1. Indien de Hoge Raad de herzieningsaanvraag ingevolge artikel 5.8.1, eerste lid, onderdeel b, gegrond acht, doet hij bij wijze van herziening de zaak zelf af of beveelt hij de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest en verwijst hij de zaak op de voet van artikel 5.8.16, teneinde met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad hetzij het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest te handhaven hetzij met vernietiging daarvan recht te doen.

  2. Indien de Hoge Raad de herzieningsaanvraag ingevolge artikel 5.8.1, eerste lid, onderdeel c, gegrond acht, beveelt hij de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest en verwijst hij de zaak op de voet van artikel 5.8.16, teneinde hetzij het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan:

    1. het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren;

    2. de verdachte vrij te spreken;

    3. de verdachte als niet-strafbaar te ontslaan van alle rechtsvervolging; of

    4. de verdachte opnieuw te veroordelen met toepassing van de minder zware strafbepaling of met oplegging van een lagere straf.

  3. Artikel 5.8.16, derde lid, is van toepassing.