1. Indien beroep in cassatie is ingesteld tegen een eindarrest waarin op haar vordering is beslist, wordt aan de benadeelde partij een kennisgeving betekend dat de processtukken zijn ontvangen. Indien de benadeelde partij geen beroep in cassatie heeft ingesteld, wordt haar daarbij kennis gegeven dat een advocaat zich namens haar bij de Hoge Raad kan stellen.

  2. De benadeelde partij doet op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden nadat de in het eerste lid bedoelde kennisgeving is verzonden, door een advocaat bij de Hoge Raad een schriftuur indienen met haar middelen van cassatie. Gedurende die tijd is zij bevoegd om van de processtukken kennis te nemen.

  3. De benadeelde partij of haar advocaat wordt in kennis gesteld van de zittingsdag indien door of namens haar beroep in cassatie is ingesteld dan wel zich bij de Hoge Raad namens de benadeelde partij een advocaat heeft gesteld.

  4. Uiterlijk op de dienende zittingsdag kan de advocaat van de benadeelde partij voorgestelde middelen van cassatie schriftelijk toelichten dan wel tegenspreken voor zover die haar vordering betreffen. Indien een daartoe strekkend verzoek is ingewilligd, kan de advocaat voorgestelde middelen van cassatie op de dienende zittingsdag mondeling toelichten dan wel tegenspreken voor zover die haar vordering betreffen.

  5. Aan de advocaat die namens de benadeelde partij middelen van cassatie heeft ingediend wordt de conclusie ter kennis gebracht.

  6. De advocaat, bedoeld in het vijfde lid, kan binnen twee weken nadien commentaar op de conclusie aan de Hoge Raad ter kennis brengen.

  7. De griffier geeft van de beslissing van de Hoge Raad kennis aan de benadeelde partij. De griffier verstrekt haar desgevraagd een kopie van het arrest van de Hoge Raad.