1. Op de berechting door de enkelvoudige kamer zijn de Titels 4.1 en 4.2 van toepassing voor zover daarvan in de volgende artikelen van deze titel niet is afgeweken.

  2. Een zaak kan worden behandeld en beslist door de enkelvoudige kamer indien zij van eenvoudige aard is, in het bijzonder ten aanzien van het bewijs en de toepassing van de wet, en de zaak in eerste aanleg is behandeld door een enkelvoudige kamer.

  3. De enkelvoudige kamer is niet bevoegd tot het opleggen van een gevangenisstraf van meer dan een jaar. Hij is evenmin bevoegd tot het opleggen van de maatregelen, bedoeld in de artikelen 37a, eerste lid, en 38m van het Wetboek van Strafrecht.