1. Indien een herzieningsaanvraag of een verzoek tot een nader onderzoek als bedoeld in artikel 5.8.5 is ingediend, vraagt het openbaar ministerie zo mogelijk aan het slachtoffer of hij op de hoogte wenst te worden gehouden van de voortgang van de herzieningsprocedure.

  2. Het slachtoffer wordt op zijn verzoek door het openbaar ministerie in ieder geval in kennis gesteld van de beslissing van de Hoge Raad op de herzieningsaanvraag en van het eindarrest in de herzieningszaak tegen de verdachte.

  3. In daartoe aangewezen gevallen en in ieder geval indien het feit waarvoor de gewezen verdachte werd veroordeeld een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, of dat strafbaar is gesteld in de artikelen 240b, 247, 248a, 248b, 249, 250, 273f, eerste lid, 285, 285b, 300, tweede en derde lid, 301, tweede en derde lid, 306 tot en met 308 en 318 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, stelt het openbaar ministerie het slachtoffer desgevraagd in kennis van de invrijheidstelling van de gewezen verdachte.