1. De rolraadsheer bepaalt met inachtneming van de termijnen, bedoeld in artikel 5.5.7, de dag van de zitting waarop de zaak door de Hoge Raad in behandeling zal worden genomen.

  2. Aan het openbaar ministerie en aan de verdachte, dan wel, indien zich bij de Hoge Raad namens de verdachte een raadsman heeft gesteld, aan de raadsman, wordt de zittingsdag ter kennis gebracht.

  3. Het slachtoffer dat daarom verzoekt wordt in kennis gesteld van de zittingsdag.