1. Indien de officier van justitie op de hoogte komt van enige informatie die duidt op het begaan van een strafbaar feit door een rechterlijk ambtenaar als genoemd in artikel 1, onderdeel b, onder 2°, 3°, 6°, 7° en 10° van de Wet op de rechterlijke organisatie, verzoekt hij, door tussenkomst van zijn hoofdofficier van justitie, de Hoge Raad om voor de berechting van het strafbaar feit een rechtbank in een ander ressort dan waar de rechterlijk ambtenaar werkzaam is, aan te wijzen. Indien de rechterlijk ambtenaar werkzaam is bij het landelijk parket of het functioneel parket, wijst de Hoge Raad niet de rechtbank Amsterdam, Oost-Brabant, Overijssel of Rotterdam aan.

  2. Het verzoek kan achterwege blijven indien vervolging tegen de verdachte wordt ingesteld door het uitvaardigen van een strafbeschikking houdende een geldboete, waarvan de hoogte vaststaat op grond van door het College van procureurs-generaal vastgestelde richtlijnen. Het verzoek kan tevens achterwege blijven indien de officier van justitie van oordeel is dat aan de informatie elke feitelijke grondslag ontbreekt. In het laatste geval stelt de hoofdofficier van justitie de procureur-generaal bij de Hoge Raad in kennis van deze beslissing en de informatie.

  3. Bij dringende noodzaak kunnen voorafgaand aan de beslissing van de Hoge Raad de in Boek 2 omschreven bevoegdheden worden uitgeoefend en de in artikel 1.3.14 bedoelde bevelen worden gegeven.

  4. De Hoge Raad kan alvorens te beslissen de procureur-generaal bij de Hoge Raad opdragen verslag te doen. Ten behoeve van het verslag kan de procureur-generaal de officier van justitie opdragen stukken te overleggen en onderzoek te verrichten.

  5. Bij deelneming van meer dan één persoon aan het strafbaar feit geldt de aanwijzing van de Hoge Raad ook voor de andere verdachten.