1. Belanghebbenden, niet zijnde de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde, kunnen zich beklagen over het uitvaardigen van een strafbeschikking houdende aanwijzingen als bedoeld in artikel 3.3.1, derde lid, onderdeel a, b, of c, en over een schikking als bedoeld in artikel 4.4.24 op de grond dat deze aanwijzing of schikking betrekking heeft op hun toekomende voorwerpen en de officier van justitie die de aanwijzing heeft gegeven of de schikking is aangegaan, niet bereid is die voorwerpen terug te geven of de waarde die zij bij verkoop redelijkerwijs hadden moeten opbrengen te vergoeden.

  2. Het klaagschrift wordt uiterlijk binnen drie maanden nadat de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde aan de gegeven aanwijzingen of aan de termen van de schikking heeft voldaan, dan wel de klager met die aanwijzingen of schikking bekend is geworden, ingediend bij de rechtbank van het arrondissement waar de officier van justitie is aangesteld. Indien de strafbeschikking is uitgevaardigd of een schikking is aangegaan door een officier van justitie bij het landelijk parket, het functioneel parket of het parket centrale verwerking openbaar ministerie, is de rechtbank Amsterdam bevoegd.