1. In afwijking van artikel 4.1.1, eerste lid, eerste zin, brengt de officier van justitie de zaak ter berechting aan door een procesinleiding bij de enkelvoudige kamer in te dienen en deze, vergezeld van een oproeping voor de terechtzitting, aan de verdachte te betekenen.

  2. In afwijking van artikel 4.1.2, eerste lid, onderdeel f, wordt de verdachte ter kennis gebracht dat hij bij de politierechter of de kantonrechter een verzoek als bedoeld in artikel 4.1.4, eerste en tweede lid, kan indienen.

  3. In afwijking van artikel 4.1.4, derde lid, wordt een verzoek, indien tussen de dag waarop de procesinleiding aan de verdachte is betekend en die van de terechtzitting ten minste twee weken verlopen, ten minste tien dagen voor de terechtzitting ingediend. Indien de procesinleiding later wordt betekend, eindigt de termijn op de vierde dag na die van de betekening, maar uiterlijk op de derde dag voor die van de terechtzitting.

  4. Op door de verdachte ingediende verzoeken is artikel 4.1.4, vierde tot en met negende lid, van overeenkomstige toepassing.

  5. Indien de verdachte in verband met de zaak waarop de procesinleiding betrekking heeft van zijn vrijheid is beroofd op grond van een bevel tot ophouden voor onderzoek, tot inverzekeringstelling of tot voorlopige hechtenis, is de termijn van oproeping ten minste drie dagen. Deze termijn wordt als een termijn in de zin van artikel 1, tweede lid, van de Algemene termijnenwet aangemerkt.

  6. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem een vertaling van de procesinleiding en de oproeping uitgereikt of toegezonden dan wel wordt die informatie in een voor hem begrijpelijke taal aan hem meegedeeld.