die de wens te kennen geeft dat zijn schade in het strafproces wordt vergoed, zendt de officier van justitie een door Onze Minister vastgesteld formulier toe voor de opgave van zijn vordering en de gronden waarop zij berust. Het formulier vermeldt het parket waarbij de benadeelde partij het formulier kan indienen.
Artikel 1.5.14
Op de benadeelde partij die geen slachtoffer is, zijn, voor zover het haar vordering betreft, de artikelen 1.5.3 tot en met 1.5.7 en 1.5.15 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.5.15
-
Het slachtoffer kan een bezwaarschrift indienen bij de rechter-commissaris tegen:
de kennisgeving, bedoeld in artikel 1.5.5, eerste lid, in verbinding met artikel 1.8.4, eerste lid, van de officier van justitie dat zijn verzoek om het voegen van stukken is afgewezen;
de kennisgeving, bedoeld in artikel 1.5.5, derde lid, van de officier van justitie dat de hem ter kennisneming gegeven stukken niet volledig zijn;
de kennisgeving, bedoeld in artikel 1.5.5, derde lid, in verbinding met artikel 1.8.8, derde lid, van de officier van justitie dat hem van bepaalde stukken of gedeelten daarvan geen kopie wordt verstrekt;
de kennisgeving, bedoeld in artikel 1.5.7, zesde lid, van de officier van justitie of Onze Minister dat zijn verzoek om vertaling van schriftelijke informatie of processtukken is afgewezen. Alvorens te beslissen op een bezwaarschrift tegen de afwijzing van Onze Minister, hoort de rechter-commissaris het slachtoffer en Onze Minister.
-
De termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is twee weken na dagtekening van de beslissing.
Artikel 1.6.1
-
In alle gevallen waarin een getuige wordt gehoord, verhoord of ondervraagd, vraagt de verhorende ambtenaar hem ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats.
-
Indien over de identiteit van de getuige twijfel bestaat kan zijn identiteit worden vastgesteld door middel van een onderzoek van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. De verhorende ambtenaar kan de getuige bevelen zijn identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden.
Artikel 1.6.2
-
Aan de getuige wordt mededeling gedaan van:
een voor hem geldende plicht om te verschijnen of te verklaren en de mogelijke gevolgen van het niet nakomen van die plicht; en
een hem toekomend recht op rechtsbijstand.
-
In alle gevallen waarin een getuige als bedoeld in artikel 1.6.5, 1.6.7 of 1.6.8 wordt verhoord, wordt hem meegedeeld dat hij niet tot het afleggen van een verklaring of het beantwoorden van bepaalde vragen verplicht is. Een getuige die medeverdachte is in de zaak waarin hij als getuige wordt verhoord, wordt mededeling gedaan van het verschoningsrecht, bedoeld in artikel 1.6.6.
Artikel 1.6.3
-
De verhorende ambtenaar zorgt ervoor dat de getuige bij zijn verklaring zoveel mogelijk uitdrukkelijk opgeeft welke feiten en omstandigheden hij heeft waargenomen en ondervonden en wat zijn redenen van wetenschap zijn.
-
Indien de getuige niet direct nadat hij het feit heeft waargenomen wordt verhoord, vraagt de verhorende ambtenaar de getuige of en, zo ja, hoe hij het verhoor heeft voorbereid.
-
De getuige legt zijn verklaring af zonder van voorwerpen of gegevens gebruik te maken. De verhorende ambtenaar kan de getuige om bijzondere redenen toestaan bij het afleggen van zijn verklaring gebruik te maken van voorwerpen en gegevens.
Artikel 1.6.4
In alle gevallen waarin iemand als getuige wordt verhoord, onthoudt de verhorende ambtenaar zich van alles wat de strekking heeft een verklaring te verkrijgen waarvan niet kan worden gezegd dat zij in vrijheid is afgelegd.
Artikel 1.6.5
Van het afleggen van een verklaring of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich verschonen:
de bloed- of aanverwanten van de verdachte of medeverdachte in de rechte lijn;
de bloed- of aanverwanten van de verdachte of medeverdachte in de zijlijn tot en met de derde graad;
de echtgenoot, de geregistreerde partner of de levensgezel van de verdachte of medeverdachte;
de eerdere echtgenoot, de eerdere geregistreerde partner of de eerdere levensgezel van de verdachte of medeverdachte, tenzij de vragen betrekking hebben op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan nadat het huwelijk is ontbonden dan wel het geregistreerd partnerschap of partnerschap is beëindigd.
Artikel 1.6.6
Getuigen kunnen zich van het beantwoorden van bepaalde vragen verschonen, indien zij daardoor:
zichzelf, hun bloed- of aanverwant in de rechte lijn of in de zijlijn tot en met de derde graad dan wel hun echtgenoot, geregistreerde partner of levensgezel aan het gevaar van een strafrechtelijke vervolging zouden blootstellen;
hun eerdere echtgenoot, hun eerdere geregistreerde partner of hun eerdere levensgezel aan het gevaar van een strafrechtelijke vervolging zouden blootstellen, tenzij de vragen betrekking hebben op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan nadat het huwelijk is ontbonden dan wel het geregistreerd partnerschap of partnerschap is beëindigd.
Artikel 1.6.7
Getuigen die in de uitoefening van hun ambt, beroep of stand verplicht zijn tot een geheimhouding waarin besloten ligt dat het belang van de waarheidsvinding moet wijken voor het maatschappelijk belang dat ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaring om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden, kunnen zich van het beantwoorden van bepaalde vragen verschonen. Zij kunnen zich slechts verschonen omtrent de wetenschap over hetgeen rechtstreeks verband houdt met deze taakuitoefening.
Artikel 1.6.8
-
Getuigen die als journalist of publicist in het kader van nieuwsgaring beschikken over gegevens van personen die deze gegevens ter openbaarmaking hebben verstrekt, kunnen zich verschonen van het beantwoorden van vragen over de herkomst van die gegevens.
-
De rechter kan het beroep van de getuige op het verschoningsrecht afwijzen indien hij oordeelt dat bij het onbeantwoord blijven van deze vragen aan een zwaarder wegend maatschappelijk belang een onevenredig grote schade zou worden toegebracht.
Artikel 1.6.9
Getuigen die uit hoofde van hun ambt of beroep betrokken zijn bij het verhoor van een bedreigde getuige of een verhoor waarbij artikel 2.10.32 is toegepast, dan wel een daaraan voorafgaand verhoor, kunnen zich van het beantwoorden van bepaalde vragen verschonen voor zover dat ter bescherming van de in artikel 2.10.32, eerste lid, of artikel 2.10.39, eerste lid, genoemde belangen noodzakelijk is.
Artikel 1.6.10
Getuigen die uit hoofde van hun ambt of beroep betrokken zijn bij het verhoor van een afgeschermde getuige verschonen zich van het beantwoorden van een daarover gestelde vraag.
Artikel 1.6.11
Getuigen die als rechter-commissaris of als vertegenwoordiger van het ambt, de beroepsgroep of de stand waartoe de verschoningsgerechtigde behoort, bedoeld in artikel 2.7.62, derde lid, hebben kennisgenomen van aan voorwerpen te ontlenen informatie of gegevens waarover op grond van artikel 2.7.62, eerste lid, onherroepelijk is beslist dat niet tot kennisneming daarvan mag worden overgegaan, verschonen zich van het beantwoorden van een daarover gestelde vraag.
Artikel 1.6.12
Het aantal ondervragingen van een minderjarige getuige wordt tot een minimum beperkt.
Artikel 1.6.13
-
Indien een minderjarige getuige wordt uitgenodigd voor het verhoor of daartoe wordt opgeroepen, wordt de ouder van de minderjarige getuige direct mededeling gedaan van:
het tijdstip, de datum en de plaats van het verhoor; en
de wijze waarop het verhoor wordt afgenomen.
-
De ouder van de minderjarige getuige wordt mededeling gedaan van een voor de getuige geldende plicht om te verschijnen of te verklaren, een aan de getuige toekomend recht op rechtsbijstand en een aan de getuige toekomend verschoningsrecht.
-
Van de mededeling aan de ouder kan worden afgezien indien het belang van de minderjarige getuige of het belang van het onderzoek zich daartegen verzet en indien de ouder geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft.
Artikel 1.6.14
-
Tenzij zij bij koninklijk besluit tot het afleggen van een getuigenis zijn gemachtigd, worden niet als getuigen opgeroepen of gehoord, de Koning, de vermoedelijk opvolger van de Koning, hun echtgenoten en de regent.
-
Een regeling van vormen die bij het verhoor in acht zijn te nemen, wordt bij het besluit tot machtiging gegeven.
Artikel 1.6.15
-
Onze Minister kan op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze specifieke maatregelen treffen voor de feitelijke bescherming van getuigen.
-
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een persoon die medewerking heeft verleend aan de met opsporing en vervolging van strafbare feiten belaste autoriteiten, voor zover daartoe een dringende noodzaak is ontstaan als gevolg van die medewerking en daarmee verband houdend overheidsoptreden.
-
Onze Minister kan ambtenaren belast met de opsporing van strafbare feiten aanwijzen die ter uitvoering van het krachtens het eerste en tweede lid bepaalde, bevoegd zijn zich voor medewerking bij de te verlenen feitelijke bescherming te wenden tot eenieder.
-
Indien de in het derde lid bedoelde medewerking niet wordt verleend, kan de officier van justitie in het belang van de feitelijke bescherming van de getuige, deze medewerking bevelen.
-
De geldende wettelijke voorschriften ter zake van de in het derde en vierde lid bedoelde medewerking blijven, voor zover deze in de weg staan aan het verlenen van de medewerking, buiten toepassing.
-
Degene tot wie een verzoek tot medewerking als bedoeld in het derde lid of een bevel als bedoeld in het vierde lid is gericht, neemt in belang van de feitelijke bescherming van de getuige geheimhouding in acht over al hetgeen hem bekend is ten aanzien van het verzoek tot medewerking of het bevel.
-
Een bevel als bedoeld in het vierde lid kan niet worden gericht tot de verdachte. Artikel 2.7.58, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.7.1
-
Op de wijze bij de wet bepaald wordt een deskundige benoemd met een opdracht tot het geven van informatie over of het doen van onderzoek op een terrein waarvan hij specifieke of bijzondere kennis bezit.
-
Bij de benoeming worden de opdracht en de termijn waarbinnen de deskundige zijn verslag uitbrengt, vermeld.
-
De deskundige brengt het verslag schriftelijk en naar waarheid, volledig en naar beste inzicht uit.
-
De rechter kan bepalen dat de deskundige mondeling verslag uitbrengt.
Artikel 1.7.2
-
Er is een landelijk openbaar register van gerechtelijke deskundigen, dat wordt beheerd op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze. Bij deze algemene maatregel van bestuur wordt het orgaan ingesteld dat met deze taak wordt belast.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de kwalificaties waarover bepaalde deskundigen moeten beschikken en over de wijze waarop de specifieke deskundigheid van de overige deskundigen kan worden bepaald of getoetst.
-
Bij benoeming van een deskundige die niet is opgenomen in het register wordt gemotiveerd op grond waarvan hij als deskundige wordt aangemerkt.
Artikel 1.7.3
-
Ieder die tot deskundige is benoemd, is verplicht de door de rechter opgedragen diensten te bewijzen.
-
De rechter kan de deskundige geheimhouding opleggen.
-
De deskundige kan zich verschonen in de gevallen, bedoeld in de artikelen 1.6.5 tot en met 1.6.8.
Artikel 1.7.4
-
Aan de deskundige wordt, voor zover het belang van het onderzoek zich daartegen niet verzet, kennisgegeven van de voor de opdracht relevante processtukken. Voor zover dat noodzakelijk is, worden deze voor hem vertaald.
-
Het verslag van de deskundige is gemotiveerd. Hij geeft daarin zo mogelijk aan welke methode hij heeft toegepast, in welke mate deze methode en de resultaten daarvan betrouwbaar kunnen worden geacht en welke bekwaamheid hij heeft bij de toepassing van de methode.
-
De deskundige verklaart het verslag naar waarheid, volledig en naar beste inzicht te hebben opgesteld. Het verslag is gebaseerd op wat zijn wetenschap en kennis hem leren over hetgeen wat aan zijn oordeel onderworpen is.
Artikel 1.7.5
-
De artikelen 1.7.1 tot en met 1.7.4 zijn niet van toepassing op onderzoek dat gezien zijn aard als technisch opsporingsonderzoek moet worden aangemerkt.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van technisch opsporingsonderzoek.
Artikel 1.7.6
-
In alle gevallen waarin de deskundige wordt gehoord, verhoord of ondervraagd, vraagt de verhorende ambtenaar hem ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven, het adres van zijn feitelijke verblijfplaats en zijn elektronisch adres.
-
Indien over de identiteit van de deskundige twijfel bestaat kan zijn identiteit worden vastgesteld door middel van een onderzoek van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. De verhorende ambtenaar kan de deskundige bevelen zijn identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden.
Artikel 1.8.1
Tot de processtukken behoren alle stukken die voor de in het kader van de berechting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn, behoudens de stukken waarvan de voeging overeenkomstig het bepaalde in artikel 1.8.3 achterwege wordt gelaten.
Artikel 1.8.2
-
Zolang de berechting niet is aangevangen, is de officier van justitie verantwoordelijk voor de samenstelling van de processtukken en voor de daadwerkelijke toegankelijkheid van de processtukken voor zover de kennisneming ervan is toegestaan.
-
Voor de aanvang van de berechting en na de afloop ervan beslist de officier van justitie met inachtneming van het bepaalde in de wet over de processtukken.
-
Nadat de berechting is aangevangen, beslist tot de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting de voorzitter van de rechtbank en daarna de rechtbank met inachtneming van het bepaalde in de wet over de processtukken.
-
Na het instellen van hoger beroep tegen het eindvonnis zijn het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.8.3
-
De officier van justitie kan, indien hij dit met het oog op de in artikel 2.10.32, eerste lid, vermelde belangen noodzakelijk acht, de voeging van bepaalde stukken of gedeelten daarvan bij de processtukken achterwege laten. Hij heeft daartoe een schriftelijke machtiging nodig, op zijn vordering te verlenen door de rechter-commissaris. De vordering en de beslissing worden bij de processtukken gevoegd.
-
De officier van justitie doet van de toepassing van het eerste lid en, voor zover de in artikel 2.10.32, eerste lid, vermelde belangen dat toelaten, de redenen voor die toepassing, proces-verbaal opmaken. Dit proces-verbaal wordt bij de processtukken gevoegd.
-
Zolang de zaak niet is geëindigd, bewaart de officier van justitie de in het eerste lid bedoelde stukken.
Artikel 1.8.4
-
Zolang de berechting niet is aangevangen, kan de verdachte stukken indienen bij de officier van justitie ter voeging bij de processtukken. De officier van justitie kan het voegen van stukken weigeren indien hij van oordeel is dat de stukken niet als processtukken kunnen worden aangemerkt. Hij stelt de verdachte van deze weigering in kennis.
-
Na de aanvang van de berechting kunnen de officier van justitie en de verdachte nieuwe stukken indienen ter voeging bij de processtukken. Tot de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting beslist de voorzitter van de rechtbank over de voeging en daarna de rechtbank.
-
Na het instellen van hoger beroep tegen het eindvonnis is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.8.5
-
Zolang de berechting niet is aangevangen, kan de verdachte de officier van justitie verzoeken zo nauwkeurig mogelijk omschreven stukken die hij van belang acht voor de beoordeling van de zaak bij de processtukken te voegen. Het verzoek is gemotiveerd.
-
Met het oog op de onderbouwing van zijn verzoek kan de verdachte de officier van justitie verzoeken om hem inzage te verlenen in de stukken, bedoeld in het eerste lid.
-
Indien de officier van justitie in gebreke blijft te beslissen over het voegen van de stukken dan wel de inzage daarin, kan hem op verzoek van de verdachte door de rechter-commissaris een termijn worden gesteld binnen welke hij een beslissing neemt. Alvorens op het verzoek te beslissen, hoort de rechter-commissaris de officier van justitie en de verdachte.
-
De officier van justitie kan het voegen van de stukken respectievelijk de inzage daarin weigeren indien hij van oordeel is dat de stukken niet als processtukken kunnen worden aangemerkt dan wel indien hij dit onverenigbaar acht met een van de in artikel 2.10.32, eerste lid, vermelde belangen. Hij heeft daartoe een schriftelijke machtiging nodig, op zijn vordering te verlenen door de rechter-commissaris. De officier van justitie stelt de verdachte van deze weigering in kennis. Indien de rechter-commissaris de machtiging verleent omdat hij de voeging van de stukken dan wel de inzage daarin onverenigbaar acht met de in artikel 2.10.32, eerste lid, vermelde belangen, vermeldt hij dat in de machtiging.
Artikel 1.8.6
-
Zolang de berechting niet is aangevangen wordt de kennisneming van de processtukken de verdachte op zijn verzoek toegestaan door de officier van justitie. De kennisneming wordt de verdachte in elk geval toegestaan vanaf het eerste verhoor.
-
Niettemin kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit vereist, de verdachte de kennisneming van bepaalde processtukken onthouden. De verdachte wordt in dat geval ervan in kennis gesteld dat de hem ter kennisneming gegeven stukken niet volledig zijn.
-
Indien de officier van justitie in gebreke blijft de kennisneming toe te staan, kan hem op verzoek van de verdachte door de rechter-commissaris een termijn worden gesteld binnen welke de kennisneming van processtukken wordt toegestaan. Voordat de rechter-commissaris op het verzoek beslist, hoort hij de officier van justitie.
Artikel 1.8.7
Aan de verdachte mag niet de volledige kennisneming worden onthouden van:
de processen-verbaal van zijn verhoren;
de processen-verbaal van verhoren of handelingen van onderzoek, waarbij hij of zijn raadsman aanwezig kon zijn, tenzij en voor zover uit een proces-verbaal blijkt van een omstandigheid waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, en in verband daarmee een bevel als bedoeld in artikel 1.4.18, eerste lid, is gegeven;
de processen-verbaal van verhoren waarvan hem de inhoud volledig of verkort is meegedeeld.
Artikel 1.8.8
-
Het recht van de verdachte om kennis te nemen van de processtukken omvat het recht om van die processtukken een kopie te verkrijgen, behoudens het bepaalde in het tweede lid.
-
In het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of van de opsporing en vervolging van strafbare feiten dan wel op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend, kan worden bepaald dat van bepaalde processtukken of gedeelten daarvan alleen inzage wordt verleend.
-
De verdachte wordt ervan in kennis gesteld dat hem van bepaalde processtukken of gedeelten daarvan geen kopie wordt verstrekt.
-
De opsporingsambtenaar of rechter-commissaris die met het verhoor is belast verstrekt direct nadat het proces-verbaal is opgemaakt aan de verdachte of zijn raadsman een kopie van:
de processen-verbaal, bedoeld in artikel 1.8.7, onderdeel a; en
de processen-verbaal van verhoren waarbij de verdachte of zijn raadsman aanwezig kon zijn, bedoeld in artikel 1.8.7, onderdeel b.
Het tweede lid is niet van toepassing.
-
Van de processen-verbaal, bedoeld in artikel 1.8.7, onderdeel c, verstrekt de officier van justitie direct nadat het proces-verbaal aan hem is overgedragen de verdachte op zijn verzoek een kopie, behoudens het bepaalde in het tweede lid.
Artikel 1.8.9
-
De verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, kan verzoeken processtukken waarvan hem de kennisneming is toegestaan en die hij noodzakelijk acht voor zijn verdediging geheel of gedeeltelijk schriftelijk te laten vertalen in een voor hem begrijpelijke taal. Het verzoek omschrijft zo nauwkeurig mogelijk de processtukken of gedeelten daarvan waarop het verzoek betrekking heeft en is gemotiveerd.
-
De verdachte wordt van een afwijzing van zijn verzoek in kennis gesteld.
Artikel 1.8.10
De kennisneming van alle processtukken mag de verdachte niet worden onthouden zodra de procesinleiding is ingediend dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.
Artikel 1.8.11
-
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de processtukken worden samengesteld en ingericht, over de wijze waarop de kennisneming van processtukken of inzage daarin plaatsvindt en over het verstrekken van kopieën.
-
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de integriteit en de authenticiteit van processtukken in elektronische vorm. Van een processtuk in elektronische vorm kan de integriteit worden nagegaan doordat iedere wijziging kan worden vastgesteld.
-
In de processtukken en in stukken waarvan de kennisneming ingevolge dit wetboek wordt toegestaan blijven in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen bepaalde daarin aan te wijzen gegevens in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer onvermeld, tenzij deze gegevens voor door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn.
-
De voordracht voor een krachtens het derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur, dan wel de vaststelling van een ministeriële regeling op basis van een dergelijke algemene maatregel van bestuur, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 1.8.12
-
De officier van justitie kan beroep instellen tegen de afwijzing door de rechter-commissaris van een vordering op grond van:
artikel 1.8.3, eerste lid;
artikel 1.8.5, vierde lid.
-
De termijn voor het instellen van beroep is twee weken na de dagtekening van de beslissing. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk.
Artikel 1.8.13
-
De verdachte kan een bezwaarschrift indienen bij de rechter-commissaris tegen:
de kennisgeving, bedoeld in artikel 1.8.4, eerste lid, dat zijn verzoek om het voegen van stukken is afgewezen;
de kennisgeving, bedoeld in artikel 1.8.6, tweede lid, dat de processtukken niet volledig zijn;
de kennisgeving, bedoeld in artikel 1.8.8, derde lid, van de officier van justitie dat hem van bepaalde stukken of gedeelten daarvan geen kopie wordt verstrekt;
de kennisgeving, bedoeld in artikel 1.8.9, tweede lid, van de officier van justitie dat zijn verzoek om vertaling van processtukken is afgewezen.
-
De termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is twee weken na dagtekening van de kennisgeving. Het bezwaarschrift, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan daarna telkens na periodes van een maand worden ingediend.
Artikel 1.9.1
-
Waar dit wetboek tot het meedelen van een bericht verplicht, wordt het bericht in mondelinge vorm overgedragen, tenzij kennisneming daardoor onvoldoende is verzekerd. In dat geval wordt het bericht in andere vorm overgedragen.
-
Waar dit wetboek tot het in kennis stellen of ter kennis brengen van een bericht verplicht, wordt het bericht in schriftelijke vorm overgedragen tenzij bij algemene maatregel van bestuur in daarin omschreven gevallen anders is bepaald. In geval bij algemene maatregel van bestuur is bepaald dat het in kennis stellen of ter kennis brengen van een bericht in andere dan schriftelijke vorm kan plaatsvinden, worden daarin nadere regels gesteld over de wijze waarop het in kennis stellen of ter kennis brengen in andere dan schriftelijke vorm plaatsvindt.
Artikel 1.9.2
-
Het openbaar ministerie, de procureur-generaal bij de Hoge Raad en advocaten dienen stukken over een zaak bij de rechtbank, het gerechtshof of de Hoge Raad langs elektronische weg in, tenzij de rechter anders bepaalt.
-
Advocaten dienen stukken over een zaak bij het openbaar ministerie of de procureur-generaal bij de Hoge Raad langs elektronische weg in, tenzij de officier van justitie, de advocaat-generaal of de procureur-generaal bij de Hoge Raad anders bepaalt.
Artikel 1.9.3
-
Vastgelegde berichten over een zaak worden tussen rechters, het openbaar ministerie, de procureur-generaal bij de Hoge Raad en advocaten langs elektronische weg overgedragen, tenzij dit wetboek of de rechter anders bepaalt.
-
Vastgelegde berichten van opsporingsdiensten en andere bestuursorganen en rechtspersonen met taken in de strafrechtspleging worden in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen langs elektronische weg overgedragen.
Artikel 1.9.4
-
De burger kan vastgelegde berichten over een zaak langs elektronische weg overdragen.
-
Vastgelegde berichten kunnen, als de burger wordt bijgestaan door een advocaat, uitsluitend langs elektronische weg worden overgedragen.
-
Berichten van een burger aan het openbaar ministerie of een rechter worden, behoudens tijdens het onderzoek op de zitting, schriftelijk overgedragen, tenzij de wet anders bepaalt.
Artikel 1.9.5
-
Berichten van het openbaar ministerie of een rechter worden aan een burger overgedragen door betekening in de gevallen waarin de wet dat bepaalt. Oproepingen worden betekend tenzij de wet anders bepaalt.
-
In andere gevallen wordt het bericht aan de burger overgedragen door het aan de persoon voor wie het bestemd is uit te reiken of toe te zenden, tenzij de wet bepaalt dat het wordt meegedeeld.
-
Toezending vindt plaats:
langs elektronische weg, door plaatsing van een bericht in de elektronische voorziening onder notificatie aan de persoon voor wie het bericht bestemd is, dan wel, in bij algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen, door rechtstreekse toezending aan het elektronisch adres van de persoon voor wie het bestemd is;
door een postvervoerbedrijf als bedoeld in de Postwet 2009; of
door een daartoe bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen dienst of andere instelling van vervoer.
-
In het geval de burger een elektronisch adres heeft opgegeven, wordt het bericht langs elektronische weg toegezonden op de wijze, bedoeld in het derde lid, onderdeel a.
-
In andere gevallen wordt het bericht toegezonden aan het adres van de burger in Nederland dat met overeenkomstige toepassing van artikel 1.9.13, vijfde en zesde lid, is bepaald.
-
Toezending kan achterwege blijven als het bericht in overeenstemming met de wettelijke regeling is betekend aan de persoon voor wie het bestemd is.
Artikel 1.9.6
-
Elke procesdeelnemer kan met behulp van de elektronische voorziening een elektronisch adres opgeven voor de overdracht van berichten. Dit adres kan worden gewijzigd door een nieuw elektronisch adres op te geven met behulp van de elektronische voorziening.
-
De verdachte die geen elektronisch adres heeft opgegeven, kan voor de overdracht van berichten in verband met de zaak:
bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende zaak aan de verhorende rechter of ambtenaar een adres opgeven,
bij het begin van het onderzoek op de terechtzitting een adres opgeven, alsmede
bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de zaak een adres opgeven of doen opgeven.
-
Door opgave van een nieuw adres vervalt het eerder opgegeven adres. Door opgave van een elektronisch adres vervalt een adres dat op grond van het tweede lid is opgegeven.
-
Andere procesdeelnemers dan de verdachte die geen elektronisch adres hebben opgegeven, kunnen door een ondertekend en gedagtekend bericht aan de officier van justitie eenmalig een ander dan een elektronisch adres opgeven. Dat adres vervalt door opgave van een elektronisch adres.
-
Een opgegeven adres, anders dan een elektronisch adres, kan worden ingetrokken door een ondertekend en gedagtekend bericht aan de officier van justitie.
Artikel 1.9.7
-
Het bepaalde in dit hoofdstuk staat er niet aan in de weg dat op de zitting stukken worden overgelegd, in de gevallen waarin de wet dat toestaat.
-
Het openbaar ministerie, de procureur-generaal bij de Hoge Raad en de rechter kunnen ook berichten die zijn overgedragen op andere wijze dan dit wetboek toestaat bij hun beoordeling en beslissing betrekken.
Artikel 1.9.8
-
Het openbaar ministerie is belast met de uitvoering van rechterlijke bevelen tot kennisgeving en, waar dit wetboek tot het in kennis stellen of ter kennis brengen van een bericht verplicht, met de uitvoering daarvan, tenzij de wet anders bepaalt.
-
Het openbaar ministerie kan een ieder, behalve de verdachte, bevelen inlichtingen te verstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de overdracht van een bericht. Op het bevel zijn Boek 2, Titel 1.5, en de artikelen 2.7.44 en 2.7.58 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.9.9
-
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de overdracht van berichten en het indienen van stukken langs elektronische weg.
-
Deze regels kunnen inhouden dat bij een verplichting om langs elektronische weg berichten over te dragen en stukken in te dienen van de elektronische voorziening gebruik wordt gemaakt.
-
Deze regels kunnen uitzonderingen inhouden op een verplichting tot het overdragen van berichten of het indienen van stukken langs elektronische weg.
-
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de vereisten voor authenticatie en integriteit van de overdracht van berichten en het indienen van stukken met behulp van de elektronische voorziening alsmede voor de wijze waarop notificatie plaatsvindt. Van overgedragen berichten en ingediende stukken kan de integriteit worden nagegaan doordat iedere wijziging kan worden vastgesteld.
Artikel 1.9.10
-
Betekening van een bericht vindt plaats langs elektronische weg of door middel van uitreiking en volgens de voorschriften die bij en krachtens dit hoofdstuk zijn gesteld.
-
Betekening vindt plaats door het openbaar ministerie, tenzij de wet anders bepaalt.
Artikel 1.9.11
-
Een bericht wordt langs elektronische weg aangeboden door plaatsing van het bericht in de elektronische voorziening, onder notificatie aan de persoon voor wie het bericht bestemd is.
-
Betekening van een bericht langs elektronische weg geldt als betekening in persoon als degene voor wie het bestemd is zich na plaatsing van het bericht in de elektronische voorziening de toegang verschaft tot die voorziening.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van dit artikel.
Artikel 1.9.12
-
De uitreiking van een bericht vindt plaats door een postvervoerbedrijf als bedoeld in de Postwet 2009 dan wel door een daartoe bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen dienst of andere instelling van vervoer.
-
Het openbaar ministerie kan de uitreiking opdragen aan een ambtenaar van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, dan wel aan een andere ambtenaar of functionaris die daartoe bij ministeriële regeling is aangewezen.
Artikel 1.9.13
-
Aan degene die in Nederland in verband met de zaak waarop het bericht betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan degene die in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen, wordt het bericht in persoon betekend.
-
Aan alle anderen wordt het bericht, als zij een elektronisch adres hebben opgegeven, via de elektronische voorziening aangeboden, tenzij het al door uitreiking in persoon is betekend.
-
Uitreiking aan een persoon die door degene voor wie het bericht bestemd is, schriftelijk is gemachtigd om het bericht in ontvangst te nemen, wordt als een betekening in persoon aangemerkt.
-
Indien het bericht bestemd is voor een rechtspersoon dan wel een maatschap of vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, wordt uitreiking aan een bestuurder dan wel een aansprakelijke vennoot als betekening in persoon aangemerkt. De vorige zin is van overeenkomstige toepassing op een doelvermogen en een rederij; de bestuurders en de boekhouder van het doelvermogen en de leden van de rederij treden daarbij in de plaats van de aansprakelijke vennoten.
-
Indien het eerste lid niet van toepassing is en het bericht niet via de elektronische voorziening of door uitreiking in persoon is betekend, wordt het bericht in Nederland aangeboden:
aan het adres dat degene voor wie het bericht bestemd is daartoe heeft opgegeven, dan wel, indien deze geen adres heeft opgegeven,
aan het adres waar degene voor wie het bericht bestemd is als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel, indien deze niet is ingeschreven,
aan de woon- of verblijfplaats van degene voor wie het bericht bestemd is.
Indien het bericht daar niet in persoon kan worden betekend, wordt het uitgereikt aan een persoon die zich op dat adres bevindt en zich bereid verklaart het bericht zo spoedig mogelijk te doen toekomen aan degene voor wie het bestemd is.
-
Indien het bericht bestemd is voor een rechtspersoon, worden de woonplaats van de rechtspersoon, de plaats van het kantoor van de rechtspersoon en de woonplaats van elk van de bestuurders als woon- of verblijfplaats in de zin van het vijfde lid aangemerkt. Indien het bericht bestemd is voor een maatschap of vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid worden de plaats van het kantoor van de maatschap of vennootschap en de woonplaats van elk van de aansprakelijke vennoten als woon- of verblijfplaats aangemerkt. De vorige zin is van overeenkomstige toepassing bij een doelvermogen en haar bestuurders en boekhouder en ook bij een rederij en haar leden.
-
Indien het bericht niet kan worden uitgereikt op het adres waar het is aangeboden, wordt het bericht uitgereikt aan de autoriteit waarvan het is uitgegaan.
-
De weigering van degene voor wie het bericht bestemd is om het bericht in ontvangst te nemen, wordt gelijkgesteld met een uitreiking aan die persoon. Deze regel is bij het derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.9.14
Indien het bericht is uitgereikt aan de autoriteit waarvan het is uitgegaan, zendt deze autoriteit direct een kopie van het bericht aan het adres waar het is aangeboden. Toezending kan achterwege blijven als bij het aanbieden van het bericht een kopie is achtergelaten.
Artikel 1.9.15
-
Van iedere betekening langs elektronische weg wordt vastgelegd:
de autoriteit van welke het bericht uitgaat;
het unieke nummer van het bericht;
de persoon voor wie het bericht bestemd is;
de dag en het tijdstip waarop het bericht in de elektronische voorziening is geplaatst;
de wijze, de dag en het tijdstip waarop de persoon voor wie het bericht bestemd is zich toegang tot de elektronische voorziening heeft verschaft alsmede, zo mogelijk, het tijdstip waarop deze persoon het bericht heeft ontsloten.
-
De betekening langs elektronische weg wordt in schriftelijke vorm vastgelegd, tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders is bepaald. In geval bij algemene maatregel van bestuur is bepaald dat vastlegging in andere dan schriftelijke vorm kan plaatsvinden, worden daarin nadere regels gesteld over die wijze van vastlegging.
-
Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van dit artikel nadere voorschriften worden gegeven.
Artikel 1.9.16
-
Van iedere betekening door uitreiking wordt vastgelegd:
de autoriteit van welke het bericht uitgaat;
het nummer van het bericht;
de persoon voor wie het bericht bestemd is;
de persoon aan wie het bericht is uitgereikt;
de plaats van uitreiking;
de dag en het tijdstip van de uitreiking.
-
Zo mogelijk wordt de identiteit van de persoon aan wie het bericht wordt uitgereikt vastgesteld aan de hand van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, en worden identificerende gegevens vastgelegd. Indien deze persoon schriftelijk tot het in ontvangst nemen van het bericht is gemachtigd, wordt de machtiging overgedragen aan de persoon die het bericht uitreikt.
-
Indien het bericht in Nederland tevergeefs is aangeboden aan het adres dat degene voor wie het bericht bestemd is daartoe heeft opgegeven, het adres waar deze als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel zijn woon- of verblijfplaats, wordt dat eveneens vastgelegd. Dat geldt ook voor de dag van aanbieding.
-
In het geval, bedoeld in het derde lid, wordt ook vastgelegd of een kopie van het bericht is achtergelaten of toegezonden aan het adres waar het bericht is aangeboden.
-
De vastgelegde gegevens worden gedagtekend en ondertekend door degene die deze heeft vastgelegd.
-
De betekening door uitreiking wordt in schriftelijke vorm vastgelegd, tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders is bepaald. In geval bij algemene maatregel van bestuur is bepaald dat vastlegging in andere dan schriftelijke vorm kan plaatsvinden, worden daarin nadere regels gesteld over die wijze van vastlegging.
-
Bij ministeriële regeling kunnen over de uitvoering van dit artikel nadere regels worden gesteld.
Artikel 1.9.17
-
De rechter kan, indien het bericht niet is uitgereikt overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk, de betekening nietig verklaren.
-
Nietigverklaring kan achterwege blijven als zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het bericht degene voor wie het bestemd was tijdig bekend was.
Artikel 1.11.1
In deze titel wordt verstaan onder:
herstelrecht: het in staat stellen van het slachtoffer en de verdachte of de veroordeelde, indien zij daarmee instemmen, actief deel te nemen aan een proces dat gericht is op het oplossen van de gevolgen van een strafbaar feit, met de hulp van een onpartijdige derde;
mediation: de bemiddeling in een strafzaak tussen verdachte en slachtoffer onder begeleiding van een mediator, waarmee herstel wordt beoogd en waarbij afspraken voor herstel kunnen worden vastgelegd in een overeenkomst, waarmee de officier van justitie en de rechter rekening houden bij de behandeling van de strafzaak.
Artikel 1.11.2
-
De officier van justitie bevordert dat de betrokken opsporingsambtenaar in een zo vroeg mogelijk stadium het slachtoffer en de verdachte mededeling doet van de mogelijkheden tot herstelrechtvoorzieningen, waaronder mediation en andere vormen van herstelrecht.
-
De officier van justitie bevordert herstelrecht tussen het slachtoffer en de verdachte of veroordeelde.
-
De officier van justitie en de rechter kunnen de zaak ambtshalve of op verzoek van de verdachte of het slachtoffer verwijzen ten behoeve van mediation.
-
Het verzoek wordt voor aanvang van de berechting gericht tot de officier van justitie en na aanvang daarvan tot de rechter.
-
Bij de beoordeling of de zaak moet worden verwezen ten behoeve van mediation vergewist de officier van justitie of de rechter zich ervan dat mediation de instemming heeft van het slachtoffer en de verdachte, alsook dat de verdachte de feiten die aan de zaak ten grondslag liggen heeft erkend.
-
Bij toewijzing van het verzoek, bedoeld in het derde lid, wordt de zaak verwezen ten behoeve van mediation. De beslissing op het verzoek wordt ter kennis van het slachtoffer en de verdachte gebracht. Een afwijzing van het verzoek is gemotiveerd.
-
Indien mediation tot een overeenkomst tussen het slachtoffer en de verdachte heeft geleid, houden de officier van justitie en de rechter hiermee rekening bij de behandeling of afdoening van de zaak.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over herstelrechtvoorzieningen, waaronder mediation en andere vormen van herstelrecht, met inbegrip van de voorwaarden en procedures.
Artikel 1.11.3
-
Het horen, verhoren of ondervragen van een persoon dan wel het bijwonen van een verhoor of zitting kan plaatsvinden per videoconferentie, waarbij een directe beeld- en geluidsverbinding tot stand komt tussen de betrokken personen.
-
De opsporingsambtenaar die met het horen, verhoren of ondervragen van een persoon is belast, kan beslissen dat bij het verhoor of de ondervraging van videoconferentie gebruik wordt gemaakt. Daarbij neemt hij een verzoek daartoe van de betrokken persoon en het belang van het onderzoek in aanmerking. Alvorens te beslissen, stelt hij de te horen, verhoren of te ondervragen persoon in de gelegenheid zijn mening over de toepassing van videoconferentie kenbaar te maken.
-
De rechter die met het horen, verhoren of ondervragen of met het onderzoek op de zitting is belast, kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de te horen, verhoren of te ondervragen persoon beslissen dat van videoconferentie gebruik wordt gemaakt. Hij neemt daarbij het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak in aanmerking. Alvorens te beslissen, stelt hij de te horen, verhoren of te ondervragen persoon, de officier van justitie, de verdachte of de veroordeelde en de persoon die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kan uitoefenen in de gelegenheid hun mening over de toepassing van videoconferentie kenbaar te maken.
Artikel 1.11.4
-
In afwijking van artikel 1.11.3 kan slechts met instemming van de verdachte gebruik worden gemaakt van videoconferentie:
voor zijn verhoor bij de behandeling van de vordering tot bewaring door de rechter-commissaris;
voor zijn berechting.
-
Indien de te horen, verhoren of te ondervragen persoon een auditieve of visuele handicap heeft, wordt geen gebruik gemaakt van videoconferentie indien redelijkerwijs kan worden verondersteld dat dit afbreuk doet aan zijn inbreng of positie in het strafproces, dan wel aan de rechten van andere procesdeelnemers.
-
In afwijking van het eerste en tweede lid kan de rechter beslissen dat van videoconferentie gebruik wordt gemaakt indien dat dringend noodzakelijk is in het bijzondere belang van de beveiliging van het verhoor of de zitting of van het vervoer naar of van de zitting.
-
Indien de verdachte zich bevindt in een extra beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel d, van de Penitentiaire beginselenwet, wordt gebruik gemaakt van videoconferentie, tenzij de rechter de aanwezigheid van de verdachte in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht.
-
Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing indien de verdachte zich bevindt in een afdeling voor intensief toezicht als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Penitentiaire beginselenwet en bij het vervoer van de verdachte sprake is van een hoog veiligheidsrisico.
Artikel 1.11.5
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
de eisen waaraan de techniek van videoconferentie dient te voldoen, onder meer met het oog op de integriteit en authenticiteit van vastgelegde gegevens;
de controle op de naleving van de eisen, bedoeld onder a.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van deze titel.
Artikel 1.11.6
-
Indien tijdens het contact met een procesdeelnemer blijkt dat deze de Nederlandse taal niet of niet voldoende beheerst, kan de verhorende ambtenaar de bijstand van een tolk inroepen.
-
De procesdeelnemer die de Nederlandse taal niet of niet voldoende beheerst, kan ten behoeve van zijn betrokkenheid in een zaak verzoeken om bijstand van een tolk.
-
De bijstand van een tolk wordt vastgelegd in het proces-verbaal van het verhoor of van de zitting.
-
Deze titel is van overeenkomstige toepassing op de procesdeelnemer die niet of slechts zeer gebrekkig kan horen, zien of spreken. Voor deze procesdeelnemer kan een beroep worden gedaan op bijstand van een persoon die geschikt is om voor hem te vertolken.
-
Indien een procesdeelnemer niet of slechts zeer gebrekkig kan spreken, wordt hij bijgestaan door een tolk of kan de procesdeelnemer zich schriftelijk uiten.
Artikel 1.11.7 (Recht op vertolking)
-
Voor de verdachte of veroordeelde die de Nederlandse taal niet of niet voldoende beheerst wordt de bijstand van een tolk ingeroepen:
indien hij wordt gehoord of verhoord of aanwezig is bij een verhoor;
bij overleg met zijn raadsman;
indien hij is opgeroepen voor een zitting.
-
Voor het slachtoffer dat de Nederlandse taal niet of niet voldoende beheerst wordt de bijstand van een tolk ingeroepen:
voor het mondeling doen van aangifte;
indien hij wordt gehoord of verhoord als getuige;
indien hij is opgeroepen voor een zitting.
-
Indien een getuige of deskundige wordt gehoord of verhoord die de Nederlandse taal niet of niet voldoende beheerst, kan de bijstand van een tolk worden ingeroepen.
-
Voor het onderzoek van de zaak in raadkamer wordt voor de betrokken procespartij die de Nederlandse taal niet of niet voldoende beheerst de bijstand van een tolk ingeroepen.
Artikel 1.11.8
-
Tenzij de wet anders bepaalt, is met oproeping van de tolk, indien daarom is verzocht of indien de noodzaak daartoe is gebleken, belast:
voor het mondeling doen van aangifte, het horen of verhoren door de opsporingsambtenaar: de opsporingsambtenaar;
voor het overleg van de raadsman met de verdachte: zijn raadsman;
voor het verhoor door de rechter-commissaris: de rechter-commissaris;
voor het verhoor door de raadsheer-commissaris: de raadsheer-commissaris;
voor de zitting: het openbaar ministerie ambtshalve of in opdracht van het gerecht.
-
De opsporingsambtenaar, de raadsman, de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris kunnen de tolk mondeling oproepen. Het openbaar ministerie zendt de oproeping toe.
-
Indien de bijstand van een tolk wordt ingeroepen en deze geen beëdigde tolk in de zin van de Wet beëdigde tolken en vertalers is, beëdigt de rechter-commissaris, de raadsheer-commissaris of de rechter de tolk voordat deze zijn werkzaamheden aanvangt dat hij zijn taak naar zijn geweten zal vervullen.
Artikel 1.11.9
-
Het openbaar ministerie en de rechter, zoveel mogelijk door tussenkomst van de officier van justitie, kunnen, al dan niet op verzoek van de verdachte, aan een reclasseringsinstelling die overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels is erkend, opdracht verlenen tot het opmaken van een reclasseringsadvies.
-
De reclasseringsinstelling waaraan de opdracht is verleend, stelt de identiteit van de verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 1.4.8, eerste en tweede lid, tenzij de opdracht in een inrichting wordt uitgevoerd.
Artikel 1.11.10
-
De rechter of ambtenaar die met de leiding van ambtsverrichtingen is belast, draagt zorg voor de handhaving van de orde bij gelegenheid van die verrichtingen.
-
De rechter of ambtenaar neemt de maatregelen die nodig zijn om de ambtsverrichtingen ongestoord te laten plaatsvinden.
-
De rechter of ambtenaar kan degene die de orde verstoort of de ambtsverrichtingen op enigerlei wijze hindert, na hem te hebben gewaarschuwd, bevelen dat hij zal vertrekken en, bij weigering, hem doen verwijderen en zo nodig tot de afloop van de ambtsverrichtingen in verzekering doen stellen.
-
De maatregelen genoemd in het tweede en derde lid worden vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting of een proces-verbaal dat bij de processtukken wordt gevoegd.
-
Met de uitvoering van de maatregelen zijn belast ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en andere ambtenaren of functionarissen die door Onze Minister zijn aangewezen. Deze ambtenaren of functionarissen nemen de aanwijzingen in acht van de rechter of de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid.