1. Tegen de verdachte kunnen met toepassing van de daarop betrekking hebbende bepalingen uitsluitend de volgende bevoegdheden uit Boek 2 worden uitgeoefend:

    1. verhoor van de verdachte, bedoeld in Titel 3.2;

    2. staandehouding en aanhouding, bedoeld in Titel 5.2;

    3. ophouden voor onderzoek, bedoeld in Afdeling 5.3.1, met dien verstande dat dit voor ten hoogste zes uur kan worden bevolen;

    4. onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen, bedoeld in Titel 6.2;

    5. onderzoek aan het lichaam en onderzoek in het lichaam, bedoeld in de Titels 6.3 en 6.4;

    6. inbeslagneming van voorwerpen en onderzoek van gegevens, bedoeld in Hoofdstuk 7, met dien verstande dat beslag alleen kan worden gelegd om de waarheid aan het licht te brengen of met het oog op de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp.

  2. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, stelt de raad voor de kinderbescherming hiervan direct in kennis.

  3. De artikelen 6.1.5, eerste en tweede lid, en 6.1.7, eerste lid, aanhef en onderdelen c en d, zijn van overeenkomstige toepassing.

  4. Boek 2, Titel 7.7 en Hoofdstuk 10, blijven buiten toepassing.