1. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, wordt aan de gewezen verdachte uit de schatkist van het Rijk een vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken.

  2. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan aan de gewezen verdachte uit de schatkist van het Rijk een vergoeding worden toegekend voor de schade die de gewezen verdachte werkelijk heeft geleden als gevolg van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak op de terechtzitting, alsmede, behoudens voor zover artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand van toepassing is, in de kosten van een raadsman. Een vergoeding voor de kosten van een raadsman gedurende de inverzekeringstelling en de voorlopige hechtenis is hierin begrepen. Een vergoeding voor deze kosten kan verder worden toegekend in het geval dat de zaak eindigt met oplegging van een straf of maatregel op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten.

  3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de ouder van een minderjarige die is opgeroepen op grond van artikel 6.1.41.

  4. De artikelen 6.6.3, 6.6.5, eerste lid, tweede lid, tweede zin, en vierde lid, 6.6.7, vierde lid, 6.6.8, eerste en tweede lid, 6.6.9 en 6.6.11, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.