1. Behoudens artikel 5.8.31 worden bij een onderzoek naar de aanwezigheid van een grond voor herziening als bedoeld in artikel 5.8.27 de bevoegdheden die door de wet aan opsporingsambtenaren zijn toegekend, niet tegen de gewezen verdachte uitgeoefend.

  2. Ter voorbereiding van een herzieningsaanvraag kan een daartoe door het College van procureurs-generaal aangewezen officier van justitie bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in een rechtbank die nog geen kennis heeft genomen van de zaak en die niet gelegen is binnen het ressort van een gerechtshof dat kennis heeft genomen van de zaak, slechts een vordering indienen tot een nader onderzoek indien:

    1. er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de Hoge Raad een herzieningsaanvraag gegrond zal achten; en

    2. dat onderzoek dringend noodzakelijk is.

  3. De vordering van de officier van justitie behelst een opgave van het onderzoek dat door de rechter-commissaris dient te worden verricht en is gemotiveerd. De vordering behoeft voorafgaande instemming van het College van procureurs-generaal.

  4. De officier van justitie stelt zodra het belang van het onderzoek dat toelaat de gewezen verdachte en zijn raadsman in kennis van zijn vordering.

  5. De rechter-commissaris wijst de vordering af indien deze kennelijk ongegrond is.

  6. In het andere geval hoort hij, alvorens te beslissen, de gewezen verdachte over de vordering van de officier van justitie, tenzij het belang van het onderzoek dringend vordert dat van het horen van de gewezen verdachte over die vordering wordt afgezien.

  7. De gewezen verdachte is bevoegd zich bij het horen door een raadsman te doen bijstaan.