1. Een zaak kan worden berecht door de kinderrechter indien de zaak naar het aanvankelijk oordeel van de officier van justitie van eenvoudige aard is, in het bijzonder ook ten aanzien van het bewijs en de toepassing van de wet, terwijl van de te vorderen jeugddetentie of gevangenisstraf het onvoorwaardelijk deel de zes maanden niet overstijgt.

  2. De kinderrechter is niet bevoegd tot het opleggen van een vrijheidsstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel de duur van zes maanden overstijgt. Evenmin is de kinderrechter bevoegd tot het opleggen van de maatregelen, bedoeld in de artikelen 37a, eerste lid, 38m en 77s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  3. De zaak wordt bij de kantonrechter aangebracht indien de zaak een overtreding betreft die op grond van artikel 4.5.3 door de kantonrechter kan worden berecht en behandeling door de kantonrechter naar het aanvankelijk oordeel van de officier van justitie aangewezen is.

  4. De zaak wordt bij de meervoudige kamer aangebracht indien naar het aanvankelijk oordeel van de officier van justitie:

    1. een straf of maatregel dient te worden opgelegd tot de oplegging waarvan de kinderrechter niet bevoegd is;

    2. wegens de ingewikkeldheid van de zaak behandeling door de meervoudige kamer de voorkeur verdient;

    3. gelijktijdige behandeling met zaken tegen verdachten die voor de meervoudige kamer terechtstaan de voorkeur verdient.