1. De rechter kan bepalen dat de berechting plaatsvindt met toepassing van de artikelen 6.1.17 tot en met 6.1.23 indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

  2. Indien de zaak is aangebracht bij de meervoudige kamer kan de voorzitter van de rechtbank ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte de in het eerste lid bedoelde beslissing nemen. In dat geval wordt dit in de oproeping voor de terechtzitting vermeld. Daarbij wordt tevens vermeld dat de verdachte in persoon op de terechtzitting moet verschijnen en dat de rechtbank, indien de verdachte niet aan deze verplichting voldoet, zijn medebrenging kan bevelen.

  3. De officier van justitie brengt de zaak bij de kinderrechter aan indien deze naar zijn aanvankelijk oordeel de in het eerste lid bedoelde beslissing dient te geven. De tweede en derde zin van het tweede lid zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing.

  4. Indien de officier van justitie voornemens is op de terechtzitting te vorderen dat ten aanzien van de verdachte toepassing wordt gegeven aan artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, wordt dit tevens in de oproeping voor de terechtzitting vermeld.