1. In de oproeping van de ouder voor de terechtzitting in eerste aanleg wordt opgave gedaan van de vordering.

  2. De ouder wordt in de gelegenheid gesteld om het woord te voeren nadat de benadeelde partij overeenkomstig artikel 4.4.6, eerste lid, het woord heeft gevoerd. De voorzitter, de andere rechters en de officier van justitie kunnen aan de ouder vragen stellen. De ouder kan daarna telkens het woord voeren als de benadeelde partij het woord heeft gevoerd.

  3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de berechting in hoger beroep.