1. De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag niet-ontvankelijk indien deze niet een onherroepelijk eindvonnis of eindarrest van de rechter in Nederland houdende een veroordeling of een ontslag van alle rechtsvervolging als bedoeld in artikel 5.8.1, tweede lid, betreft, dan wel niet voldoet aan de voorwaarden in artikel 5.8.4 gesteld.

  2. De Hoge Raad kan de herzieningsaanvraag betreffende het in artikel 5.8.1, eerste lid, onderdeel b, vermelde geval niet-ontvankelijk verklaren indien deze niet wordt ingediend binnen drie maanden nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de gewezen verdachte bekend is.

  3. Indien de herzieningsaanvraag kennelijk ongegrond is, wijst de Hoge Raad deze af.

  4. In de overige gevallen zijn de volgende bepalingen uit deze titel van toepassing.

  5. De Hoge Raad kan alvorens de zaak verder te behandelen opdracht geven tot een nader onderzoek als bedoeld in de artikelen 5.8.5 en 5.8.7 of tot het inwinnen van advies van de in artikel 5.8.6 bedoelde commissie.

  6. Hangende de beslissing op de herzieningsaanvraag kan de Hoge Raad te allen tijde de tenuitvoerlegging van het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest opschorten.