De in de artikelen 2.7.12, 2.7.13 en 2.7.69 omschreven bevoegdheden kunnen, wanneer zij worden uitgeoefend ter inbeslagneming van de in de artikelen 6.5.9 en 6.5.10 bedoelde stukken en voorwerpen, ook worden uitgeoefend in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd en waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan zijn verkregen.