1. De Hoge Raad beveelt de verdere behandeling op de openbare zitting op een daartoe door de voorzitter te bepalen dag.

  2. Indien de gewezen verdachte op de voet van artikel 5.8.7, zesde lid, van de resultaten van het onderzoek in kennis is gesteld, wordt de dienende zittingsdag bepaald op een datum niet eerder dan zes weken daarna en kan de gewezen verdachte of zijn raadsman de herzieningsaanvraag nader toelichten tot uiterlijk de laatste dag voor de dienende zittingsdag.

  3. De griffier doet ten minste tien dagen voor de dienende zittingsdag aan de gewezen verdachte een kennisgeving van die dag betekenen.