1. Het College van procureurs-generaal dient de herzieningsaanvraag bij de Hoge Raad in door middel van een vordering. Het College van procureurs-generaal kan een procureur-generaal machtigen een of meer van de in deze titel opgenomen bevoegdheden uit te oefenen.

  2. De herzieningsaanvraag vermeldt de gronden waarop de vordering berust, met bijvoeging van de bewijsmiddelen waaruit van die gronden kan blijken en het eindvonnis of eindarrest waarvan herziening wordt gevorderd.

  3. De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag niet-ontvankelijk indien:

    1. deze niet voldoet aan de in het eerste en tweede lid gestelde vereisten;

    2. op het moment waarop de herzieningsaanvraag wordt ingediend het recht tot strafvordering voor het strafbare feit waarop de aanvraag betrekking heeft is vervallen door verjaring of door het overlijden van de gewezen verdachte;

    3. de herzieningsaanvraag het in artikel 5.8.27, eerste lid, onderdeel a, vermelde geval betreft en voor hetzelfde feit al eerder een herziening van een onherroepelijk eindvonnis of eindarrest van de rechter in Nederland is gevorderd;

    4. de herzieningsaanvraag niet een onherroepelijk eindvonnis of eindarrest van de rechter in Nederland betreft.

  4. De Hoge Raad wijst de herzieningsaanvraag af indien deze kennelijk ongegrond is.

  5. In de overige gevallen zijn de artikelen 5.8.11, eerste en derde lid, 5.8.12, 5.8.13, eerste en derde tot en met vijfde lid, 5.8.15, 5.8.19 en 5.8.25 van overeenkomstige toepassing alsmede de volgende bepalingen van deze titel.

  6. Artikel 5.8.9 is van toepassing.