1. Een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 1.3.10, onderdelen b en c, kan op of aan de openbare weg kentekengegevens van voertuigen als bedoeld in het tweede lid met behulp van een technisch hulpmiddel vastleggen, met als doel deze gegevens met toepassing van het derde lid te kunnen raadplegen. De aanwezigheid van het technisch hulpmiddel wordt op duidelijke wijze kenbaar gemaakt.

  2. Onder kentekengegevens als bedoeld in dit artikel worden verstaan het kenteken van het voertuig, de foto-opname van het voertuig en de locatie en het tijdstip waarop de vastlegging plaatsvindt.

  3. De officier van justitie kan bevelen dat een daartoe aangewezen opsporingsambtenaar de kentekengegevens raadpleegt:

    1. in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, ten behoeve van de opsporing van dat misdrijf; of

    2. ten behoeve van de aanhouding, bedoeld in artikel 6:1:6.

  4. De kentekengegevens worden een maand na de datum van vastlegging vernietigd.

  5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de inzet van een technisch hulpmiddel en de vastlegging van de kentekengegevens.

  6. De voordracht voor een krachtens het vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.