1. De rechtbank verbetert op vordering van de officier van justitie, op verzoek van de verdachte of ambtshalve een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout in haar vonnis die zich voor eenvoudig herstel leent, tenzij daarmee geen redelijk belang is gediend.

  2. De rechtbank verbetert op verzoek van de benadeelde partij een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent in de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, tenzij daarmee geen redelijk belang is gediend.

  3. De rechtbank gaat niet tot de verbetering over dan na de officier van justitie en zo mogelijk de verdachte in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten. Indien de verbetering de beslissing op haar vordering betreft, wordt de benadeelde partij in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. Deze gelegenheid behoeft niet te worden geboden als een procespartij door het ontbreken daarvan niet in haar belangen wordt geschaad.

  4. In het vonnis wordt vermeld op welk vonnis de verbetering betrekking heeft. De verbetering wordt op een door de rechtbank te bepalen dag uitgesproken. De artikelen 4.3.20, eerste en tweede lid, 4.3.26, eerste en tweede lid, en 4.3.29 zijn van overeenkomstige toepassing.

  5. De officier van justitie brengt het vonnis na ondertekening ter kennis van de verdachte. Indien de verbetering de beslissing op de vordering van de benadeelde partij betreft, brengt hij het vonnis eveneens ter kennis van de benadeelde partij. Indien de desbetreffende procespartij de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, zendt de officier van justitie haar een kennisgeving in een voor haar begrijpelijke taal waarin de inhoud van de verbetering is weergegeven.

  6. Indien de tenuitvoerlegging van het vonnis reeds was aangevangen, kan deze met inachtneming van de verbetering worden voortgezet.