1. In het feitenonderzoek kan de officier van justitie, of, indien de artikelen de hulpofficier van justitie of de opsporingsambtenaar als bevoegd aanwijzen, deze ambtenaar, de in de artikelen 2.4.1, eerste en tweede lid, 2.6.7, eerste lid, 2.7.3, 2.7.8 tot en met 2.7.13, 2.7.37, eerste lid, 2.7.46, 2.7.67, bedoelde bevoegdheden uitoefenen en kan de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de bevoegdheden van de artikelen 2.7.68 en 2.7.69 uitoefenen. De artikelen 2.7.4, onderdeel a, 2.7.5 en 2.7.17 zijn van overeenkomstige toepassing.

  2. Een bevel als bedoeld in de artikelen 2.7.9, eerste lid, en 2.7.47, eerste en vierde lid, wordt niet gericht aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 6.5.14, eerste lid.

  3. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden kunnen slechts worden uitgeoefend indien:

    1. het geweldgebruik, bedoeld in artikel 6.5.14, eerste lid, lichamelijk letsel of de dood tot gevolg heeft gehad;

    2. de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid in redelijke verhouding staat tot de aard van het geweldgebruik ter beoordeling waarvan het feitenonderzoek is ingesteld;

    3. het vergaren van gegevens voor het feitenonderzoek door uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid niet op een andere, minder ingrijpende wijze mogelijk is.