1. In afwijking van artikel 4.5.4 kan een zaak, indien sprake is van ontdekking op heterdaad door een opsporingsambtenaar, bij de kantonrechter ter berechting worden aangebracht doordat de opsporingsambtenaar een door hem gedagtekende en ondertekende oproeping uitreikt aan de verdachte.

  2. Deze wijze van aanbrengen van zaken is mogelijk bij alle overtredingen waarbij dit niet uitdrukkelijk is uitgesloten. De uitsluiting vindt, gehoord het openbaar ministerie, plaats bij algemene maatregel van bestuur.

  3. Het formulier van de oproeping wordt vastgesteld door Onze Minister. Onze Minister kan nadere voorschriften geven ter uitvoering van dit artikel.

  4. Bij de uitreiking van de oproeping licht de opsporingsambtenaar de inhoud en de strekking daarvan zo mogelijk kort toe.

  5. Wordt een oproeping door de verdachte niet aangenomen, dan geldt het tijdstip van de weigering van de verdachte als tijdstip van uitreiking.

  6. Van de inhoud van de oproeping en van het uitreiken dan wel het aanbieden en weigeren van de oproeping alsmede de reden van weigering maakt de opsporingsambtenaar in zijn proces-verbaal melding.

  7. De oproeping bevat een opgave van het feit als bedoeld in artikel 4.1.1, derde lid, onderdeel a, of een korte omschrijving van het feit, alsmede de wettelijke voorschriften waarbij het strafbaar is gesteld. De artikelen 4.1.12, eerste lid, en 4.5.4, zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

  8. De korte omschrijving van het feit wordt bij de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting aangevuld of verbeterd. Van de aanvulling of verbetering wordt aan de verdachte uiterlijk tien dagen voor de aanvang van de terechtzitting kennis gegeven.