1. Uiterlijk op de dienende zittingsdag kan de raadsman, bedoeld in artikel 5.5.9, tweede lid, dan wel het openbaar ministerie, voorgestelde middelen van cassatie schriftelijk toelichten dan wel tegenspreken. Indien een daartoe strekkend verzoek is ingewilligd, kan de raadsman dan wel het openbaar ministerie, voorgestelde middelen van cassatie op de dienende zittingsdag mondeling toelichten dan wel tegenspreken.

  2. Op de dienende zittingsdag of op een nadere zittingsdag neemt de procureur-generaal zijn conclusie, die hij aan de Hoge Raad ter kennis brengt, of geeft hij aan dat hij van het nemen van een conclusie afziet. De Hoge Raad bepaalt hierna op de zitting de dag van de uitspraak.

  3. Aan de raadsman, indien deze namens de verdachte middelen van cassatie heeft ingediend, en aan het openbaar ministerie, indien dat middelen van cassatie heeft ingediend, wordt de conclusie ter kennis gebracht.

  4. In het geval, bedoeld in het derde lid, kunnen de raadsman en het openbaar ministerie kunnen binnen twee weken commentaar op de conclusie aan de Hoge Raad ter kennis brengen.