1. Zo spoedig mogelijk na de ontvangst van de processtukken geeft de voorzitter van het gerechtshof daarvan kennis aan de verdachte en de advocaat-generaal. Die kennisgeving wordt aan de verdachte betekend. De berechting vangt door die betekening aan.

  2. De kennisgeving bevat in ieder geval:

    1. de beslissing op grond van artikel 4.3.2 dan wel de beslissing tot veroordeling, vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging;

    2. indien een veroordeling of ontslag van alle rechtsvervolging is uitgesproken, de benaming van het strafbare feit dat het bewezenverklaarde oplevert met vermelding van de plaats waar en het tijdstip waarop het is begaan;

    3. indien een straf of maatregel is opgelegd, de opgelegde straf of maatregel, alsmede de wettelijke voorschriften waarop deze is gegrond.

  3. In de kennisgeving wordt de verdachte in ieder geval gewezen op:

    1. zijn recht op rechtsbijstand;

    2. zijn recht op kennisneming van alle processtukken;

    3. zijn recht om stukken in te dienen ter voeging bij de processtukken;

    4. zijn recht om een aanvullende schriftuur in te dienen indien het eindvonnis is aangevuld op de voet van artikel 4.3.23, derde lid;

    5. zijn recht om tot de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting de rechter-commissaris of de raadsheer-commissaris te verzoeken bevoegdheden uit te oefenen die hem in Boek 2, Titels 10.2 tot en met 10.4, zijn toegekend;

    6. zijn recht een verzoek als bedoeld in artikel 5.4.11, eerste en tweede lid, in te dienen.

  4. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem een vertaling van de kennisgeving uitgereikt of toegezonden dan wel wordt hij in een voor hem begrijpelijke taal in kennis gesteld van de informatie, bedoeld in het tweede en derde lid.