1. Het bestuur van de raad voor rechtsbijstand wijst voor de gewezen verdachte die geen raadsman heeft, een raadsman aan:

    1. in opdracht van de voorzitter van de rechtbank in het geval van een vordering als bedoeld in artikel 5.8.29, tweede lid;

    2. in opdracht van de voorzitter van de Hoge Raad in het geval van een herzieningsaanvraag als bedoeld in artikel 5.8.27;

    3. in opdracht van de voorzitter van de rechtbank, van het gerechtshof of van de Hoge Raad waar de zaak dient nadat de zaak op grond van artikel 5.8.33 of 5.8.34 is verwezen.

  2. De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde aanwijzing geldt voor de duur van de behandeling door de rechter-commissaris. De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde aanwijzing geldt voor de duur van de behandeling door de Hoge Raad van de herzieningsaanvraag. De in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde aanwijzing geldt voor de gehele aanleg waarin zij heeft plaatsgehad.