1. Na rechtmatig strafvorderlijk optreden kan schadevergoeding uitsluitend worden toegekend indien en voor zover daartoe, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

  2. Een verzoek tot vergoeding van schade die de verdachte lijdt na rechtmatig strafvorderlijk optreden is alleen mogelijk indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Indien meerdere feiten gevoegd zijn behandeld, worden deze feiten als één zaak aangemerkt, tenzij er tussen deze feiten in redelijkheid geen verband bestaat.

  3. In afwijking van het tweede lid kan schadevergoeding worden toegekend voor ondergane inverzekeringstelling, klinische observatie, voorlopige hechtenis of vrijheidsbeneming in het buitenland in verband met een door Nederlandse autoriteiten gedaan verzoek om uitlevering of overlevering:

    1. indien de zaak is geëindigd met oplegging van een straf of maatregel, maar op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten; of

    2. voor zover de ondergane vrijheidsbeneming, na verrekening als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, de duur van de opgelegde straf overschrijdt.

  4. Het verzoek tot schadevergoeding wordt door de gewezen verdachte ingediend binnen vijf jaar nadat deze kennis heeft kunnen nemen van de beëindiging van de zaak, en door de benadeelde, niet zijnde de gewezen verdachte, binnen vijf jaar nadat deze bekend is geworden met de schade.

  5. Afdeling 10 van Titel 1 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of strekking van de regel zich tegen toepassing verzet.