Voor de toepassing van de bepalingen van Boek 4, Hoofdstukken 2 tot en met 6, en Boek 5, Hoofdstukken 4 en 5, wordt de ouder, voor zover het de behandeling van de vordering van de benadeelde partij betreft, gelijkgesteld aan de verdachte, tenzij uit de bepalingen van deze afdeling of de aard van de regeling het tegendeel voortvloeit.