1. Indien het openbaar ministerie beroep in cassatie heeft ingesteld, dient het op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen een maand nadat de in artikel 5.5.6, tweede lid, bedoelde kennisgeving is verzonden bij de Hoge Raad een schriftuur in met zijn middelen van cassatie.

  2. De verdachte die beroep in cassatie heeft ingesteld, doet op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden nadat de in artikel 5.5.6, eerste lid, bedoelde kennisgeving is betekend, door zijn raadsman bij de Hoge Raad een schriftuur indienen met zijn middelen van cassatie.