1. Het hoger beroep wordt, behoudens het tweede lid, binnen twee weken na de uitspraak van het eindvonnis ingesteld indien:

    1. de procesinleiding in persoon aan de verdachte is betekend;

    2. de procesinleiding binnen zes weken nadat de verdachte verzet tegen een strafbeschikking ter zake van hetzelfde feit heeft ingesteld, in overeenstemming met de wettelijke regeling aan hem is betekend en in eerste aanleg geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan zes maanden;

    3. de oproeping om op de terechtzitting te verschijnen in persoon aan de verdachte is betekend;

    4. de verdachte of een uitdrukkelijk gemachtigde raadsman op de terechtzitting is verschenen; of

    5. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of de dag waarop het eindvonnis is uitgesproken de verdachte tevoren bekend was.

  2. Indien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst, wordt het hoger beroep binnen twee weken na de uitspraak van het eindvonnis ingesteld indien:

    1. de oproeping voor de nadere terechtzitting in persoon aan de verdachte is betekend;

    2. de verdachte of een uitdrukkelijk gemachtigde raadsman op de nadere terechtzitting is verschenen; of

    3. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting of de dag waarop het eindvonnis is uitgesproken de verdachte tevoren bekend was.

  3. Buiten de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt het hoger beroep ingesteld binnen twee weken nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte met het eindvonnis bekend is.