1. Ten aanzien van een niet verschenen getuige of deskundige beveelt het gerechtshof:

    1. de hernieuwde oproeping indien de getuige of deskundige aan een eerdere oproeping geen gehoor heeft gegeven dan wel de oproeping indien de advocaat-generaal de oproeping heeft verzuimd;

    2. de oproeping, indien daartoe binnen de termijn, gesteld in artikel 5.4.11, derde lid, een verzoek is gedaan dat niet is ingewilligd, ingeval de verdachte dit verzoek herhaalt of het gerechtshof de getuige of deskundige ambtshalve wenst te verhoren.

  2. Het gerechtshof kan van de oproeping van niet verschenen getuigen of deskundigen afzien in de gevallen, bedoeld in artikel 4.2.19, tweede en derde lid, in verbinding met artikel 4.2.24.

  3. De oproeping van getuigen en deskundigen die niet is verzocht op grond van artikel 5.4.11, binnen de ingevolge het derde lid van dat artikel geldende termijn, en de oproeping van getuigen en deskundigen die op de terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter- of raadsheer-commissaris zijn verhoord, kan worden geweigerd indien het gerechtshof de oproeping niet noodzakelijk acht in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak.

  4. Het gerechtshof kan de medebrenging van de getuige en de deskundige gelasten.