1. De rechter-commissaris en de raadkamer kunnen, indien zij daartoe grond vinden in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, bepalen dat toepassing wordt gegeven aan de artikelen 6.1.11 tot en met 6.1.14.

  2. Indien de officier van justitie voornemens is te vorderen dat recht zal worden gedaan overeenkomstig artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, kan hij Onze Minister verzoeken het bevel tot voorlopige hechtenis ten uitvoer te leggen in een inrichting als bedoeld in artikel 3a van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.