1. In geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd en waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan zijn verkregen, kan een opsporingsambtenaar, op vertoon van een bewijs van de daartoe gegeven machtiging van de rechter-commissaris, met als doel om met het oog op de oplegging van een ontnemingsmaatregel inzicht te verkrijgen in de vermogenspositie van de verdachte, opeenvolgend of gelijktijdig aan een ieder bevelen:

    1. hem opgave te doen of inzage of kopie te geven van stukken of van gegevens, niet zijnde gegevens als bedoeld in artikel 2.7.46, derde lid;

    2. op te geven of, en zo ja welke, vermogensbestanddelen hij onder zich heeft of heeft gehad, welke toebehoren of hebben toebehoord aan de verdachte;

    en aldus verstrekte stukken in beslag te nemen.

  2. Een bevel wordt niet gegeven aan de verdachte.

  3. Het bevel kan alleen worden gegeven na een daartoe op vordering van de officier van justitie verleende machtiging van de rechter-commissaris. De machtiging geldt voor een periode van ten hoogste een jaar en kan op vordering van de officier van justitie telkens met ten hoogste een jaar worden verlengd.

  4. De opsporingsambtenaar die het bevel geeft kan de persoon tot wie het is gericht tevens bevelen dat hij geheimhouding in acht neemt over datgene wat hem met betrekking tot dat bevel bekend is.

  5. Op een bevel als bedoeld in het eerste en vierde lid is artikel 2.7.44 van overeenkomstige toepassing.