1. In de gevallen waarin de wet in de aanwijzing van een raadsman voorziet, kan de verdachte geen afstand doen van het recht op rechtsbijstand.

  2. Indien de verdachte is aangehouden, stelt de officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, het bestuur van de raad voor rechtsbijstand direct van zijn aanhouding in kennis, opdat het bestuur een raadsman aanwijst. Deze kennisgeving kan achterwege blijven indien de verdachte een raadsman heeft gekozen en deze of een vervangende raadsman tijdig beschikbaar zal zijn.

  3. Het bestuur van de raad voor rechtsbijstand wijst voor de verdachte die geen raadsman heeft, een raadsman aan:

    1. na de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid;

    2. nadat hij door de officier van justitie over het voornemen, bedoeld in artikel 6.1.16, tweede lid, is ingelicht;

    3. nadat hij door de officier van justitie erover in kennis is gesteld dat tegen de verdachte een procesinleiding is ingediend wegens een feit dat in eerste aanleg door de rechtbank, niet zijnde de kantonrechter, wordt berecht.