1. Een verzoek tot schadevergoeding kan worden ingediend bij de rechtbank binnen drie maanden na de gehele of gedeeltelijke afwijzing van het initiële verzoek, of binnen drie maanden na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 6.6.7, vierde lid.

  2. Indien het oorspronkelijke verzoek was ingediend bij de instantie die de schade heeft veroorzaakt, wordt het verzoek ingediend bij de rechtbank in het rechtsgebied waarbinnen het strafvorderlijk optreden heeft plaatsgevonden. Indien het oorspronkelijke verzoek was ingediend bij de officier van justitie, wordt het verzoek ingediend bij de rechtbank van het arrondissement waar de officier van justitie is aangesteld. Is de officier van justitie niet aangesteld bij een arrondissementsparket, dan wordt het verzoek ingediend bij de rechtbank Den Haag.

  3. De instantie die de schade heeft veroorzaakt wordt gehoord, althans hiertoe opgeroepen.

  4. Bij gehele of gedeeltelijke toewijzing van het verzoek bepaalt de rechtbank dat uitbetaling plaatsvindt door de instantie of de officier van justitie bij wie het oorspronkelijke verzoek was ingediend. Indien meerdere instanties betrokken zijn, bepaalt de rechtbank dat uitbetaling plaatsvindt naar verhouding van hun aandeel in de schade.